Kapitalisme: de weg naar de ondergang.

Inhoud.


Voorwoord.

  1. Over economie en kapitalisme.
  2. Over de filosofie van Karl Marx.
  3. Over socialisme en liberalisme.

          3.1 Over socialisme.

          3.2 Over liberalisme.

      4. Over Crisissen.

      5. Over macht, gezag, hebzucht en jaloezie.

          5.1 Over macht en gezag.

          5.2 Over hebzucht en jaloezie.

Nawoord. 


Voorwoord.

 

Vanuit mijn opvoeding in de jaren 50 en 60 ben ik geneigd om me verantwoordelijk te voelen voor mijn gedrag en wat dat veroorzaakt in de buitenwereld, de maatschappij. Wie mijn boeken leest, zal dan ook opmerken dat ik me voortdurend richt op wat we als individu kunnen doen aan het oplossen van persoonlijke en maatschappelijke problemen.

In toenemende mate word ik me er echter van bewust dat we als individu in dit streven ernstig worden belemmerd omdat we gevangen zitten in een maatschappij die wordt beheerst door geld: een kapitalistische maatschappij, waarin de meeste productiemiddelen in het bezit zijn van enkele mensen, kapitalisten, terwijl de meerderheid van de werkenden geen productiemiddelen bezit en daardoor gedwongen wordt tot het verkopen van zijn arbeidskracht en afhankelijk is van de moraal die binnen het kapitalistisch denken en handelen heerst.

En die moraal is doorgaans niet gericht op het welzijn van alle betrokkenen en van de maatschappij als geheel, maar op de eigen welvaart, op het verdienen van zoveel mogelijk geld om daarmee vervolgens via bijvoorbeeld beleggingen en dubieuze handelspraktijken nog meer geld te verdienen.

De filosoof Schopenhauer beschreef dit gedrag al in de 19de eeuw als volgt:

 

‘Rijkdom is als zeewater, hoe meer je ervan drinkt, hoe meer dorst je krijgt.’

 

Het verwerven van deze rijkdom gaat doorgaans ten kosten van mensen die op velerlei manieren worden uitgebuit en gemanipuleerd om zoveel mogelijk te consumeren, met alle gevolgen van dien.

Alle hedendaagse wereldbedreigende crisissen zijn voor het grootste gedeelte het gevolg van dit gedrag, zoals de klimaatcrisis, de wooncrisis, de vluchtelingencrisis en de grote welvaartsongelijkheid in de wereld, waarvan bewezen is dat deze aan de basis ligt van veel fysieke en psychische klachten en ziektes en van kleine en grote oorlogen.

 

Zoals eeuwenlang de macht en de moraal van de twee-eenheid Kerk en Adel de maatschappij regeerden, doet dat nu de economie die bepaald wordt door kapitalisten..

 

De vraag is hoe het zover is gekomen dat niet democratische regeringen de gang van zaken in de wereld bepalen, maar het grote geld, het kapitalisme.

In dit boek ga ik op zoektocht naar antwoorden op deze vraag en naar mogelijkheden om deze wereldbedreigende machtsuitoefening te stoppen en een maatschappij te creëren die niet streeft naar rijkdom, maar die gekenmerkt wordt door wat Sander Heijne en Hendrik Noten schreven in hun boek Fantoomgroei:

 

‘Een vredige samenleving waarin mensen met elkaar door één deur kunnen, omdat niemand de ander uitbuit. Een samenleving waarin iedereen gelijke kansen heeft en werken loont. Een samenleving waarin mensen veilig over straat kunnen, waar voldoende leraren voor de klas staan, de gezondheidszorg goed geregeld is en armoede tot het verleden behoort. En natuurlijk een planeet met een leefbaar klimaat, met als het even kan, zo nu en dan een Elfstedentocht.’

 

Met dank aan Paul Verhaeghe die me tot het schrijven van dit boek inspireerde door zijn boek ‘Onbehagen’ en aan Ryan Holiday die in zijn boek ‘Discipline is het doel: De kracht van zelfbeheersing’ duidelijk maakt dat discipline en zelfbeheersing noodzakelijk zijn om onze mateloze honger naar consumptie, geld, succes en macht af te remmen, omdat die uiteindelijk zal leiden naar onze ondergang.


1. Over economie en kapitalisme.

 

Het begrip economie stamt uit het Oudgriekse oikos (οἶκος), huis en nomos (νόμος), regel en betekent dus letterlijk het regelen van het huishouden ofwel huishoudkunde.

Economie is dus een wetenschap die zich bezighoudt met hoe we ons eigen en gemeenschappelijk huishouden voeren, met de keuzes die we maken bij de productie, distributie en consumptie van goederen en diensten. De keuzes die gemaakt worden leiden tot en bepaald economisch systeem.

 

Al eeuwen is onze economie een markteconomie, dat wil zeggen een economisch systeem waarin goederen door producenten worden geproduceerd voor consumptie en worden verdeeld onder consumenten via handel op de markt. De prijs van de producten wordt bepaald door vraag en aanbod en onderlinge concurrentie van de producenten. Dit systeem is primair gericht op de behoeftebevrediging van mensen.

 

Naast de productiesector van landbouw-, visserij-, industrie- en bouwproducten kennen we ook een uitgebreide dienstensector, die niet alleen een rol speelt in het goed laten verlopen van het proces van de productie van goederen tot en met de levering aan de consument, zoals winkels en transport, maar ook ons en de samenleving helpt om zo goed mogelijk te functioneren door middel van bijvoorbeeld financiële dienstverlening, gezondheidszorg, onderwijs en training, toerisme en horeca en creativiteitsondernemingen.

 

Kapitalisme kan omschreven worden als een economisch systeem dat niet  primair gericht op de behoeftebevrediging van mensen maar op het maken van winst via investeringen in ondernemingen.

Bij het kapitalistische systeem ligt de nadruk op het maken van winst en overwinst, het vermeerderen van kapitaal,  kapitaalaccumulatie genoemd, dat geïnvesteerd wordt in de uitbreiding, de groei van de eigen onderneming en, als de overwinst groter is dan daar voor nodig is, voor investeringen in andere ondernemingen.

Het streven naar het vermeerderen van het kapitaal kan worden bereikt door een effectieve en efficiënte bedrijfsvoering, wat willen zeggen producten maken en diensten verlenen die de markt bereid is af te nemen op basis van kwaliteit, prijs en service en door het productie-  en dienstverleningsproces zo goedkoop mogelijk te laten verlopen, waarbij arbeidsloon een zeer belangrijke kostenpost is.   

 

Het doel van winst en kapitaalaccumulatie van het kapitalisme heeft, zoals eerder gezegd, de rol overgenomen van de op de eigen consumptie gerichte productie, van behoeftebevrediging, wat oorspronkelijk het doel was van de economie.

 

Het maken van winst en kapitaalaccumulatie wordt mogelijk gemaakt doordat binnen ons economisch systeem de productiemiddelen arbeid, kapitaal, grondstoffen en natuur, zoals bijvoorbeeld land, doorgaans in privaat eigendom zijn van enkele of groepen mensen die als ‘particulier bedrijfsleven’ een grote mate van juridische vrijheid genieten om over deze productiemiddelen te beschikken. De meerderheid van de mensen heeft echter geen productiemiddelen en wordt daardoor gedwongen zijn arbeidskracht te verkopen.

 

De vrijheid die de vrije ondernemingsgewijze productie geniet, betekent ook dat er sprake is van concurrentie, wat maakt dat ondernemers er belang bij hebben om de effectiviteit en efficiëntie van hun onderneming te vergroten wat het behalen van overwinst noodzakelijk maakt.

 

Een belangrijke rol binnen de economie spelen financiële instellingen zoals banken, verzekeraars, pensioenfondsen, trustkantoren, crypto-aanbieders, betaaldienstverleners en beleggingsinstellingen. Ook zij zijn in handen van een beperkt aantal mensen, van ondernemingen die een grote vrijheid van handelen genieten om met hun onderneming winst en overwinst te maken.

 

Zij maken samen deel uit van de financiële sector die er bijvoorbeeld voor zorgt dat we kunnen betalen en sparen, dat er geld is voor het financieren van een onderneming, het kopen van een huis en dat we een verzekering kunnen afsluiten, credit kunnen opnemen en kunnen sparen voor ons pensioen. 

 

Omdat het belangrijk is dat dit soort zaken veilig verlopen, houdt De Nederlandse Bank (DNB) toezicht op deze instellingen en moeten deze ondernemingen een vergunning hebben van de DNB of de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Bedrijven met een vergunning staan in openbare registers, zoals bijvoorbeeld het bankenregister. Bij financiële instellingen zonder vergunning lopen consumenten grote risico’s.

 

Het bovenstaande is een uiterste globale en zakelijke beschrijving van de werking van ons economisch systeem en van wat het kapitalisme in essentie inhoudt. Maar daarmee is nog geen antwoord gegeven op de vraag die ten grondslag ligt aan dit boek, namelijk hoe het zover is kunnen komen dat niet democratische regeringen de gang van zaken in de wereld bepalen, maar het grote geld, het kapitalisme, met alle nadelen en bedreigingen die in het voorwoord zijn genoemd. Blijkbaar is er sprake van een systeemfout binnen ons economisch systeem.

 

Daarom is het nodig om te kijken waardoor het komt dat de bovenbeschreven economische processen, die op het eerste oog logisch en billijk lijken, zodanig in de praktijk worden ingevuld dat ze niet goed werken en desastreuze gevolgen hebben.

 

Daarom wordt in het volgende hoofdstuk aandacht besteed aan een van de belangrijkste criticasters van het kapitalistische systeem, namelijk de Duitste filosoof, econoom, socioloog en historicus Karl Heinrich Marx, die leefde van 1818 tot 1883. Hij bekritiseerde niet alleen het kapitalistische systeem, maar stond ook aan de basis van een nieuw economisch systeem dat uitgroeide tot het communisme, een sociale, politieke en economische ideologie die gericht was op het verwezenlijken van een klasseloze en socialistische samenleving, die is gebaseerd op de gemeenschappelijke eigendom van de productiemiddelen en gemeenschappelijke openbare instellingen waarin iedereen produceert naar vermogen en neemt naar behoefte.


2. Over de filosofie van Karl Marx.

 

Karl Marx reageert in zijn filosofisch werk op de idealistische filosofie van de Duitse filosoof George Hegel die leefde van 1770 tot 1831. Hegel beschreef de geschiedenis als een ontwikkeling van botsende tegenstellingen.

In Hegels moeilijk toegankelijke werk ‘Fenomenologie van de Geest’ staat de gedachte centraal dat de geschiedenis van de rede zich voortbeweegt door tegenstellingen (these-antithese) die telkens op botsingen uitlopen en dan een synthese opleveren. Daarna nemen de tegenstellingen weer toe en ontstaat er weer een conflict.

 

De ‘these’ en de ontkenning daarvan, de ‘antithese’, worden telkens in een hogere ‘synthese’ verzoend. Bijvoorbeeld:

 

  • Je mag nooit liegen (these).
  • Wel als je daarmee het leven redt van een onschuldig kind (antithese).
  • Liegen mag niet, tenzij je er onschuldige levens mee kan redden (synthese).

 

Iedereen heeft wel eens de ervaring opgedaan dat wij in ons oordeel over mensen, dingen, gebeurtenissen eerst ‘van het ene uiterste in het andere vallen’, dus van these in antithese, om in ons eindoordeel dan 'de gulden middenweg' te vinden, die iets meer is dan een compromis tussen de beide uitersten. Eerst vinden we bijvoorbeeld iemand fout (these) en doordat iemand anders ook de goede kanten belicht (antithese), krijgen we een genuanceerder oordeel over die persoon: de synthese.

Hegel ziet iedere synthese op haar beurt weer als een uitgangspunt voor een nieuwe ontkenning op weg naar een hogere synthese, enzovoorts.

Dit proces herhaalt zich eindeloos en zo komen we steeds dichter bij het hoogste idee dat door Hegel afwisselend het Absolute, de Geest of de Rede wordt genoemd en dat sturing geeft aan de werkelijkheid, die de werkelijkheid haar ontwikkelingskracht geeft en waarin uiteindelijk alle individuele elementen van de geest opgaan en zichzelf overstijgen. Door de voortdurende opeenvolging van tegenstelling, ontwikkelen we steeds meer inzicht in de werkelijkheid en komen we steeds dichter bij ‘de waarheid’.

 

Karl Marx leefde in de tijd van de opkomst van de industriële revolutie en ziet die botsende tegenstellingen van these en antithese ook terug in de geschiedenis en met name in de klassenstrijd van de sociale groepen van de bezittende burgerij en de bezitloze arbeidersklasse. Zij staan tegen over elkaar in een strijd om de productiemiddelen.

Op dit moment in de geschiedenis, zegt hij, heeft de burgerij de overhand, maar wanneer de arbeidersklasse zich bewust wordt van zichzelf en van haar onderdrukking, zal deze het kapitalisme omverwerpen. Dan zal een klasseloze, communistische maatschappij ontstaan.

 

Met deze theorie staat Marx aan de basis van het historisch materialisme: niet de grote ideeën, maar materiële en economische omstandigheden bepalen de geschiedenis.

 

De opeenvolging van historische perioden verlopen volgens een ‘dialectisch proces’, waarbij een bestaande historische situatie (these) in onbalans raakt door groeiende tegenstellingen in het productieproces (antithese) wat onvermijdelijk leidt tot botsingen (bijvoorbeeld slavenopstanden, revoluties) en een nieuwe maatschappelijke orde (synthese).

Dit proces herhaalde zich in de geschiedenis verschillende malen. De eerstvolgende botsing zou dan de proletarische revolutie zijn, die volgens Karl Marx zou uitlopen op een nieuwe maatschappelijke orde: de communistische heilstaat waarin iedereen gelijk is en alle bedrijven en landbouwgrond van de staat zijn.

 

Karl Marx begon zijn grondige economische studie naar het kapitalisme naar aanleiding van de mislukte revoluties die in1848 overal in Europa uitbraken.

Het Revolutiejaar 1848 betreft een reeks Europese opstanden die een liberaal systeem, een liberale grondwet of het verdrijven van adellijke heersende klasse mogelijk moesten maken. De beweging was van korte duur en veel afgedwongen maatregelen werden later door de aristocratische en conservatieve elite teruggedraaid. Niettemin oefenden de opstanden een grote invloed uit op de periode die volgde. Voortaan moesten de heersers min of meer rekening houden met liberale en nationalistische gevoelens van de invloedrijker wordende burgerij.

 

Op basis van dit onderzoek schrijft Karl Marx zijn bekendste werk: ‘Das Kapital’, ‘Het kapitaal’.

In dit boek ontwikkelt hij het idee dat de kapitalistische winst wordt gemaakt door uitbuiting van de arbeider: de arbeider creëert met zijn inspanning de meerwaarde van een product, maar krijgt daarvoor niet betaald. Terwijl de productiviteit door machines omhoog schiet, delen de arbeiders niet in de voordelen van de machines die ze  gemaakt hebben en moeten ze dezelfde uren maken.

 

Marx wil aantonen dat er feitelijk niets is veranderd sinds de middeleeuwse heer zijn horige het land liet bewerken en dat het alleen maar erger is geworden doordat arbeiders maar een kleine schakel vormen in het totale productieproces, geen binding meer hebben met het eindproduct en daardoor vervreemden van hun werk. Omdat arbeiders zich nauwelijks bewust zijn van deze situatie, moeten ze daarvan bewust worden gemaakt.

 

Een ander punt waarmee Marx reageert op Hegel is zijn kritiek op het beschouwende karakter van de filosofie:

 

‘De filosofen hebben de wereld tot dusver slechts geïnterpreteerd; nu komt het erop aan haar te veranderen.’

 

Marx ziet het als zijn taak om de emancipatie van de door het kapitalisme uitgebuite arbeider in gang te zetten. Als gevolg van de uitbuiting, stelt Marx, vervreemdt de arbeider van zichzelf en zijn menselijkheid. Doordat hij zijn arbeid moet verkopen aan de kapitalist, verkoopt hij ook een deel van zijn leven. Het behoort zichzelf niet meer toe, maar de kapitalist. Zijn leven wordt een productiemiddel.

Bovendien vervreemdt de arbeider in het kapitalistische systeem ook van zijn medemens. In plaats van medemens, worden andere mensen concurrenten. Daardoor maken liefde en vertrouwen in het menselijk leven plaats voor onderhandeling en uitwisselbaarheid.

Door weer vrij te gaan produceren en niet meer in dienst te zijn van een uitbuitende kapitalist, komt de mens weer terug bij zichzelf en kan hij weer gaan floreren. 

Het‘Communistisch manifest’ van Marx roept dan ook op tot de revolutie van de internationale arbeidersbeweging: ‘Arbeiders aller landen verenigt U!’.

Dit manifest is een beknopte samenvatting van de theorieën van Marx en Engels over klassenstrijd en revolutie. Ze voorspellen dat de arbeidende klasse zich zal bewust worden van hoe ze onderdrukt wordt en uiteindelijk het kapitalisme en de kapitalistische burgerklasse met een revolutie zal omverwerpen:

 

‘Dat de heersende klassen zal sidderen voor een communistische revolutie! De proletariërs hebben daarbij niets te verliezen dan hun ketenen.’

 

Volgens Marx is het kapitalisme een vloek voor iedereen, omdat enkele mensen de macht hebben en dus de baas zijn over veel mensen.

 

Het verschil tussen communisme en kapitalisme is dat het communisme van de bewoners van een land vraagt om de samenleving en het belang van de samenleving boven de individuele belangen te zetten.

Het kapitalisme stelt het individuele belang boven het gemeenschappelijke belang. In feite gaat het hier om individualisme versus sociaal welzijn.

 

In de praktijk pakte het communisme niet goed uit. Zo onderdrukten de communistische leiders van de communistische Sovjet-Unie het volk en dulden geen tegenspraak. Ook werden mensen niet uitgedaagd om hard te werken en creatief te zijn omdat dat niets opleverde, niet werd beloond. De hele economie werd centraal aangestuurd, mensen hadden geen inbreng en voelden zich er niet bij betrokken, waardoor het economisch steeds slechter ging en er regelmatig opstanden uitbraken, zoals de Hongaarse opstand in 1956 en de Praagse Lente in 1968, die bloedig werden neergeslagen.

De slechte economische toestand werd mede veroorzaakt door  de wapenwedloop als gevolg van de Koude Oorlog tussen de communistisch oosterse en de kapitalistische westerse wereld.

 

De Russische president Gorbatsjov, die in 1985 aan de macht kwam, besefte dat de oude vorm van communisme had afgedaan en hervormd moest worden. Met zijn ideologie van glasnost (politieke openheid)  en perestrojka (economische hervormingen) probeerde hij geleidelijk elementen van de westerse vrije markteconomie in het communisme te integreren.

Niet alleen de uiterts slechte economische toestand noopte daartoe maar ook de onrust die ontstond onder de machthebbers van lidstaten, zoals bijvoorbeeld in Polen waar met moeite de vrije vakbond Solidarnosc de kop werd ingedrukt.

Door het nieuwe beleid van Gorbatsjov kwam er een einde aan de almacht van de communistische partij en zagen met name de oostelijke lidstaten van de Sovjet-Unie de tijd rijp voor hervormingen omdat de Sovjet-Unie niet meer zou ingrijpen en invallen zoals eerder het geval was bij de Hongaarse en Praagse Lente.

Polen beet in 1989 de spits af met onderhandelingen die zouden leiden tot de eerste vrije verkiezingen achter het IJzeren Gordijn, zoals de ideologische scheiding tussen het communistische oosten en het kapitalistische westen in de periode 1945-1989 werd genoemd.

Het symbool van deze scheiding en de Koude Oorlog, de Berlijnse Muur, werd op 9 november 1989 geopend wat wordt gezien als de val van het communisme. In de maanden daarna waren de meeste Oostbloklanden overgestapt naar een parlementaire democratie en werd de Sovjet Unie het Gemenebest van Onafhankelijke Staten, GOS.

Polen en de Baltische staten Estland, Letland en Litouwen traden niet toe tot GOS maar traden in 2004 toe tot   de NAVO en de Europese Unie.

In 1990 werd de voormalige communistische Duitse Democratische Republiek, DDR, die in 1945 door de Rusland werd afgesplitst van Duitsland, weer onderdeel van Duitsland.

 

Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie stortte de Russische economie volledig in, mede doordat de communistische partij de politieke macht uit handen gaf en er werd overgegaan tot privatisering van de staatsbedrijven.

 

De plotseling overgang van communisme naar kapitalisme leidde tot ‘kapitalisme op zijn rauwst’, waarbij mensen met de juiste connecties snel rijk werden en de overgrote meerderheid verarmde.

De 'nieuwe rijken' waren vaak dezelfde bestuurspersonen die in de laatste jaren van het communisme nog 'trouwe' partijleden waren en in 'naam van de communistische partij' de touwtjes op lokaal en hoger niveau in handen hadden. Uit de aard van hun functie wisten deze snel de bakens te verzetten en hun weg te vinden in de gewijzigde omstandigheden, vooral via allerlei connecties die ze al hadden.

Met de opbrengsten van dubieuze praktijken kochten ze grote staatsbedrijven voor een fractie van de werkelijke waarde, wat leidde tot de snelle rijkdom van sommige Russen, 'oligarchen’ genoemd. Belasting werd op grote schaal ontdoken waardoor de overheid inkomsten miste om het beleid in de juiste banen te leiden en voor de  salarissen van de ambtenaren, soldaten en agenten.

President Vladimir Poetin, ook voortgekomen uit deze kringen, probeerde het tij te keren door via de rechter de snelle groei van rijkdom van enkele oligarchen te belemmeren en stelde enkele van hen aan als gouverneurs van arme gebieden in de  hoop dat ze hun geld zouden investeren in deze gebieden.

 

Dat Rusland zich herstelt heeft van deze en nog volgende crisissen heeft alles te maken met de enorme gas- en olievoorraden dat het bezit en door de stijging van de prijzen van deze grondstoffen op de wereldmarkt.

 

Wat er uiteindelijk is overgebleven van de Russische communistische heilstaat is een wankele federale samenwerking, die onder ander gekenmerkt wordt door twee oorlogen in Tsjetsjenië en de huidige oorlog in Oekraïne, een ondemocratische staatsvorm zonder vrije pers en met onderdrukking van alle vormen van protest en oppositie, kortom een  dictatuur en een rauwe en kwakkelende kapitalistische markteconomie.

 

Zoals zo vaak worden goede visies niet altijd in overleg met alle betrokkenen geleidelijk omgezet in structuren, maar worden ze van bovenaf opgelegd en via indoctrinatie en manipulatie doorgedrukt. En zoals Paul Verhaeghe zegt in zijn boek Onbehagen:

 

‘Combineer macht en manipulatie, en je hebt een maatschappelijke probleem’. 

 

Ook de weg die het communisme in China heeft afgelegd, laat in grote lijnen dit eindresultaat zien.

Dit had Karl Marx met zijn idealistische filosofie nooit gewenst en kunnen voorzien.

 

Maar hoe ging en gaat  het in de Westerse Wereld, welke ideologieën vormen hier de  basis voor de samenleving en de economie? In grote lijnen was en is het een strijd tussen het socialisme en het liberalisme. Deze beide ideologieën zullen dan ook centraal staan in het volgende hoofdstuk.


3. Over socialisme en liberalisme.

    3.1. Over socialisme.

 

Het woord socialisme stamt af van de Latijnse woorden ‘socius’ en ‘socialis’ die respectievelijk deelgenoot of gemeenschappelijk en kameraadschappelijk of het behoren tot een gezelschap betekenen.

Het eerste gebruik van de term socialisme in een politieke context stamt uit 1832 om de ideeën te beschrijven van Franse hervormingsdenker Henri de Saint Simon (1760-1825) ten tijde van de Franse Revolutie. Hij baseerde zijn hervormingsplannen op het toepassen van wetenschappelijke methodes en was een voorvechter van een meritocratische maatschappij.

 

Meritocratie kan vertaald worden als ‘geregeerd worden door degenen die het verdienen’ en is een maatschappijmodel waarin de sociaaleconomische positie van elk individu is gebaseerd op zijn of haar verdiensten. Waarbij het niet gaat om de aanleg die men heeft, maar wat men met die aanleg doet. Andere factoren, zoals afkomst, bezit, ras en geslacht mogen geen rol spelen.

Kortom, meritocratie is een samenleving waarin individuen een positie innemen op basis van hun eigen capaciteiten en kennis en niet op basis van geboorte, huwelijk of traditie. De eigen inzet bepaalt welke positie men kan innemen in de samenleving.

 

De filosofie van meritocratie was een reactie op het feit dat in die tijd de maatschappelijke positie van mensen voornamelijk werd bepaald door afkomst, bezit, ras, geslacht en traditie. Hetzelfde gold voor de belangrijke posten in de maatschappij en regeringen. Hierdoor konden koningshuizen en adellijke families eeuwenlang hun machtsposities in stand houden.

 

Naast deze sociale betekenis heeft meritocratie ook een politieke insteek. Een meritocratie als bestuursvorm impliceert een politieke elite die aan de macht is op basis van de som van individuele verdiensten met als graadmeter capaciteiten, politieke ervaring en diploma’s.   

 

Graaf Henri de Saint-Simon wordt vaak gezien als de stichter van het socialisme en maakte grote indruk op de filosofen Friedrich Engels en Karl Marx die het socialisme tot een politieke en economische filosofie ontwikkelden.

 

Het socialisme heeft een specifieke kijk op de economie en de maatschappij.

Socialisten vinden dat de productiemiddelen van goederen en diensten eigendom moeten zijn van de gemeenschap. Deze productiemiddelen zijn arbeid, kapitaal en natuur. Onder arbeid vallen het werken zelf en de mensen die werken. Onder kapitaal vallen geld, land en machines en onder natuur grondstoffen.

Ook de opbrengsten uit de productie van goederen en diensten moeten toekomen aan de samenleving. Gesocialiseerde bedrijven zullen hierdoor niet langer particuliere belangen behartigen waarbij de gemeenschap of de betrokken arbeiders geen directe baat hebben.

 

Daarnaast staat uitkomstengelijkheid centraal ofwel gelijkwaardige behandeling, wat inhoudt het bieden van dezelfde mogelijkheden aan alle mensen met inachtneming van de verschillen. Dit laatste betekent bijvoorbeeld voorzieningen voor mensen met een handicap en speciale voorzieningen voor vrouwen en kinderen.

 

Binnen het socialisme bestaan meerdere ideeën over de manier waarop de productiemiddelen in handen van de gemeenschap komen en hoe de productie ten goede moeten komt, dienstbaar gemaakt moet worden aan de samenleving.

Dit proces staat bekend onder het economische begrip socialisatie en kan plaatsvinden langs een revolutionaire weg en via een geleidelijk proces door bijvoorbeeld vermogensaanwasdeling of nationalisering onder leiding van een parlementaire democratie.

Vermogensaanwasdeling is het laten delen in de winst van een onderneming door de werknemers in de vorm van collectief beheerde aandelen.

 

Op basis van hoe het socialisatieproces dient te verlopen zijn er binnen het socialisme grofweg drie belangrijke stromingen te onderscheiden, namelijk de sociaaldemocratie, het democratische socialisme en het revolutionaire socialisme.

 

Sociaaldemocraten zijn de meest gematigde socialisten. Ze streven een eerlijke verdeling na binnen de democratie en het kapitalisme. Er  moeten regels zijn om ongelijkheid binnen de kapitalistische maatschappij te bestrijden. De democratisch gekozen overheid speelt hierin een belangrijke rol. Ze moet zorgen voor een eerlijke verdeling door bijvoorbeeld winstbelasting te heffen waarmee ze sociale voorziening kan financieren.

 

Sociaaldemocraten zijn gradualistisch, dat wil zeggen dat de socialisatie geleidelijk aan moet plaatsvinden binnen het bestaande politieke systeem. De politieke partij PvdA kan gerekend worden tot de sociaaldemocratie.

 

Democratische socialisten zijn reformistisch, dat wil zeggen dat ze een stapje verder gaan en het kapitalisme afwijzen. Ze vinden dat werknemers verregaande inspraak moeten hebben in bedrijven en direct een deel van de winst moeten krijgen. De Socialistische Partij, (SP), kan gerekend worden tot de stroming van het democratisch socialisme. Zij heeft haar wortels in de oude CPN, de Communistische Partij Nederland.

 

De revolutionaire socialisten vinden dat er alleen een socialistische staat kan ontstaan door een revolutie. Sommigen willen alleen in eigen land een revolutie, anderen willen een wereldwijde revolutie. De voormalige CPN kan tot deze stroming worden gerekend.

 

Naast de drie genoemde stromingen kennen we ook nog een stroming waarvan de aanhangers vrije socialisten of liberale socialisten worden genoemd. Ze zijn tegen een grote invloed van de overheid maar wel voor een collectief eigendomsrecht van de productiemiddelen.

De kerngedachte binnen deze stroming is dat de gemeenschap, het collectief de hoogste beslissingsbevoegdheid heeft over de verdeling van macht en goederen. Maar ze zijn tegenstanders van de socialistische stromingen die alle productiemiddelen willen nationaliseren. De politieke partij D66 kan tot deze stroming gerekend worden.

 

Ondanks het feit dat er in de loop van de tijd een aantal staatsbedrijven zijn geprivatiseerd, was de Nederlandse Staat in 2022 nog aandeelhouder in 39 ondernemingen omdat zij zo belangrijk zijn voor onze maatschappij, dat de overheid invloed wil uitoefenen op deze bedrijven.

Busmaatschappijen, energiebedrijven, de Postbank, de posterijen en telefonie (PTT) zijn enkele van de bedrijven die in het verleden zijn geprivatiseerd.

Bedrijven waar de staat aandelen in heeft en dus invloed  zijn onder andere de Nederlandse Spoorwegen (NS), ProRail, de Gasuni, Energiebeheer Nederland, Tenet, Bank Nederlandse gemeente, Holland Casino, Schiphol en het Havenbedrijf Rotterdam.

In 19 van deze de bedrijven waar de Staat aandelen in heeft vervult de minister van financiën de aandeelhoudersrol, in 20 bedrijven wordt deze rol vervuld door de betreffende beleidsminister.

 

3.2 Over liberalisme.

 

Het liberalisme is een politiek-maatschappelijke stroming die is ontstaan tijdens de Verlichting in de 18de eeuw waarin vrijheid centraal staat. De Engelse filosoof John Locke (1632-1704) wordt over het algemeen gezien als de grondlegger van het liberalisme.

Het liberalisme werd in de 19de eeuw een dominante stroming in Europa waar burgers wilden emanciperen en zich verzette tegen het oude bewind van koningen, de adel en de Kerk vanaf de Middeleeuwen tot de Franse revolutie. Het parool van de Franse Revolutie 'Vrijheid, gelijkheid en broederschap' kan als de eerste definitie worden beschouwd van het liberalisme als ideologisch programma.

 

Het liberalisme heeft als uitgangspunt zo veel mogelijk vrijheid van het individu zolang hij de vrijheid van anderen niet beperkt. Vrijheid van meningsuiting en vereniging en tolerantie zijn dan ook belangrijke waarden.

 

Liberalen streven naar een samenleving waarin burgers grote vrijheden genieten, zoals burgerrechten die het individu beschermen en de macht van de staat en de kerk beperken. Ook streeft het liberalisme naar een vrije markt waarin de overheid zich terughoudend opstelt.

 

Een ander speerpunt van het liberalisme is de scheiding van kerk en staat, onder andere als voorwaarde voor godsdienstige tolerantie.

Ook willen liberalen dat de staatsinrichting wordt vastgelegd in de grondwet waarin ook de grondrechten van de burger staan.

Van de overheid wordt slechts verlangd dat ze alleen die bestuursdomeinen voor haar rekening neemt die onmogelijk door het individu behartigd kunnen worden, zoals openbare functies, openbare werken en landsverdediging.

 

Het liberalisme kent een aantal belangrijke substromingen:

 

Het klassieke liberalisme, ook wel economische liberalisme genoemd, stelt de individuele vrijheid centraal, ook op economisch gebied.

Het individu is dus vrij om economische initiatieven te nemen, want het nastreven van eigenbelang wordt gezien als de motor van de welvaart van de hele samenleving. Het eigen initiatief moet zich dus maximaal kunnen ontplooien.

De staat moet daarin een ondersteunende rol spelen en zo weinig mogelijk belemmeringen opwerpen die het ondernemerschap zouden kunnen belemmeren, bijvoorbeeld in de vorm van normen, wetten en belastingen.

De markt moet zichzelf regelen zonder inmenging van de overheid, want het mechanisme van de vrije concurrentie zullen uitwassen onmogelijk maken.

Een van de eerste mensen die deze stroming beschreef en nastreefde was de Schotse moraalfilosoof Adam Smith (1723-1790).

 

Het sociaal liberalisme, ook wel progressief liberalisme of links liberalisme genoemd, gaat ervan uit dat de overheid wel een taak heeft in de bevordering van de vrijheid van de burger, dit in tegenstelling tot wat de klassieke liberalen voorstaan.

Het sociaal liberalisme kent naast zogenaamde ‘negatieve rechten’ bestaande uit natuurrechten, bijvoorbeeld ‘Je mag geen andere mensen doden’ en individuele rechten, zoals het recht op leven, ook zogeheten ‘positieve rechten’ die door mensen gemaakt zijn. Door positieve rechten kan de overheid actief ingrijpen in de economie en het leven van individuen.

Het sociaal liberalisme gaat ervan uit dat alle individuen een bepaalde mate van inkomen, scholing en gezondheid nodig hebben om in vrijheid te kunnen leven en dat de overheid hiervoor zorg moet dragen.

De klassieke en conservatieve liberalen zijn hier op tegen omdat het geld dat de overheid hieraan besteedt altijd afkomstig is van andere burgers, waardoor de vrijheid van het ene individu ten koste gaat van de vrijheid van een ander individu.

De sociaal liberalen zijn echter van mening dat positieve rechten nodig zijn om de negatieve rechten te waarborgen, zoals bijvoorbeeld het recht op leven.

In de democratie is er volgens de sociaal liberalen dan ook een rol weggelegd voor de overheid op het gebied van inkomstenverdeling.

Op dit punt verschillen sociaal liberalen van sociaaldemocraten niet van mening. Maar de sociaal liberalen gaan in hun opvattingen uit van het individu en gaan de sociaal democraten uit van de gemeenschap.

De politieke partij D66 kan gerekend worden tot het sociaal liberalisme.

 

Het conservatief liberalisme.

Conservatieve liberalen hangen in hun opvattingen tussen het economisch liberalisme het sociaal liberalisme. Ze vinden dat de overheid zich minimaal moet mengen in de economie en zichzelf moet toeleggen op de kerntaken van ordehandhaving en landsverdediging en zijn voor belastingverlaging en deregulering.

 

Conservatieve liberalen staan vaak sceptisch tegenover hervormingen en vinden historisch gegroeide tradities waardevol. Zo zijn ze vaak terughoudend ten opzichte van democratische vernieuwingen en het overdragen van soevereiniteit aan internationale organisaties, zoals aan de Europese Unie. Ook hechten conservatieve liberalen vaak aan het behoud van de eigen identiteit en cultuur, waaronder aan het behoud van de verworvenheden van het koningshuis.

 

Conservatieve liberalen zijn voorstanders van strenge immigratieregels en staan sceptisch tegenover multiculturalisme en zijn een ‘law and order’ partij die harde straffen voorstaat om misdaad te bestrijden. Ook zijn ze bereid ver te gaan om terrorisme te bestrijden.

 

Tot de conservatief liberalen kunnen worden gerekend de VVD, Volkspartij voor Vrijheid en Democratie, JA21 en de partij FD, Forum voor Democratie.

 

Het neoliberalisme.

Het neoliberalisme is een stroming binnen het liberalisme waarin de overheid de rol heeft van schepper en handhaver van markten en concurrentie, met de nadruk op het maximaliseren van winsten en de individuele vrijheid, het minimaliseren van kosten en op concurrentie tussen bedrijven en economische blokken.

Het neoliberalisme legt daarmee de nadruk op de marktwerking, vrijhandel en het terugdringen van de invloed van vakbonden, staatsbedrijven en andere collectieve voorzieningen, door bijvoorbeeld privatisering van staatsbedrijven en het minder ondersteunen van woningcorporaties.

Om economische vrijheid en concurrentie te garanderen moeten er maatregelen worden genomen tegen monopolieposities en kartelvorming.

Hieraan ligt de gedachten ten grondslag dat de vrije markt, door met elkaar te concurreren, de beste en goedkoopste producten en diensten kan leveren en dat, als de economie goed draait, dat ten goede komt aan de welvaart en het welzijn van iedereen doordat een goed draaiende economie veel arbeidsplaatsen creëert en dus inkomen van mensen.

 

Deze visie verschilt van de opvattingen van het klassieke liberalisme dat de overheid een minimale rol in het economische verkeer toedicht en van de ideeën van het sociaal liberalisme dat wil dat de overheid ervoor zorgt dat alle individuen een bepaalde mate van inkomen, scholing en gezondheid nodig hebben om in vrijheid te kunnen leven en daarom ongewenste gevolgen van de markeconomie moet voorkomen.

 

Het neoliberalisme heeft haar wortels in de jaren 30 van de vorige eeuw. Wie aan die crisis denkt, denkt aan armoede en massawerkloosheid. Na de instorting van de beurzen in 1929 raakte de wereldeconomie in een enorme recessie, met massawerkloosheid en grootschalige armoede tot gevolg. De groeiende maatschappelijke ongelijkheid dreef de maatschappelijke spanningen op de spits. In deze periode kwam het neoliberalisme op.

 

Die eerste neoliberalen geloofden dat de opkomst van de totalitaire staten in Europa alles te maken had met het groeiende overheidsingrijpen in de economie. Door sociale zekerheid en directe economische interventies van de staat was het marktmechanisme in Europa verregaand aan banden gelegd. De neoliberalen meenden dat de overheid hiermee te veel politieke en economische macht naar zich toe trok. Uiteindelijk zou een overheid die zich te veel met de economie bemoeide, alle macht naar zich toe trekken. Daarmee zouden individuele vrijheid en verantwoordelijkheid verdwijnen.

Volgens de neoliberalen kon alleen de markt deze samenballing van macht voorkomen omdat de markt tot concurrentie leidde en zou niemand alle macht naar zich toe kunnen trekken. Het neoliberalisme beloofde dus individuele vrijheid en verantwoordelijkheid door middel van marktwerking.

Maar alles simpelweg aan de markt overlaten, zoals klassieke liberalen voorstonden, was geen optie. Dan zouden na verloop van tijd monopolies en kartels ontstaan en was van concurrentie geen sprake meer. Dat liet de crisis van 1929 wel zien.

 

Het journalistieke platform ‘De Correspondent’ gaf in een artikel over neoliberalisme het volgende sprekend voorbeeld van het gevaar van monopolieposities:

 

Wie weleens Monopoly heeft gespeeld weet hoe vreselijk dat is. Binnen twintig minuten heeft Henk de Leidsestraat en de Kalverstraat en staat de uitkomst van het spel eigenlijk wel vast. En dan moet je nog de hele avond.

 

Wat weinig mensen weten, is dat het spel Monopoly in 1904 met precies die bedoeling is bedacht. Monopoly was een kritiek op het klassiek liberalisme, waarin de ‘onzichtbare hand van de markt’ zijn werk moet doen: laat de zorg, het onderwijs of het spoor aan de markt over en alles komt goed.

De Amerikaanse socialist Elizabeth Magie wilde de spelers van haar bordspel duidelijk maken dat markten, als ze aan hun lot worden overgelaten, binnen de kortste keren tot monopolies leiden die vrijwel niet meer kunnen worden beteugeld.

Dat deze visie juist is, bewijzen de huidige monopolies van bijvoorbeeld Google en Microsoft.

 

Neoliberalen deelden deze kritiek. De neoliberaal Friedrich Hayek schreef al in 1944:

 

‘Waarschijnlijk heeft niets de liberale zaak meer schade toegebracht dan de hardnekkige koppigheid waarmee sommige liberalen vasthouden aan het principe van laissez-faire’. 

 

Hoe zou een potje neoliberaal Monopoly eruit zien?

Het zou een eindeloze avond worden. Wie te veel straten bezit, krijgt de mededingingsautoriteiten achter zich aan en levert ze gedwongen weer in. Wie de Houtstraat en Zijlweg heeft, mag niet ook de Barteljorisstraat kopen. Waterleiding- en Elektriciteitsbedrijf zouden nooit één kaartje mogen zijn, maar versnipperd moeten worden om onder alle spelers verdeeld te worden.

 

Bron: https://decorrespondent.nl/10426/neoliberalisme-is-de-schuld-van-alles-toch/ec131f35-5395-0f72-0a6f-1951e9912121

 

Het neoliberalisme ontstond dus niet, zoals vaak wordt beweerd als ‘logische’ reactie op een uitdijende, onbetaalbare verzorgingsstaat, maar als antwoord op het opkomende fascisme van de jaren dertig. In die jaren hadden politici en beleidsmakers nog geen zorgen over de logge, dure en bureaucratische verzorgingsstaat die Thatcher en Reagan later zo graag bekritiseerden.

 

Na de tweede wereldoorlog verdween het neoliberalisme omdat het gezien werd als de oorzaak van de crisis van de jaren dertig die tot massawerkloosheid, het fascisme en de Tweede Wereldoorlog had geleid.

Al tijdens de Tweede Wereldoorlog had de commissie Van Rhijn in opdracht van de regering in ballingschap een rapport opgesteld over de crisis en de opkomst van de NSB, met als conclusie dat deze laatste aan de economische onzekerheid te wijten was geweest, en dat een stelsel van sociale zekerheid moest worden opgetuigd om totalitaire tendensen voortaan de wind uit de zeilen te nemen.

Dit advies werd ter harte genomen door de sociaaldemocraten die zich na de oorlog verenigden in de PvdA, en door de KVP- fractie binnen de christendemocratie, de Katholieke Volkspartij. De Nederlandse economie werd een gemengde economie waarin zowel openbare als private ondernemingen een rol spelen, met verregaande overheidssturing door het Centraal Planbureau.

 

Hiertegen begon zich echter een neoliberaal netwerk te vormen dat ondanks alle kritiek op het neoliberalisme nog leefde in allerlei neoliberale kringen en het neoliberale bedrijfsleven die hun ideeën aan de man trachten te brengen binnen bestaande politieke partijen en in de ideeënwereld van de gewone mensen en onder andere vorm kregen binnen PvdV, de Partij voor de Vrijheid, de voorganger van de VVD, de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie.

 

Een laatste poging om de neoliberale tendens te keren kwam van de leider van de PvdA, Joop den Uyl, in de vorm van het PvdA programma ‘De weg naar vrijheid’, waarin het doel van de bevrijding van de arbeidsklasse werd verbreed naar het streven om de maatschappij, zoals die was geworden onder het juk van het kapitalisme, te laten groeien naar een gemeenschap van vrije mensen.

De vrijheid waar het hier om gaat, kent volgens de PvdA zowel positieve als negatieve elementen. Negatieve vrijheid betreft die factoren die de mens belemmeren in zijn mogelijkheden het eigen leven gestalte te geven; bij positieve vrijheid gaat het om de gerichtheid op ontplooiing, iets wat slechts in en door de gemeenschap verzekerd kan worden.

 

‘Uiteindelijk is alle arbeid op staatkundig, sociaal en economisch gebied een middel tot de vorming van vrije mensen.’

Dit leidde tot polarisatie tussen de liberalen en socialisten die tijdelijk gewonnen werd door de socialisten die succesvoller bleken te zijn om de christendemocraten aan hun kant te krijgen.

Onder de opvolger van Den Uyl, Wim Kok, zou de PvdA de visie van Den Uyl loslaten en aansturen op een promarktkoers die ‘de Derde Weg’ ging heten en een nieuw evenwicht zocht tussen de liberale markteconomie en de verzorgingsstaat.

 

Doordat de PvdA een gematigd standpunt ging innemen kregen de neoliberale krachten de kans om meer invloed te krijgen wat resulteerde in 4 kabinetten onder leiding van VVD-premier Rutte.

 

Ook in de andere westerse landen heeft, met allerlei nuances, eenzelfde verschuiving van de politieke machten plaatsgevonden.

 

*


Hierboven is het neoliberalisme gedefinieerd als een stroming binnen het liberalisme waarin de overheid de rol heeft van schepper en handhaver van markten en concurrentie met de nadruk op het maximaliseren van individuele vrijheid.

Maar hoe pakt het neoliberalisme in de praktijk uit?

 

We kunnen constateren dat onder VVD-leiding de overheid een neoliberaal bewind heeft gevoerd dat de markt niet alleen op haar beloop laat, maar ook aanjaagt door bijvoorbeeld het bieden van een goed vestigingsklimaat voor bedrijven middels belasting- en ander financiële voordelen en het bieden van een thuishaven voor brievenbusfirma’s. Hierdoor is Nederland een van de grootste vrijplaatsen geworden voor belastingontduiking.

 

Streven naar groei van de economie voert de boventoon omdat de filosofie van het neoliberalisme gericht is op ongebreidelde economische groei, de vrijheid van handelen en op de groei van de winsten van ondernemingen met als motivering dat als het ondernemingen goed gaat, dit ten goede komt aan iedereen.

Dit laatste wordt al lange tijd ontkracht door het feit dat ondernemingen om winst te maken voornamelijk sturen op kostenbesparing door de productie naar lagelonenlanden te verplaatsen, goedkope arbeidskrachten en onderaannemers aan te trekken en tegen elkaar uit te spelen en arme landen uit te buiten door daar grondstoffen te kopen of uit de grond te halen zonder daarvoor een redelijke prijs te betalen.

Door deze manier van handelen stijgen de winsten en krijgen de mensen die hiervoor de arbeid verrichten in verhouding een te laag loon en wordt de kloof tussen rijk en arm steeds groter.

Mensen die geld hebben hoeven geen arbeid te verrichten maar alleen hun geld in bedrijven te beleggen die door goedkope arbeid en belastingtrucjes veel winst maken waardoor hun geld steeds meer waard wordt.

 

Door de kostenbesparende uitbestedingspolitiek van arbeid is de productie over de hele wereld verspreid en is niet alleen het transport duur en vervuilend en het logistieke netwerk om al die producten tijdig op de juiste plaats te krijgen ingewikkeld en kwetsbaar, maar zijn ook de assemblageprocessen ingewikkeld, duur en is de economie als geheel kwetsbaar door politieke instabiliteit en conflicten.

 

Omdat binnen het neoliberalisme winst en economische groei en dus rijkdom als belangrijke doelen worden gezien en status geven, zoeken mensen allerlei mogelijkheden om deze status te bereiken waarbij doorgaans niet de persoonlijke ontplooiing en het algemeen nut voorop staan. Er wordt gezocht naar beroepen en niches in de markt om veel geld te verdienen. Hierdoor komen er steeds meer producten en diensten op de markt waar niemand om heeft gevraagd, die geen enkele bijdrage leveren aan ons welzijn en die alleen maar het consumptiegebruik aanwakkeren.

Verder hebben producten een steeds kortere levensduur en worden ze met kleine aanpassingen van de techniek en vormgeving met steeds kortere tussenposen op de markt gebracht om de productie en dus de winst op peil te houden.

 

Door het ongecontroleerd aanwakkeren van de consumptie moeten mensen steeds harder werken en meer verdienen om aan de normstandaard van welvaart te voldoen.

Het streven naar status, gekoppeld aan geld, heeft tot gevolg dat mensen onderling gaan concurreren, wat leidt tot afbrokkeling van het samenhorigheidsgevoel met alle ernstige persoonlijke en maatschappelijke gevolgen vandien. Zo stijgen de psychische klachten onder jongeren al jaren onder de druk om te moeten presteren en neemt ook het aantal burnoutklachten schrikbarend toe.

 

Door het aanwakkeren van de consumptie op alle gebieden van onze samenleving, zoals kleding, elektronica, sociale media, streamingsdiensten, horeca, festivals, theaters, films en toerisme is er een ongekend hoog consumptieaanbod. Het hoort bij de huidige status- en succescultuur dat we op zoveel mogelijk consumptiegebieden actief zijn. Er wordt dan ook niet meer gevraagd of we een leuk weekend of vakantie hebben gehad, maar wat we allemaal hebben gedaan en meegemaakt en hoe vaak en hoever we op vakantie zijn geweest. Dit leidt tot de verslaving die bekend staat onder ‘Fear of Missing Out’.

Dit ‘missinggevoel’ heeft onder andere te maken met de explosieve groei van het gebruik van sociale media, waardoor we altijd en overal kunnen zien wat onze vrienden, kennissen, familieleden en tijdgenoten aan het doen zijn of hebben: feestjes, diploma-uitreikingen, succesvolle banen, uitstapjes, vakanties, enzovoort, enzovoort. En omdat we de hele dag en overal onze smartphone standby hebben, ontgaat ons niets. Als gevolg van de beelden die hierdoor voortdurend op ons afkomen, zijn er mensen die van het ene feestje naar het andere gaan, geen festival of andere dingen die ‘leuk’ en ‘in’ zijn willen missen en ontevreden zijn over zichzelf, omdat ze wat betreft hun uiterlijk, carrière en activiteiten niet voldoen aan wat ze allemaal zien op de sociale media.

 

Verder zijn steeds meer mensen zodanig gericht op of gewend aan een bepaald consumptiepatroon dat ze niet een baan kiezen of hebben die past bij hun persoonlijke aspiraties, maar een baan waarmee zo zoveel geld kunnen verdienen dat ze een bepaald consumptiepatroon kunnen verwerven of behouden. Dit leidt uiteindelijk tot onbevredigend werk met alle persoonlijke en maatschappelijke gevolgen van dien.

Een geld- en consumptie gerichte economie bevordert niet de vrijheid zoals wordt voorgestaan door het liberalisme, integendeel, ze maakt mensen tot slaven van het op winst gericht consumptiesysteem.

 

Door de geniepig aangejaagde en op winst gerichte groei van de consumptie zijn er steeds meer grondstoffen nodig die voor het grootste gedeelte niet onbeperkt voorradig zijn en vaak onder slechte arbeidsomstandigheden worden gewonnen in ontwikkelingslanden die er zelf maar weinig profijt van hebben. Als alle mensen op deze aarde zouden leven zoals de gemiddelde Nederlander, zouden we 3,5 aarde nodig hebben om in die behoeften te voorzien.

 

Het neoliberalisme had mede als doel monopolievorming te voorkomen omdat die concurrentie ondermijnt. We moeten constateren dat dat niet is gelukt. Door fusies zijn er steeds meer grote multinationals ontstaan die naar believen een thuishaven zoeken die voor hen belastingtechnisch het beste uitpakt en die een enorme politieke macht hebben omdat ze niet alleen een uiterst belangrijke rol spelen in de economie maar ook in de politiek die de zorg voor welvaart tot haar hoogste doel heeft verheven en vergeet dat welzijn meer is dan alleen maar welvaart.

Onder monopolievorming vallen ook de samenwerkende olieproducerende landen die de oliemarkt beheersen en door het bepalen van de productiecapaciteit de economie en politiek in hun macht hebben.

 

Naast multinationals die enorme veel geld besteden aan het bewerken van de politiek om hun eigen belangen veilig te stellen met als chantagemiddel ‘werkgelegenheid’, zien we techbedrijven als Google en Microsoft die een bijna oncontroleerbare macht hebben op het terrein van de sociale media, mensen verslaaft maken aan hun verdienmodel en ruimte geven aan misinformatie en bedreigingen, wat de samenhang in de samenleving ondermijnt. Is dat de vrijheid die het liberalisme nastreeft?

 

Ook is er een enorm netwerk ontstaan van handelaren en tussenpersonen die geen enkele waarde toevoegen aan producten maar enorme winsten maken door spullen zo goedkoop mogelijk in te kopen, vaak door afpersing, om ze vervolgens met veel winst weer door te verkopen. Ruwe olie verwisselt vaak wel 2 tot 3 maal van eigenaar tijdens het transport naar de uiteindelijke bestemming. In de haven van Antwerpen ligt de grootste voorraad koffie van de wereld als speculatiewaar van beleggers. Door weinig koffie op de markt te brengen, ontstaat er schaarste en bij schaarste kunnen hoge prijzen worden gevraagd. Hetzelfde geldt voor de meeste grondstoffen en basisproducten. Door deze handelswijzen worden producten voor de consument onnodig duur.

 

En dan hebben we nog de enorme groep van investeerders en beleggers die invloed uitoefen op ons economisch reilen en zeilen.

Investeerders zijn personen, bedrijven, overheden en instellingen die geld investeren in ondernemers of in ideeën van ondernemers die ze als kansrijk zien in economisch of maatschappelijke opzicht.

Naast een winstdoel kan er bij investeringen dus het doel zijn om een project te laten slagen of een onderneming te laten groeien.

Een belegging is een vorm van investering waarbij geld wordt vastgelegd voor langere of kortere termijn in bijvoorbeeld aandelen, obligaties, beleggingsfondsen, opties, vastgoed, goud en kunst, met als doel om in de toekomst financieel voordeel te halen.

 

Investeringen en beleggingen zijn beide risicovol omdat het rendement afhangt van het slagen van het project of van de economische prestatie van de onderneming en van de inflatie.

 

Bij investeringen en beleggingen is het mogelijk om het project of de onderneming waarin wordt geïnverteerd te kiezen. Investeerders en beleggers kunnen dus invloed uitoefenen op welke ondernemingen een rol spelen in de economie.

Investeerders die investeren in aandelen hebben niet alleen invloed waarin ze investeren maar, afhankelijk van de grote van de investeringen, ook op het beleid van de onderneming waarin ze investeren via bijvoorbeeld aandeelhoudersvergaderingen.

Ook kan er in sommige gevallen invloed worden uitgeoefend op waarin beleggende partijen beleggen. Zo werd het pensioenfonds ABP onlangs middels de deelnemersvertegenwoordigers gedwongen hun belegging in fossiele brandstoffen af te bouwen.

 

Ook sparen is een vorm van beleggen omdat, als we willen dat banken spaarrente uitbetalen, ze het spaargeld moeten beleggen of uitlenen tegen een vergoeding. Ook bij sparen kunnen we in bepaalde mate bepalen waarin het spaargeld door de bank wordt belegd of geïnvesteerd en wel door te kijken naar de doelstellingen van de bank. Er zijn banken die voornamelijk commercieel gericht zijn en banken die daarnaast maatschappelijke doelstellingen nastreven, zoals bijvoorbeeld het verbeteren van het milieu, zoals dat bijvoorbeeld het geval is bij de ASN- en Triodosbank.

 

Omdat het gros van de investeringen wordt gedaan uit winstoogmerk, zal echter door investeerders doorgaans vooral worden aangedrongen op het maken van zoveel mogelijk winst van de onderneming waarin geïnvesteerd is en zal er doorgaans weinig of geen aandacht zijn voor de maatschappelijke aspecten, zoals bijvoorbeeld werkgelegenheid, redelijke salarissen, werkomstandigheden en sociale voorzieningen voor werknemers en de invloed van de ondernemingsprocessen op het milieu.

Een voorbeeld. Tijdens de recente financiële crisis was het aantal faillissementen in Duitsland lager en werden er relatief minder werknemers ontslagen dan in andere Europese landen doordat in Duitsland het aantal familiebedrijven groter is en familiebedrijven zich meer betrokken voelen bij hun werknemers, ze daarom minder snel hun personeel ontslaan en bereid zijn hiervoor een deel van hun winst of tijdelijke de hele winst in te leveren.

Neoliberale investeringen worden gedaan om winst te maken en als dat niet meer het geval is, worden ze met het grootste gemak weer ingetrokken en verplaatst naar nieuwe winstvelden.


Hoe grillig er wordt omgegaan met investeringen blijkt onder andere uit investeringen in de woonsector. Toen de rente heel laag stond gingen mensen beleggen in woningen. Door het tekort aan woningen konden ze niet alleen hoge huren vragen maar steeg ook de waarde van het onroerend goed voortdurend. Nu de regering maatregelen neemt tegen woekerhuren, wordt het vastgoed massaal weer afgestoten met als reden ‘dat er niets meer mee te verdienen valt’.

Woningen, het hebben van een dak boven ons hoofd is een primaire levensbehoefte. Het neoliberalisme gaat daar schandalig mee om, ook omdat de liberale getinte regeringen het de woningbouwverenigingen, die zorg moeten dragen voor goedkope huurwoningen, moeilijk heeft gemaakt om te investeren in nieuwe woningen door het invoeren van de huurbelasting. De belastingen die corporaties moeten betalen zijn inmiddels zo hoog opgelopen dat het beheer van een sociale huurwoning in 2020 gemiddeld meer heeft gekost dan het aan huur heeft opgeleverd. Gelukkig is deze huurbelasting recent ingetrokken

 

Directeuren van beursgenoteerde ondernemingen worden doorgaans beloond naar ratio van de winstcijfers en de daaraan gekoppelde dividenduitkering aan de investeerders, wat hen min of meer dwingt te sturen op winstmaximalisering, wat doorgaans ten kosten gaat van de menselijke en maatschappelijke belangen, van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid.

 

Het geen aandacht geven aan deze belangen wordt versterkt doordat investeerders doorgaans geen enkel direct contact hebben met de ondernemingen, hun werknemers en de dagelijkse bedrijfsvoering, waardoor ze geen voeling hebben met aspecten die van belang zijn voor het welzijn van mensen en de maatschappij.

 

Door de gerichtheid van het neoliberalisme op winst is geld in de hele maatschappij een hoofdrol gaan spelen en geen ondersteunende rol zoals dat eigenlijk  het geval zou moeten zijn. Geld is een middel om doelen te bereiken en zou zo min mogelijk een doel op zich mogen zijn.

En toch speelt geld ook in maatschappelijke voorzieningen als het onderwijs en de gezondheidszorg een steeds grotere sturende rol.

Zo wordt binnen het hoger- en wetenschappelijk onderwijs de hoogte van de financiering bepaald door het aantal studenten. De volledige financiering per student wordt uitgekeerd als een student binnen 4,5 jaar afstudeert. Elke student die niet afstudeert of er langer overdoet dan 4,5 jaar veroorzaakt een korting op de financiering. Dus hebben onderwijsinstellingen belang bij groei en het zo snel mogelijk laten afstuderen van studenten, wat negatieve gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het onderwijs. Overvolle collegezalen, overbelaste docenten, massaliteit, minder aandacht voor de individuele student en de neiging ook studenten die niet helemaal voldoen aan de examennormen toch te laten slagen. Ook bij het massaal aantrekken, toelaten en faciliteren van buitenlandse studenten speelt geld een belangrijke rol.

 

Dit geldt ook voor de gezondheidszorg. De betaling per behandeling verleidt mensen tot kwantitatief handelen dat doorgaans ten koste gaat van de kwaliteit. Zo wordt een huisarts per consult van een bepaald aantal minuten betaald. Overschrijdt hij dat aantal minuten dan krijgt hij die niet betaald. Dit kan een prikkel zijn om zoveel mogelijk patiënten in zo kort mogelijke tijd te ‘behandelen’, wat doorgaans altijd ten koste gaat van de kwaliteit. Hetzelfde geldt voor medisch specialisten.

 

Ook bij sport zien we een ongeremde groei van de factor geld en zijn een groot aantal sporten een verdienmodel geworden van investeerders, zoals dat is te zien in bijvoorbeeld de voetbalsport en het wielrennen, waarin sponsors en investeerders achter de schermen de baas spelen. Om te winnen en dus geld te verdienen, wordt geconcurreerd op de spelersmarkt om de beste spelers te krijgen en worden er miljoenen aan transfersommen en salarissen betaald die zelfs excessief betaalde CEO’s van grote multinationals niet betaald krijgen. Al dit geld is niet beschikbaar voor andere, betere doelen.

 

De nadruk op het streven naar winst om daar de economie mee aan te jagen heeft ook tot gevolg dat de belasting op arbeid in de lage schaal 37% en de hoge schaal 50% bedraagt, terwijl de belasting op vermogen maar 32% bedraagt, terwijl inkomen uit arbeid gezien moet worden als middel om gewoon een fatsoenlijk leven te kunnen leiden en vermogen als middel om extra dingen te doen.

Neoliberalisme, zo zeggen ook stemmen binnen het IMF, het Internationaal Monetair Fonds, heeft kwalijke gevolgen: het levert niet de economische groei die het belooft, terwijl het wel meetbare inkomstenongelijkheid veroorzaakt.

 

Voorstanders van het kapitalisme beweren vaak dat het kapitalisme en de industriële revolutie al vanaf het begin welvaart hebben gebracht voor arm en rijk. Ten tijde van het hoogkapitalisme in de jaren 1750-1914 was daar echter totaal geen sprake van en droeg de enorme armoede onder de arbeiders bij aan het ontstaan van het socialisme en communisme waardoor in latere tijden enigszins de rem werd gezet op de ergste uitwassen van het kapitalisme.

Uit onderzoek blijkt dat het eerlijker is om te zeggen dat het kapitalisme voor zowel rijken en als armen grotere welvaart heeft gebracht maar ook een grotere ongelijkheid tussen de kapitalistische westerse wereld en de overige landen.

 

En wij als consumenten? Wij laten ons meeslepen door handige ondernemers die geld willen verdienen door alsmaar nieuwe producten en diensten aan te bieden waarvan een groot deel nauwelijks of geen bijdrage levert aan ons welzijn of dat zelfs negatief beïnvloedt, producten die niet lang meegaat, als vernieuwend worden aangeprezen door een nieuwe techniek of design en vervaardigd op een mens- en milieuonvriendelijke manier en vaak regiems ondersteunen die zeer bedenkelijke democratische waarden hanteren.

Worden wij door al die spullen echt gelukkiger? Nee, alleen maar hebberiger, omdat we hetzelfde willen hebben en uitstralen als onze buren of vrienden en we niet in de gaten hebben dat we in de val van de verslaving zijn gelopen die is opgezet door inhalige, op winst beluste mensen en bedrijven die geen boodschap hebben aan wat ons echt gelukkig maakt.

De gevolgen hiervan zijn grootschalig en bedreigend.

Het huidige kapitalistisch systeem wordt breed ondersteund door regeringen die de primitieve hebzucht van ondernemingen, beleggers en handelaren tolereren en hun burgers niet beschermen tegen hun manipulatieve verleidingen die leiden tot consumptieverslaving, vervuiling van water, grond en lucht, uitputting van grondstoffen, monoculturen die ecosystemen vernietigen, uitbuiting van mensen en landen en tot ongelijkheid tussen mensen en volken met de onmenselijke gevolgen van oorlogen en vluchtelingenstromen.

Van mensen mag je verwachten dat ze mensvriendelijk zijn, wat wil zeggen betrokken bij elkaar, bij de mensheid en aarde als een samenhangend geheel. Daarbij hoort geen hebzucht en uitbuiting maar fatsoen, waarvan Isabel Allende zegt:

 

‘Zonder fatsoen is er niets meer van je over, zonder fatsoen verlies je je menselijkheid, je ziel’.

 

Er zitten duidelijke systeemfouten in onze kapitalistische economie. Maar onze economie hebben we zelf vormgegeven. Wij hebben zelf dit onverzadigbare monster gecreëerd. En dat monster maakt slachtoffers, veroorzaakt persoonlijke en maatschappelijke crisissen.

Aan een aantal van die crisissen wordt in het volgende hoofdstuk aandacht besteed.


4. Over crisissen.

 

De essentie van leven is groei en ontwikkeling. Komen deze tot stilstand dan ontstaat een crisis. En als die niet tijdig wordt opgelost, gaat het steeds verder bergafwaarts en komt uiteindelijk de ondergang in zicht.

Deze processen zien we zowel in de natuur, in ons eigen fysieke en psychische bestaan als in de ontwikkeling van de maatschappij.

Groei en ontwikkeling verlopen niet in een rechte lijn omhoog, maar worden gekenmerkt door een afwisseling van periodes van stabiliteit en dynamiek en verloopt via periodes van rust en verandering naar een steeds hoger niveau van leven zoals we dat zien bij de groeistuipjes van kinderen en de explosie van groei en bloei in de lente. Een kind groeit tijdens elk groeistuipje steeds een beetje en een boom krijgt in de lente bladeren en bloemen en wordt elke lente en zomer een beetje dikker en hoger. In de winter staat de groei stil en verzamelt de boom energie voor de volgende groeistuip.

 

Groei impliceert dus voortdurend veranderen. Op een gegeven moment wordt een baan saai omdat we het gevoel hebben dat we in een sleur terecht zijn gekomen, dat er geen uitdagingen meer in liggen, dat we er niet meer door en aan groeien.

Hetzelfde kan gelden voor relaties en de invulling van ons dagelijks leven. En dan komen we in een crisis, want, zoals al eerder gezegd, leven houdt in dat we willen groeien en ons ontwikkelen.

 

Dit proces zagen we in hoofdstuk 2 in de opvattingen van de filosofen Hegel en Karl Marx die de ontwikkeling van onszelf en de maatschappij zagen als het resultaat van een voortdurende opeenvolging van nieuwe inzichten, waarbij bestaande inzichten botsen met nieuwe ervaringen en inzichten. We leren door de ervaring dat bepaalde situaties niet meer goed functioneren, ons niet verder helpen en door dan stappen te ondernemen om een situatie te creëren waarin dat wel het geval is.

 

Groei en ontwikkeling vereisen dus niet alleen het serieus nemen van onvrede en negatieve situaties, maar ook actie om situaties te veranderen.

Het serieus nemen van negatieve situaties vereist dat we ze herkennen en erkennen, dus vereist bewustzijn: op enige afstand naar onszelf en de omstandigheden kunnen kijken en daar een oordeel over hebben en die  kunnen uitspreken voor onszelf en anderen.

Het veranderen van situaties vereist creativiteit, inspanning en volharding.

Om al deze vaardigheden aan te leren, om ons vaardig te maken om echt te leven, om te groeien als persoon en maatschappij, is het nodig dat onze opvoeders ons leren om kritisch naar onszelf en onze omgeving te kijken, dat we leren creatief te zijn, oplossingen te zoeken voor problemen, goed om te gaan met tegenslagen en crisissen en deze te overwinnen met inzet en doorzettingsvermogen, eigenschappen die onder het begrip discipline vallen. Dit gezegd hebbend, is het zinnig en noodzakelijk om eens kritisch te kijken naar wat onze opvoedingsdoelstellingen in de huidige tijd zijn.

 

De vraag is waar we als persoon en maatschappij naartoe willen groeien. Alles dat leeft heeft een specifiek groeidoel, zowel een tulp, een boom, een schaap, vlinder als ieder mens. Een tulp kan geen boom worden, een schaap geen mens en een mens niet een ander mens.

Alles en iedereen heeft een eigen identiteit ofwel specifieke persoonlijke kenmerken die ieders persoonlijkheid vormen. En die persoonlijke kenmerken zijn het resultaat van onder meer afkomst, geslacht, seksuele oriëntatie, de normen en waarden van cultuur waarin we leven en van ervaringen, verworvenheden en sociale banden.

Dit houdt in dat wie we zijn voor een groot deel wordt bepaald door omgevingsfactoren.

Het is dan ook onzinnig om te denken dat we echt vrij zijn, dat we makkelijk in staat zijn een autonoom leven te leiden, onafhankelijk en zelfstandig te handelen en onze eigen keuzes te maken.

Niet alleen als persoonlijkheid staan we niet los van onze omgeving, van anderen en de maatschappij, maar ook zijn we in onze groei en ontwikkeling afhankelijk van de maatschappij. We leren namelijk onszelf kennen en groeien door de confrontatie met de maatschappij en de spiegel die ze ons voortdurend voorhoudt.

We leren niet alleen aan en door de maatschappij maar maken er als individu ook deel vanuit. Samen met andere individuen vormen we de maatschappij en onze manier van denken en doen heeft dus invloed op het functioneren ervan. We zijn als een radertje in een grote klok, waarvan ieder onderdeel van groot belang is voor het goed functioneren ervan.

 

Dit geconstateerd hebbend, worden we geconfronteerd met een van de grootste levensdilemma’s namelijk enerzijds de essentie van het leven om als persoonlijkheid, als specifiek individu, als persoonlijkheid te groeien en ons te ontwikkelen, en anderzijds te groeien als sociaal wezen dat mede bepaald wordt door de maatschappij, er in zijn groei afhankelijk van is en in de maatschappij zijn eigen verantwoordelijke plaats moet leren innemen.

Autonomie, onafhankelijk zijn en zelfstandig te werk gaan en eigen keuzes maken, en verbondenheid lopen dan ook in elkaar over. Ik denk na over mezelf in verhouding en verbondenheid met anderen. Zonder verbondenheid met anderen is er geen ‘mijzelf’, aldus Paul Verhaeghe op het einde van zijn boek ‘Onbehagen’.

En als we verbonden zijn met elkaar, houden we in ons denken en handelen rekening met elkaar, bestaat goed of slecht denken en handelen altijd in relatie tot wat goed of nadelig is voor onszelf én voor onze omgeving.

 

Als we praten over de maatschappij, dan praten we dus niet over iets wat buiten ons bestaat, maar een maatschappij waarvan wij deel uitmaken en die deel van ons uitmaakt, waar we hecht mee zijn verbonden in ons doen en laten, ons denken en handelen.

 

En die maatschappij is ziek, in crisis, zoals we in het vorige hoofdstuk hebben gezien. Ze is besmet met het kapitalismevirus dat mensen hebzuchtig maakt, met elkaar in concurrentie brengt, welvaart doet nastreven in plaats van welzijn, mensen niet stimuleert om te streven naar wat er diep in henzelf aan capaciteiten en dromen ligt en vraagt om ontwikkeld te worden, maar naar het nepgeluk van rijkdom en status. En dit alles vervreemdt ons van onszelf en van elkaar, omdat we als individu niet meer leven vanuit onze diepe innerlijke kracht van groei en ontwikkeling en als sociaal wezen niet meer vanuit de basisbehoeften aan verbondenheid.

Hierdoor zijn we vervreemd van onze natuurlijke groei- en ontwikkelingspotenties. En als we niet meer groeien vanuit de essentie van wat we zijn, ontstaat er, zoals we aan het begin van dit hoofdstuk zagen, een crisis die zich uit in maatschappelijke crisissen en persoonlijke fysieke en psychische klachten.

 

De maatschappelijke crisissen worden onder andere zichtbaar in de klimaatcrisis, de grondstoffencrisis, de vervuiling van lucht, grond en water, de ongelijke verdeling van de welvaart, de vluchtelingencrisis, de groeiende tegenstellingen tussen machtsblokken, landen en religieuze stromingen, de verharding van politieke standpunten, de afbrokkeling van gemeenschapszin, enzovoort.

 

De ongelijke verdeling van welvaart als gevolg van het kapitalisme is ook mede de veroorzaker van andere bovengenoemde crisissen, zoals de enorme vluchtelingencrisis, die onder andere veroorzaakt wordt doordat landen nog steeds op een koloniale manier worden uitgebuit, onvoldoende betaald krijgen voor bijvoorbeeld hun grondstoffen, ze niet ondersteund worden in het oplossen van hun klimaatproblemen die door de rijke landen zijn veroorzaakt en er onvoldoende door rijke landen wordt geïnvesteerd om hen na jarenlange kolonisatie in staat te stellen een eigen economie op te bouwen.

Binnen het kapitalisme ontbreekt de solidariteit om er voor te zorgen dat elk land een zekere mate van welvaart kan opbouwen.

In onderzoeken is eveneens bewezen dat de grote welvaartsongelijkheid in de wereld aan de basis ligt van veel fysieke en psychische klachten en ziektes en van kleine en grote oorlogen.

 

We moeten constateren dat wereldwijde rijkdom steeds meer geconcentreerd wordt in handen van een kleine rijke elite. Deze rijke individuen hebben hun enorme bezittingen vergaard en vastgehouden door belangen en activiteiten in enkele belangrijke economische sectoren, waaronder financiën, farmacie/gezondheidszorg en vastgoed. Bedrijven uit deze sectoren geven jaarlijks miljoenen dollars uit aan lobbyactiviteiten om beleidskaders te scheppen die hun belangen versterken.

 

Uit het Oxfam-rapport 'Survival of the Richest' blijkt dat tussen december 2019 en december 2021 $ 26 biljoen (63%) van alle nieuw gecreëerd vermogen door de rijkste 1% is opgestreken.

Slechts $ 4 biljoen (10%) nieuw vermogen kwam bij de onderste 90 procent van de wereldbevolking terecht.

Tegenover iedere $ 1,7 miljoen die een miljardair vergaarde, stond maar $ 1 voor 90% van de wereldbevolking. In de afgelopen 10 jaar is het vermogen en het aantal miljardairs verdubbeld.

 

Ondertussen slagen overheden er maar niet in deze vermogens eerlijker te belasten. Wereldwijd is nu slechts vier cent van elke belastingdollar afkomstig van belastingen op vermogen.

Rijkdom geeft macht en invloed en zo slagen de grootste bedrijven en de rijksten erin belastingregels naar hun hand te zetten.

Uit het bovengenoemde rapport blijkt dat in de afgelopen veertig jaar regeringen in Afrika, Azië, Europa en Amerika de tarieven van de inkomstenbelasting voor de rijksten verlaagden. Ook de belasting op winst werd verlaagd en multinationals en rijke individuen kregen - mede door belastingparadijzen als Nederland - ruim baan om belasting te ontwijken en vermogens te verhullen.

Tegelijkertijd gingen de belastingen voor goederen en diensten omhoog. Dit drukt onevenredig zwaar op het inkomen van de armste mensen en zet vrouwen en andere gemarginaliseerde groepen verder op achterstand. Ook wakkert de excessieve consumptie van de superrijken de klimaatcrisis verder aan.

Te lang hebben overheden, internationale instellingen en multinationals beweert dat lage belastingen en hoge winsten uiteindelijk iedereen ten goede komen.

Oxfam Novib roept dan ook op tot een serieus debat over de schadelijkheid van extreme rijkdom.

 

De rijkste 0,5 procent van wereldbevolking bezit 38,5% van het totale wereldwijde vermogen. Samen beschikken ze over 89 biljoen dollar, dit is ruim 64 biljoen euro. De rijkste 1 procent heeft hun deel van de wereldrijkdom zien stijgen tot meer dan 50 procent. Van de resterende 50 procent is bijna de helft in handen van de rijkste 20 procent van de wereldbevolking. De overige 80 procent van de wereldbevolking moet 5,5 procent van de rijkdom onderling verdelen.

Winnie Byanyima, directeur van Oxfam International stelt:

 

 ‘De armen worden twee keer gepakt door de toenemende ongelijkheid. Ze krijgen een kleiner deel van de economische taart en omdat extreme ongelijkheid groei belemmert, is er ook nog eens minder taart beschikbaar.’

 

Armoede is een grote vijand van het menselijk geluk. Zij vernietigt de vrijheid en maakt het uitoefenen van sommige deugden onmogelijk, en van andere zeer moeilijk, aldus Samuel Johnson, Engels schrijver die leefde van 1709 tot 1784.

 

Ook in Nederland zien we een ongelijke verdeling van de welvaart. Uit onderzoek blijkt dat 10 procent van de rijkste Nederlanders 61 procent van het vermogen, exclusief pensioen, bezit en dat de top van 1 procent van de rijkste zelfs een kwart van het totale vermogen bezit.

De meeste Nederlanders verkrijgen hun inkomen vooral uit arbeid, maar dat de rijkste 1 procent haalt het vooral uit bedrijven, tweede huizen en beleggingen.

Dit bewijst de onrechtvaardigheid van het hoger belasten van arbeid ten opzichte van de belasting op vermogen. Wie minder heeft, betaalt een relatief groter deel van zijn inkomen aan belastingen.

 

De persoonlijke crisissen tengevolge de vervreemding van onze natuurlijke groei- en ontwikkelingspotenties worden zichtbaar in de enorme toenamen van fysieke en psychische klachten van mensen in het algemeen en van jongeren in het bijzonder, omdat deze het gevoeligst zijn voor de omgeving en daar in hun groei en ontwikkeling extra door worden beinvloedt omdat ze nog geen echte identiteit hebben, nog geen duidelijk zelfbeeld waar vanuit ze zich in de maatschappij kunnen bewegen.

 

De jeugdzorg en GGZ zijn dan ook overbelast en het aantal zelfmoorden is schrikbarend hoog.

Nederland kende op 1 januari 2021 749.000 jongeren in de categorie 8 t/m 11-jarigen. Van hen kreeg 19 procent jeugdhulp. In de leeftijdscategorie 12 t/m 17-jarigen was dat ruim 15%.

 

In maart 2023 gaf 14,1% van de jongeren tussen 12-25 jaar aan dat ze er weleens, vaker of heel vaak serieus aan dachten om een eind aan hun leven te maken. Eind 2021 gold dit nog voor 8,5%.

Bij jongeren onder de 30 jaar is zelfdoding de meest voorkomende doodsoorzaak.

Van alle tieners die in 2022 overleden, overleed 1 op de 5 aan zelfdoding. Dat is vaker dan aan verkeersongevallen of kanker.

Ook bij twintigers was zelfdoding de belangrijkste doodsoorzaak, en ging het bij 1 op de 3 sterfgevallen om zelfdoding. 

Wat betreft zelfdoding in het algemeen, zien huisartsen 24% meer contacten rondom zelfdoding dan voor de coronapandemie. In 2022 bedroeg het aantal zelfdodingen bijna 2000. Het aantal zelfmoordpogingen wordt geschat op ongeveer 94.000 per jaar.

 

De verslavingscijfers over 2021 van de Jillinek organisatie laten de volgende cijfers zien:

477.000 alcoholverslaafden, 134.000 drugsverslaafden,  600.000 medicijnverslaafden, 539.000 tabakverslaafden, 16.000 gameverslaafden, 79.000 gokverslaafden en  7000 overig verslaafden.

 

Bovenstaande cijfers laten zien dat ongeveer 1,8 miljoen mensen verslaafd zijn aan pep- of remmende middelen. Dit is ruim 10% van alle bewoners van Nederland.

Het aantal mensen dat pep- en remmende middelen gebruikt is vele malen hoger. Ongeveer 1/3 van alle studenten gebruikte in 2021 cannabis. Het percentage volwassenen van 18 jaar en ouder dat wel eens alcohol drinkt is tussen 2014 en 2019 licht gedaald van 81,3% naar 79,1%. Dit werd gevolgd door een iets sterkere daling naar 77,6% in 2020. In 2021 en 2022 is dit gestabiliseerd.

 

In 2021 melden zich naar schatting 240.400 personen met de diagnose neurasthenie/surmenage, overspannenheid, bij de huisartsenpraktijk: 81.800 mannen en 158.600 vrouwen. Dit komt overeen met 9,4 per 1.000 mannen en 18,0 per 1.000 vrouwen.

 

Het aantal jongeren met een burn-out is nog nooit zo hoog geweest, blijkt uit onderzoek van de internationale zorgverlener Cigna International Health. De wereldwijde enquête toont aan dat maar liefst 98% van werknemers in de leeftijd van 18 tot 24 jaar symptomen van een burn-out vertoont. De hoofdoorzaak van dit opgebrand zijn is stress die voor een zeer groot deel wordt veroorzaakt doordat we opgejaagd worden door alles wat we moeten doen om succesvol te zijn en ‘erbij te horen’ en we steeds minder onze echte persoonlijke passies volgen waarin onze bestemming en dus onze voldoening en onze energie ligt en dus ons geluk.

 

Crisissen en ziektes zijn alarmeringstekens, rode zwaailichten voor het feit dat er iets ernstigs aan de hand is, dat er een verstoring heeft plaatsgevonden in de groei- en ontwikkelingsprocessen van mensen en de maatschappij. Bovenstaande bevindingen geven de ernst van de huidige situatie duidelijk aan.

 

Aan de geconstateerde maatschappelijke en persoonlijke crisissen liggen naar mijn mening twee zaken ten grondslag, namelijk hebzucht en macht, en als gevolg van die twee jaloezie. Aan deze negatieve factoren wordt dan ook in het volgende hoofdstuk aandacht besteed in de zoektocht naar een noodzakelijke verandering van ons economisch en maatschappelijk denken en handelen.

5. Over macht, gezag, hebzucht en jaloezie.


5.1 Over macht en gezag.

 

Macht is volgens de Duitse socioloog Max Weber het vermogen van personen of groepen om andere personen, groepen of zaken de wil op te leggen, eventueel tegen de wensen of belangen van die personen.

 

Als macht in handen is van één persoon of één groep, is er sprake van een dictatuur. Wanneer die persoon of groep geweld gebruikt om aan de macht te blijven, spreken we van tirannie en is de machthebber een tiran.

Van belang is te vermelden dat macht niet hetzelfde is als gezag. Hierover meer verderop.

 

De Amerikaanse sociaal psychologen John French en Bertam Raven onderscheiden 6 soorten macht:

 

1. Beloningsmacht.

Dit is de macht om iemand op een bepaalde manier te belonen voor zijn prestaties. Deze macht beïnvloedt de relatie tussen degene die beloningsmacht heeft en de mensen die hij wel of niet kan belonen. De persoon met beloningsmacht heeft macht over degene die de beloning graag wil ontvangen. En deze laatste persoon is gemotiveerd, geneigd of voelt zich in min of meerdere mate gedwongen om te voldoen aan de wensen of eisen van de machthebber.

  

2. Bestraffingsmacht.

Als iemand bestraffingsmacht heeft dan heeft deze persoon macht over degene die angst heeft om gestraft te worden. De laatste persoon zal proberen om zich zodanig te gedragen dat hij niet gestraft wordt.

Bestraffingsmacht kan vele vormen aannemen en variëren, zoals dreigen met ontslag, pesten, kritiek of om bepaalde dingen niet te mogen doen of niet te krijgen.

 

3. Gelegitimeerde macht.

Mensen met gelegitimeerde macht zijn mensen die een erkende macht hebben zoals bijvoorbeeld een portier of beveiliger bij een uitgaansgelegenheid. Mensen onderwerpen zich doorgaans aan gelegitimeerde macht omdat zij de opgestelde regels persoonlijk accepteren. Wanneer echter blijkt dat de gelegitimeerde macht onterecht is verkregen, daalt de macht direct.

 

4. Referentie macht.

Mensen met referentie macht zijn mensen die door een grote groep mensen gewaardeerd worden om hun vermeende of getoonde capaciteiten. Dikwijls wordt gezegd dat mensen met referentiemacht over een zeer groot charisma beschikken. Charisma is afgeleid van het Griekse woord "xarisma", wat een goddelijk geschenk van gunsten betekent. Van mensen met charisma wordt gedacht dat zij over bepaalde vaardigheden beschikken die de groep voordeel kan brengen. Dit hoeft in de praktijk echter niet altijd zo te zijn.

 

5. Expert macht.

Iemand heeft expert macht wanneer mensen denken dat hij of zij een expert op een bepaald gebied is. De onderhoudsmonteur van onze cv-installatie of de ict-specialist geven we alle vrijheid en vertrouwen om onze technische problemen op te lossen omdat we van hen afhankelijk zijn en we denken dat zij hiervoor de nodige vaardigheden bezitten. In de praktijk hoeft dat niet altijd het geval te zijn.

 

6. Informatie macht.

Informatie macht bezit iemand wanneer hij degene is die controle heeft over het delen van bepaalde kennis en informatie met anderen. Iemand met informatiemacht kan de kennis wel of niet delen met bepaalde mensen en dat geeft hem dus informatiemacht.

We kunnen ook naar macht kijken vanuit het gegeven of ze is wel of niet schriftelijk is vastgelegd waarmee een onderscheid kan gemaakt worden in formele en informele macht.

 

Formele macht is macht die is vastgelegd in bijvoorbeeld in contracten, wetten, aktes of taakbeschrijvingen.

Informele macht is gebaseerd op de ‘ongeschreven’ instemming van een of meerdere personen dat een bepaalde persoon of  groep de leiding heeft en beslissingen neemt. Dit kan gebeuren omdat iemand  of een groep bijvoorbeeld specifieke kennis of vaardigheden heeft of goede externe contacten.

 

Binnen de Nederlandse staat is de macht gescheiden en verdeeld over drie ‘machtsgebieden’, wat ‘de Trias Politica’ wordt genoemd. Hierbij is de macht verdeeld in de wetgevende macht (de Staten Generaal en de regering), de uitvoerende macht (de regering) en de rechtsprekende macht (de rechters). De Trias Politica werd bedacht door de Franse filosoof Charles Montesquieu die leefde van 1689 tot 1755.

 

Hierboven werd aangegeven dat macht niet hetzelfde is als gezag. Gezag is altijd gelegitimeerd, terwijl dat bij macht niet altijd het geval is.

 

Gezag of autoriteit is in de sociologie de aanvaarde macht van een persoon of een organisatie om een andere persoon of groep te leiden. Gezag houdt in dat een persoon of personen bevoegd zijn om bepaalde beslissingen te nemen wat hem of hen een bepaalde macht verleent.

In politieke zin staat gezag ook voor de macht en heerschappij over een gebied of land, de overheid of de regering.

Gezag verleent bepaalde macht en is als zodanig een onderdeel van onze machtstructuur. Gezag houdt gelegitimeerde macht in en is als zodanig aanvaarde macht, die in eerste instantie altijd gericht op het vrijwillig volgen van ‘wat het gezag’ voorstelt en beslist. Macht is daarentegen altijd dwingend.

 

Door de wet of  overheid gelegitimeerd gezag heet 'bevoegd gezag'. Een persoon die door kennis of status op een bepaald gebied algemeen gerespecteerd wordt is op dat gebied 'gezaghebbend'.

 

Hoewel met autoriteit meestal gezag bedoeld wordt, kan het ook verwijzen naar een andere soort autoriteit, zoals naar God of de Bijbel en de Koran bij gelovigen die daaraan moeten ‘gehoorzamen’.

 

Volgens de Duitse socioloog Max Weber zijn er drie types gezag:

 

1. Charismatisch gezag.

Charismatisch gezag is gebaseerd op de persoonlijke kwaliteiten van de leider en de erkenning daarvan door ‘volgelingen’. De actieve verbinding tussen de leider en de volgelingen is cruciaal.

Charisma is een sterke persoonlijke aantrekkingskracht die iemand uitoefent op andere mensen, die wordt ervaren als een bepaalde uitstraling. Charismatische persoonlijkheden kunnen volksmassa's in beweging brengen, ten goede of ten kwade.

 

2. Traditioneel gezag.

Traditioneel gezag is gezag waarbij de macht wordt gelegitimeerd door gewoontes en gebruiken. Bij deze vorm van gezag is er over het algemeen sprake van erfopvolging. Afkomst en de daarbij behorende status en prestige spelen een belangrijke rol. Van traditioneel gezag is sprake bij ons koninklijk huis waarbij sprake is van erfopvolging.

 

3. Rationeel-legaal gezag.

Rationeel-legaal gezag is gebaseerd op de positie die iemand bekleed. De betreffende persoon ontleent zijn gezag en de daarbij behorende macht aan deze positie zoals dat het geval is binnen de regering en bureaucratische organisaties waarin er een verdeling is in functies met bepaalde  verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Zo wordt het gezag van de minister president, een minister of kamerlid bepaald door zijn of haar positie binnen de regering.

 

In werkelijkheid zullen de bovengenoemde ideaaltypes van gezag zelden of nooit in deze pure vorm voorkomen, maar in meerdere combinaties. Zo wordt het gezag van de minister president niet alleen bepaald door zijn politieke positie maar ook mede door de mate van het charisma dat hij uitstraalt.

Bij verkiezingen speelt het charismatisch gezag dan ook een belangrijke rol om op een bepaalde positie gekozen te worden. Ook de acceptatie van bijvoorbeeld het koninklijk huis wordt in grote mate bepaald door het  charismatisch gezag dat de koning of koningin uitstraalt.

 

Zoals we in het begin van dit hoofdstuk zagen is macht

het vermogen van personen of groepen om andere personen, groepen of zaken de wil op te leggen, eventueel tegen hun wensen of belangen.

 

In onze samenleving is het doorgaans geaccepteerd dat mensen vanuit hun gelegitimeerde positie beslissingen nemen in het belang van een bepaalde persoon, groep of de gemeenschap als geheel, ook al gaat de beslissing in tegen het belang van een of meerdere personen.

We accepteren doorgaans in meerderheid dat de politie bekeuringen uitdeelt, mensen arresteert, dat rechters oordelen over bepaalde situaties en de regering beslissingen neemt tegen de wil van een of meerdere personen.

We beseffen doorgaans dat als wetten die democratisch zijn vastgelegd niet gehandhaafd worden en negatieve krachten niet worden beteugelt, we als maatschappij afstevenen op chaos, een situatie waarin totale wanorde of verwarring heerst.

Mensen in het algemeen en kinderen in het bijzonder hebben richting en kaders nodig omdat we als mens zoekende zijn naar de juiste weg, naar een manier van denken en handelen die voor iedereen welzijn en geluk brengt. En in die zoektocht hebben we mensen nodig die ons inspireren, ondersteunen, aanmoedigen en corrigeren, ook al denken sommige mensen dat als ze volwassen zijn deskundig genoeg zijn op alle gebieden om in alles te kunnen bepalen wat voor hen en de maatschappij het beste is.

In een bepaald opzicht blijven we kinderen, blijven we ons leven lang lerende mensen, die leren door vallen en opstaan, met de hulp van mensen die ons na een val weer overeind helpen, weer richting, perspectief en moed geven, ons corrigeren als we foute wegen bewandelen en ons helpen hoe we van onze fouten kunnen leren.  

Gezag en de daaraan verbonden verantwoordelijkheden en macht zijn nodig om mensen en de maatschappij te helpen de democratische gekozen richting te volgen naar een menswaardig bestaan en niet te ontsporen.

Zo betekent ouderlijke gezag het hebben van de plicht en verantwoordelijkheid om de  kinderen te verzorgen en op te voeden, wat betekent zorg te dragen voor hun fysieke en psychisch gezondheid, hun de weg te wijzen naar hun persoonlijke groei en ontwikkeling, hen daarin te begeleiden, te ondersteunen, eventueel te corrigeren en beslissingen te nemen waar kinderen nog niet toe in staat zijn. Als ouders deze verantwoordelijk niet nemen, is de kans levensgroot dat kinderen ontsporen, verdwalen in de ingewikkeldheid van het leven, zoals we zien in het groeiende aantal problemen in de jeugdzorg.

De ouderlijke taak ten opzichte van de kinderen wordt in de maatschappij overgenomen door de regering en  in een organisatie door de leiding.

 

Gelegitimeerde macht zou altijd als doel moeten hebben het algemeen welzijn van mensen. Helaas wordt dit vermogen ook vaak gebruikt voor eigen belang dat anderen schaadt.

Veel mensen streven naar macht omdat dit hen het gevoel geeft belangrijke te zijn en invloed te hebben om daarmee ‘gehoorzaamheid’ af te dwingen. Daarom is het voor die mensen moeilijk om macht af te staan, wat altijd het geval is bij dictators. Ze misbruiken hun macht voor eigenbelang.

 

Het misbruiken van macht staat bekend onder het begrip machtsmisbruik, waarvoor in de huidige tijd steeds meer aandacht is. Zo richt de MeToo beweging zich op seksueel grensoverschrijdend gedrag en verzet de Black Lives Matter beweging zich tegen antizwart racisme. Van machtsmisbruik is sprake als iemand je iets doet of dwingt te doen wat je niet wilt en wat niet geoorloofd is. Iemand aanhouden omdat hij een donkere huidskleur heeft, iemand betasten zonder zijn of haar toestemming of iemand dwingen tot lichamelijk contact is dan ook machtsmisbruik.

 

Bij machtsmisbruik wordt doorgaans gebruik gemaakt van de afhankelijkheid, ondergeschiktheid van het slachtoffer ten opzichte van degene die macht uitoefent. De machthebber is fysiek sterker of kan dreigen met maatregelen die ongunstig zijn. Dat dreigen hoeft niet letterlijk te gebeuren, maar het feit dat hij die maatregelen vanuit zijn positie kán nemen, is al dreigend genoeg, zoals dat het geval is in de relatie tussen werkgever en werknemer of bij fysieke overmacht.

Ingaan tegen een onterechte beslissing van ‘je baas’ houdt de mogelijkheid in dat hij je carrièremogelijkheden zal blokkeren of je zal proberen te ontslaan.

Afhankelijkheid schept mogelijkheden tot machtsmisbruik. Dictators kunnen lang aan de macht blijven doordat zij hun tegenstanders kunnen dreigen met allerlei vormen van in- of uitsluiting.

 

Machtsmisbruik komt overal op grote schaal voor in landen, organisaties, verenigingen, gezinnen en relaties. Door de toenemende emancipatie van individuen en groepen neemt gelukkig het protest tegen machtsmisbruik toe en worden maatregelen geëist om het terug te dringen. De bovengenoemde bewegingen zijn hiervan prominente voorbeelden.

 

Helaas zijn er een groot aantal machtsmisbruiken dat nog te weinig aandacht krijgt en gelieerd aan het kapitalistische systeem, zoals de uitbuiting van arme landen die tegen dumpprijzen grondstoffen moeten leveren aan rijke landen. Zo bleek uit een recente Tv-rapportage van het programma de Keuringsdienst van waarde dat koffieboeren in Uganda worden gedwongen koffie te leveren tegen of zelfs onder de kostprijs omdat ze die anders gewoon niet kunnen verkopen en dus helemaal geen inkomsten hebben. Daarnaast mogen ze volgens een Europees handelsverdrag geen gebrande koffie invoeren in Europa. Dat houdt in dat ze niet de mogelijkheid hebben om deze industrie op te bouwen en zo het geld te verdienen dat nu wordt verdiend door de grote koffiebranders in het westen.

Hetzelfde geldt voor veel producten uit ontwikkelingslanden en voor veel arbeiders uit arme landen. De westerse wereld heeft het geld en dus de macht en maakt daar op grote schaal misbruik van en houdt zo de enorme kloof tussen arme en rijke landen in stand.

 

Machtsmisbruik is onderdrukking en is, in welke vorm dan ook, onmenselijk en dus verwerpelijk omdat leven in essentie menswaardige groei en ontwikkeling inhoudt en onderdrukking deze tegenhoudt.

Waarom protesteren we niet massaal tegen deze vormen van machtsmisbruik? Omdat we dan misschien veel meer moeten betalen voor onze koffie en we niet meer gemiddeld 46 kledingsstukken per persoon per jaar kunnen kopen? Wij beseffen nog veel te weinig dat we rijk zijn en welvarend doordat we anderen uitbuiten. Er is nog steeds sprake van grootschalige slavenhandel en kolonialisme terwijl die wettelijk al decennialang zijn afgeschaft.

En wat te denken van de al eerder genoemde macht van multinationals, de rijke elite en van de stortvloed aan manipulatieve reclames en influencers die door slim gebruik te maken van het psychologische inzicht in onze zwakten, ons manipuleren, misbruiken.

 

Tegenover macht staat kracht. Macht is hard en hebben we meegekregen vanuit onze dierlijke afstamming. Kracht is zacht en is een zielenkwaliteit die ook in ons aanwezig is en die we kunnen ontwikkelen door nee te zeggen tegen wat we niet willen en ja te zeggen tegen wat bij ons past, bij onze dromen en capaciteiten, bij ons diepste zijn dat wil groeien en zich ontwikkelen tegen de verdrukking in, zoals in het voorjaar de tulp zich door de harde bovenlaag heen moet worstelen om te kunnen bloeien.

Dit houdt wel in dat we risico’s moeten durven nemen, nee durven zeggen ook al hangt ons de dreiging voor ontslag, voor geen promotie, voor niet aardig gevonden worden en voor uitsluiting of verbanning uit de groep boven het hoofd.

Als we in onze kracht staan, houdt dat ook in dat we het niet nodig hebben om zelf macht te gebruiken om onze zin te krijgen door gebruik te maken van slinkse mooie praatjes, verleidelijk gedrag, leugens of andere vormen van manipulatie.

 

Onze cultuur is niet gericht op het ontwikkelen van kracht maar van macht. Macht en machtsmisbruik zien we overal, gedrag vanuit innerlijke kracht is spaarzaam. Vreemd, want voor krachtige mensen met een natuurlijk charismatisch gezag hebben we doorgaans meer waardering dan voor mensen met macht.

Toch zien we dat mensen in tijden van crisissen en onzekerheid geneigd zijn hun heil te zoeken bij ‘een sterke man’ omdat mensen van nature de neiging hebben om diegene te volgen die veel macht vertoont, wat voortkomt uit gedrag dat we zien bij dieren, waarbij het slim is om een alfamannetje te volgen, het individuele dier in een groep dat duidelijk de leiding heeft en veel macht vertoont. Macht betekent namelijk dat je veilig bent bij hem. Maar het betekent ook dat je hem gehoorzaamt omdat je niet meer veilig bent als  je je tegen hem keert.

 

We leren om ons te verdedigen, dus macht op te bouwen, we leren niet om in onze kracht te gaan staan, te gaan staan voor onze dromen, voor wie we in het diepst van ons wezen willen en kunnen zijn en nee te zeggen tegen wat daar niet in past. Kracht leidt tot gezag, tot natuurlijke, aanvaarde, gelegitimeerde macht die niet onderdrukt maar stimuleert.

Laten we onze innerlijke krachten ontwikkelen en gebruiken en onze neiging tot macht en machtsmisbruik onderdrukken onder het motto minder macht, meer kracht.

 

5.2 Over hebzucht en jaloezie.

 

Een grote rol in het falen van het kapitalisme speelt hebzucht en jaloezie. Ze ziet egoïsme, hebzucht en concurrentie als de motors van de economie, terwijl egoïsme, hebzucht en jaloezie mensen alleen maar ongelukkig en eenzaam maken, zoals Scrooge in het kerstverhaal van Dickens.

De vraag is waar hebzucht vandaan komt en hoe we haar kunnen bestrijden in onszelf en de maatschappij.

 

Trainer/coach Jan Stevens definieert hebzucht als volgt:

 

  • Een drang naar altijd meer en nooit genoeg.
  • Een vorm van schraapzucht.
  • Een zucht naar geld, macht, aanzien of prestige.
  • Een vorm van inhaligheid die buitenproportionele vormen aanneemt.
  • Een begeerte en gretigheid naar bezit.
  • Materialisme ofwel de gehechtheid aan stoffelijk gewin, het streven naar materieel bezit en/of genot.

 

Jan Stevens vindt niet dat hebzucht een relatie heeft met onze persoonlijke behoeften maar een overmatige vervulling is van onze genotzucht.

Een behoefte is datgene wat je nodig hebt om te kunnen leven en waarin je dus moet voldoen. Hebzucht is het voorzien in een behoefte die je niet nodig hebt en waarvan je meent dat je niet de zonder kunt.

Hebzucht heeft dus niets te maken met het vervullen van onze behoeften. Hebzucht voorziet in het bevredigen van onze lusten of in onze genotzucht.

 

Hebzucht heeft net als alle verslaving doorgaans een dieper liggende oorzaak waarvan we ons doorgaans niet bewust zijn, zoals:

 

  • Een groot gevoel van ontevredenheid over onszelf, over wat we presteren of bereikt hebben en waarbij hebzucht als compensatie fungeert. Volgens psycholoog Selzer is hebzucht een verslaving aan wat we onszelf niet kunnen geven: waardering, een gevoel van succes, liefde. Aan de hand van een dure auto of een nieuwe jurk of een nieuw pak proberen we meer zelfvertrouwen te krijgen. Een illusie want een beter zelfbeeld krijgen we alleen als we onszelf waarde geven en aandacht aan hoe we zelf als uniek wezen kunnen groeien door onze eigen potenties te ontwikkelen, door oprecht aandacht te geven aan onze eigen persoonlijke behoeften en gevoelens.
  • Uit onderzoek onder Nederlanders en Amerikanen blijkt dat wie in rijkdom opgroeit, later de kans loopt hebzuchtig te worden. Waarschijnlijk komt het doordat die mensen in hun jeugd gewend raken aan een luxe levensstijl en het gemak daarvan. Kinderen die alles krijgen wat ze willen, worden later hebzuchtige mensen. Dit effect blijkt vooral sterk te zijn voor kinderen zonder broer of zussen, omdat ze die rijkdom dan niet hoeven te delen.
  • Een gebrek aan zingeving, aan verbondenheid, aan schoonheid, aan stilte en alleen zijn waarin we bij onszelf kunnen komen, bij onze dromen en passies. Als we deze zaken missen zoeken iets waarmee we die leegte kunnen vullen. Maar die leegte is niet te vullen met surrogaten. We kunnen ons helaas of gelukkig niet echt foppen, onszelf misleiden.

 

‘Ben je een impulsieve koper of hebt je een overvolle kledingkast? Vraag je af waar jouw hebzucht vandaan komt. Welke leegte probeer je te vullen? Een geborgenheid die je niet ontving als kind? Een liefde die niet beantwoord werd? Geen waardering voor dat wat je al hebt bereikt? Hoe kun je jezelf dit, nu, geven?

Wees alert voor smoesjes als: ik winkel veel omdat ik er goed moet uitzien op mijn werk. Of: ik moet altijd online zijn omdat ik ondernemer ben. Wat levert het winkelen of online zijn je daadwerkelijk op? Een opgejaagd gevoel en onvrede, of iets wezenlijks dat je echt gelukkig maakt en voldoening geeft?’

 

Bron:https://www.happinez.nl/mind-meditatie/hebzucht-verlangen-naar-rust

 

Uit onderzoek blijkt dat hebzuchtige mensen meer gevoelens van eenzaamheid ervaren en zich vaker ongelukkig voelen. Ze hebben kortere relaties. Van de ene kant komt dat doordat hebzucht ontevreden maakt, maar ook doordat anderen hebzuchtige mensen vaak als onaardig zien. Hebzucht heeft dus een behoorlijke invloed op het sociale leven van hebzuchtige mensen.

 

Ook de samenleving als geheel kan schade ondervinden van hebzuchtig gedrag. Er is een relatie aangetoond tussen hebzucht en immoreel gedrag. Hebzuchtige mensen reizen bijvoorbeeld vaker in het openbaar vervoer zonder te betalen, zijn niet eerlijk met hun belastingaangifte of gaan vaker vreemd. Er is ook onderzoek dat een relatie laat zien tussen hebzucht en corruptie.

 

Een beangstigend sociaalpsychologische onderzoek kwam ik tegen in het boek ‘Onbehagen’ van Paul Verhaeghe op pagina 89 e.v.

Uit een groep personen werden lukraak een aantal mensen gekozen om een potje Monopoly te spelen. Ook op toevalsbasis werd aan een van spelers bij de start van het spel een aantal voordelen gegeven. Hij kreeg meer startgeld en kreeg een dubbele bonus als hij langs ‘start’ ging. Het is logisch dat deze speler al snel aan de winnende hand was.

Maar wat interessant of liever verontrustend was, is dat hij en al de anderen die in dezelfde situatie werden geplaatst, zich steeds agressiever gingen gedragen, medespelers belachelijk maakten en pochten met hun geld. Als ‘niveau riches’ werden ze hufters, en niet een klein beetje.

Als deze personen na het spel gevraagd worden over hun succes, wijzen ze op hun ingenieuze spelstrategie, hun juiste keuzes, enzovoort, maar niet op het feit dat ze met een ruime voorsprong mochten starten en onderweg ook nog eens extra bevoordeeld werden.

Dit onderzoek levert het bewijs dat zelfs toevallige en kortdurende omstandigheden verregaande effecten hebben op ons gedrag en op onze zelfreflectie: we worden hufters en we schrijven ons succes toe aan onszelf.

 

In een dure grote auto rijden kan snel een ander rijgedrag tot gevolg hebben. Een omgekeerde reactie zien we ook: bestuurders van gewone auto’s zijn niet bereid om dure auto’s voorrang te geven en zullen doorgaans vooruitlopen op het hufterige gedrag dat ze verwachten met als reactie: ‘Die laat ik er niet tussen, wat denkt hij wel!’

De kleren/auto’s maken de man. Iemand in een driedelig pak wordt doorgaans anders behandeld als iemand in sjofele kleren en hij gedraagt zich ook anders.

 

Wanneer iemand zich voordurend in een geprivilegieerde positie bevindt, is de kans reëel dat hij een hufter wordt en blijft, tenzij hij een opvoeding krijgt die hem daarin corrigeert. Maar vaak ontbreekt deze corrigerende invloed.

 

Uit tal van onderzoeken onder sociale zoogdieren blijkt als algemeen kenmerk het afwijzen van onrechtvaardige ongelijkheid. Sociale zoogdieren hebben geen probleem met een billijke ongelijkheid. Wie meer bijdraagt aan het succes van de jacht heeft recht op een groter stuk, maar niet op een reusachtig groter stuk.

Hetzelfde geldt voor individuen die hoger in de hiërarchie staan, maar alleen als ze waken over en zich houden aan de rechtvaardigheid van de verdeling. Als de groep ontdekt dat iemand zichzelf stiekem veel meer toe-eigent dan hij verdient, volgt een zware bestraffing.

In kleine gemeenschappen van primaten komt egoïstisch gedrag dan ook zelden voor.

In een heel grote samenleving ligt het anders. De groep van twee procent superrijken in onze maatschappij blijft grotendeels onzichtbaar omdat ze weten dat te koop lopen met extravagante rijkdom geen goed idee is. Ze verstoppen zich dan ook vaak in minder toegankelijk plaatsen en gaan voornamelijk om met soortgenoten.

 

Op basis van het hierboven geschilderde gedrag van onze nauwste soortgenoten kunnen we voorspellen dat een te grote ongelijkheid in combinatie met een grote zichtbaarheid van enorme rijkdom een maatschappelijke onrust toe gevolg heeft, zoals we die zagen tijdens de Franse Revolutie. Willen we dit soort geweld voorkomen dan is het nodig dat ongelijkheid binnen de perken blijft, wat wil zeggen dat rijkdom in verhouding moeten staan met geleverde prestaties en dat we onze hebzucht beheersen. Aldus Paul Verhaeghe.

 

In zijn boek ‘Over hebzucht en begeerte’ schrijft de Duitse monnik Anselm Grün:

 

‘Verlangen naar bezit is eigenlijk een verlangen naar rust. Maar de paradox is dat we juist geen rust vinden omdat we bezeten worden door de begeerte naar meer.’

 

Volgens Grün komt onze hebzucht voort uit het feit dat we vergeten om in het nu te leven. We vergeten om te genieten van alles wat we al wél hebben en daar voldoening uit te halen, in plaats van onze voldoening steeds te zoeken in de toekomst.

Onze gedachten gaan constant uit naar de volgende gebeurtenis in de hoop dat die ons gelukkig maakt, zoals we tijdens het hoofdgerecht alweer uitkijken naar het toetje, zonder echt te proeven.

We zoeken geluk buiten onszelf, buiten het moment, in de toekomst. We verwachten dat nieuwe iPhone ons geluk brengt of het komende weekend en vakantie. Maar geluk zit en kunnen we alleen vinden in onszelf, in het realiseren van onze diepste dromen, in dat wat er in ons sluimert om te groeien.

 

Economisch psycholoog Karlijn Hoyer antwoord op de vraag ‘Heb je een tip voor mensen hoe ze minder hebzuchtig kunnen zijn?’:

 

‘Ik denk dat hebzucht te temperen is door bijvoorbeeld meditatie of mindfulness. Wie meer in het hier en nu leeft, zal minder verlangen naar wat hij nog niet heeft. Verder zijn er bekende methoden om meer tevreden te worden met wat je hebt. Bijvoorbeeld door elke dag in een boekje op te schrijven waar je die dag tevreden over was. Daarnaast kan je proberen je keuzes minder impulsief te maken. Maak een boodschappenlijstje als je naar de supermarkt gaat, zodat je niet met allerlei spullen thuiskomt die je niet nodig hebt. En als je online iets koopt, kun je met jezelf afspreken dat je iets tien dagen in je winkelmandje moet hebben, voordat je het koopt.’

 

De filosoof Schopenhauer beschreef het hebzuchtig vergaren van rijkdom in de 19de eeuw als volgt:

 

‘Rijkdom is als zeewater, hoe meer je ervan drinkt, hoe meer dorst je krijgt.’

 

De Griekse filosoof Plato zei al voor onze jaartelling:

 

‘Wie rijk wil zijn, moet niet zijn vermogen vermeerderen, maar zijn hebzucht verminderen.’

 

En Indiase jurist en politicus Mahatma Gandhi zei:

 

‘De aarde biedt voldoende om ieders behoeften te bevredigen, maar niet ieders hebzucht.’

 

Uit het bovenstaande blijkt wat er mis is met hebzucht. Ze gaat namelijk ten koste van onszelf en anderen.

Hebzucht is erop gericht om onszelf te bevoordelen, onszelf te profileren, ons op een hoger platform te plaatsen dan anderen, om anderen te laten zien hoe succesvol we zijn en onszelf te laten geloven dat we toch iets bereikt hebben. In feite is hebzucht een vorm van overheersen, van dominantie om onszelf niet open in de ogen te durven kijken en te onderzoeken wat er eigenlijk aan de hand is, waarom we zo denken en handelen.

 

In het woord hebzucht zit het woord ‘zucht’ met als bijvoeglijk naamwoord ‘zuchtig’ dat het hebben van een onbedwingbaar verlangen betekent, wat hebzucht als een verslaving betitelt. Dit betekent dat het moeilijk is om er vanaf te komen en een drastisch afkicken noodzakelijk maakt. De strijd tegen de negatieve kapitalistische krachten is dus een strijd tegen een persoonlijke en maatschappelijke verslaving.


 

In deze paragraaf zou volgens de titel ook jaloezie aan de orde komen. Dat heeft alles te maken met het feit dat jaloezie alles te maken heeft met hebzucht omdat jaloezie tot hebzucht kan leiden.

 

De Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804) definieerde jaloezie als:

 

‘Een onwil ons eigen welbevinden overschaduwd te zien worden door het welbevinden van anderen, omdat de standaard die we gebruiken om ons welbevinden aan af te meten niet intrinsiek is aan ons eigen gevoel, maar aan hoe het vergelijkt met wat we zien van anderen.’

 

Andere, wat makkelijker toegankelijke omschrijvingen zijn:

 

‘Jaloezie of ijverzucht is een gemoedstoestand of emotie waarbij men datgene wenst te krijgen wat een ander reeds heeft.’

 

‘Jaloers zijn betekent dat je bang bent dat je niet in je leven kunt krijgen of houden wat de ander op dat moment lijkt te ervaren of te hebben.’

 

‘Jaloers zijn betekent dat je je aangetrokken voelt tot de gloedvolle uitstraling van de ander, terwijl het je tegelijkertijd aan vertrouwen ontbreekt dat jij het ook in je hebt om op eigen wijze te schitteren.

Vanuit angst niet te kunnen krijgen waar je naar verlangt, ben je geneigd om de glans van de ander te willen controleren of bezitten. Alleen dan kan je je veilig voelen, zo lijkt het.’

 

De relatie tussen jaloezie en hebzucht is dat er altijd wel iemand is die ‘meer’ heeft van iets dat jij graag zou willen hebben aan materiële zaken, eigenschappen of relaties, waardoor er een voordurende drang naar meer ontstaat. Bij rijke hebzuchtige mensen zie je dan ook dat het opgebouwde kapitaal, de woonhuizen, jachten en feesten steeds extravaganter worden om elkaar te overtreffen.

 

De Nederlandse journalist en antropoloog Joris Luyendijk ontdekte tijdens een onderzoek in het financiële hart van Londen dat het bij veel mensen op het einde van het jaar niet ging om de hoogte van de bonus, maar of hun bonus hoger was dan van collega’s.

Dit houdt in dat jaloezie een belangrijke drijfveer is in hun werk wat kan leiden tot gedrag dat alleen maar het eigen succes nastreeft en alle mogelijkheden zoekt om dit te bereiken. De verleiding om dit te bereiken door middel van ongeoorloofde praktijken is dan ook groot gezien de focus op het eigen succes. Er is dan ook, zoals eerder vermeld, een relatie tussen jaloezie, hebzucht en corruptie en andere vormen van misdaad.

 

De oorzaak van jaloezie kan net als bij hebzucht liggen aan het hebben van een negatief zelfbeeld, in ontevredenheid over ons eigen reilen en zeilen in het leven.

Socioloog & psycholoog Wendy van Mieghem schrijft hierover:

 

‘De wereld in je en de wereld buiten je spiegelen zich aan elkaar. Wanneer iemand straalt en waardering oogst voor het uitdrukken van haar kwaliteiten, kun je daar jaloers op worden. Het doet zeer om te zien hoe iemand anders wel in staat is om tot bloei te komen, terwijl je zelf voor je gevoel nog steeds worstelt met het leven en niet goed weet wat je ermee moet.

Jaloers zijn betekent dat je bang bent dat je niet in je leven kunt krijgen of houden wat de ander op dat moment lijkt te ervaren of te hebben.

Vaak raakt jaloezie ook ongeduld en wantrouwen in je aan. Je voelt afgunst en wilt NU hebben wat de ander heeft. Het liefst zou je het ter plekke willen opeisen of afdwingen. Tegelijkertijd voel je niet het vertrouwen dat je zelf in staat bent om uit je leven te halen wat je nodig hebt. Of weet je niet hoe je je eigen weg hiernaar toe kunt vinden.’

 

Als jaloezie haar basis heeft in een negatief zelfbeeld versterkt jaloezie dat alleen maar. Jaloers zijn kent dus een destructieve kant. Het wegstoppen van jaloerse gevoelens, van jezelf of een ander, is echter geen oplossing om destructie te voorkomen, maar werkt eerder averechts.

Zoals bij alle emoties ligt de oplossing bij het aandacht geven, het zoeken naar wat er achter de emotie van jaloezie ligt.

Blijkbaar raakt het geluk, de uitstraling of de expressie van de ander waarop je jaloers bent een diep verlangen in je! De uitnodiging die in jaloezie ligt, is even eenvoudig als lastig: luister naar jezelf en leer het verlangen dat onder jouw jaloezie ligt herkennen en verstaan. Op welk aspect van of in de ander voel je je jaloers? Hoe zou jij dit aspect in je leven geïntegreerd willen hebben? En welke stappen heb jij nodig om daar te komen? Aldus Wendy van Mieghem die hieraan toevoegt:

 

‘Er is geen enkele noodzaak om je te schamen voor jaloezie en hierdoor aspecten van je vrijheid te verliezen. Wat nodig is, is om de juiste houding te vinden van waaruit je je kunt verbinden met jezelf en met anderen. Jaloers zijn is een alarmbel die opstijgt vanuit de diepte van je menselijkheid om je te wijzen op een innerlijke parel die je negeert en verwaarloost. Dus ontdek wat je jaloers zijn zegt over JOU en vind jouw wijsheid achter jaloezie.’



Machtsmisbruik, hebzucht en jaloezie verwijderen ons,  zoals alle verslavingen, van onszelf en van elkaar, van onze groei en ontwikkeling als persoon en samenleving.

Natuurlijke groei is altijd naar het licht gericht, naar boven, naar de zon. Ook als spirituele wezens zijn we in onze groei gericht op ‘boven’, op de spirituele energie uit de kosmos, uit het veld dat we hemel zijn gaan noemen. Als homo sapiens, als verstandig, wijs mens, zijn we dan ook rechtop gaan lopen.

 

Hoe verslavingen niet alleen onze psychische gezondheid ondermijnen maar letterlijk ook onze fysieke groei de verkeerde kant op sturen, blijkt onder andere uit het artikel ‘Homo digitalis’ van Merel van Ommen in de  VPRO-gids #42, pag. 50.

 

‘Ik vergelijk het kinderlichaam met een bonsaiboompje: het groeit de kant op die je ‘m opstuurt, waarschuwde fysiotherapeut Marlous de Haan al in 2008 in RTL.

Onderuitgezakt, met een bolle rug, naar beneden kijkend, met de kin op de borst, de ogen opengesperd, de oren voorzien van luid tetterende airpods, en altijd met die verdraaide tablet, smartphone of spelcomputer in de knuistjes. De generatie die na 1995 is geboren, heeft dan ook te maken met vergroeiingen die helemaal niet bij kinderen horen zoals bochels, versleten appduimen en stijve iPad-armen, bijziendheid en gehoorschade. Oudemensenklachten dus.

Alsof het gebukt gaan onder een niet-aangeboren bochel niet al genoeg leed met zich meebrengt, zijn ook de perfecte plaatjes op sociale media  schadelijk.

Filters apps worden gebruikt om met behulp van gezichtsfilters zo veel mogelijk te voldoen aan schoonheidsidealen. Steeds meer mensen gaan met gefilterde selfies naar de plastisch chirurg. Bijna tweederede van deze artsen geeft aan dat hun veelal jonge cliënten verwijzen naar beroemdheden als inspiratiebron. En daar spelen de klinieken op in: ruim een kwart van de ondervraagde artsen werkt samen met influencers om reclame te maken.’

 

In deel I van het boek ‘Discipline is het doel: De kracht van zelfbeheersing’, schrijft de Amerikaanse filosoof Ryan Holiday onder de titel ‘Wees niet langer een slaaf’ het volgende:

 

‘Hoe kun je vrij zijn als je , zoals een verslavingsexpert het noemde, de vrijheid hebt verloren om je ergens van te onthouden?

We zeggen dat we autonomie nasteven, en toch geven we ons maar al te graag over aan gewoontes die tegen ons zeggen: het enige wat je nodig hebt, is meer van mij, dat we ongelukkig, hongerig en eenzaam zijn, pijn hebben en zwak zijn zonder ze.  Hoe bedroevend is dat?

 

De eerste stap, zei de Romeinse filosoof Seneca, is herkennen dat je afhankelijk bent van datgene waar je afhankelijk van bent. Daarna moet je afkicken, afkicken van je verslaving aan werk, van je drang tot macht, van wat  de verslaving ook is.

 

In deze tijd zijn we misschien verslaafd aan sigaretten of frisdrank, vind-ik-leuk op sociale media of nieuws kijken. Het maakt niet uit of het maatschappelijke geaccepteerd is of niet. Waar het om gaat, is of het goed voor je is.

Gewoontes zijn sluipmoordenaars, langzaam en onzichtbaar. Waarom laten we ons dan commanderen door onze onderbuik of door dat apparaat dat op dit moment bijna vergroeid is met ons lichaam. Het lichaam kan niet de leiding hebben. Dat geldt ook voor onze gewoontes. Wíj moeten de baas zijn.'


Nawoord.

 

Na het lezen van het voorafgaande valt het moeilijk om te ontkennen dat we als individu en maatschappij in een ernstige crisis verkeren. Op zich is dit zorgwekkend, maar het is goed om tegelijk te beseffen dat crisissen deel uitmaken van onze groei- en ontwikkelingsprocessen en kansen bieden om dwaalwegen te verlaten, om vervolgens  nieuwe wegen te zoeken en te bewandelen. Dwaalwegen zijn wegen die lijken naar het beoogde doel te leiden maar tot verdwalen leiden,

En ja, berouw komt na de zonden, en ja, doorgaans hebben we te lang allerlei waarschuwingen in de wind geslagen, ze niet gezien of niet willen zien, maar leren doen we door vallen en opstaan, vaak zelfs pas door meermalen dezelfde fout te maken: c’est la vie.

Het heeft weinig zin om te blijven steken in verwijten. Beter is het om de realiteit met een open blik onder ogen te zien en onze oerdrang tot groei en ontwikkeling in te zetten voor een manier van denken en handelen die naar verder leidt.

 

Deze houding past niet alleen bij doel van leven, namelijk om als persoon en maatschappij te groeien, maar ook bij het gegeven dat groei en ontwikkeling altijd verlopen volgens het patroon van these, antithese en synthese, zoals beschreven door de filosoof Hegel: de geschiedenis beweegt zich voorwaarts door tegenstellingen (these-antithese), die telkens op botsingen uitlopen en dan een synthese opleveren. Daarna nemen de tegenstellingen weer toe en ontstaat er weer een conflict.

Leren doen we door het ervaren en het ons bewust worden van de beperkingen van situaties die we eerder hebben gecreëerd als oplossing van niet bevredigende situaties. Steeds weer bouwen we nieuwe inzichten op via de ervaring met bestaande situaties.

 

Het goed omgaan met dit soort processen vereist, zoals reeds gezegd, dat we ons bewust worden van de onbevredigende of bedreigende situatie waarin we zitten, ze te herkennen en te erkennen.

Het hebben van bewustzijn onderscheidt ons van dieren die hun instincten volgen. Wij kunnen op  enige afstaand naar ons gedrag kijken, het zien, ons er een oordeel over vormen en indien nodig het veranderen.

Maar blijkbaar zijn we toch nog meer dier dan we denken en laten we ons meeslepen door onze eigen primitieve emoties, manipulerend gedrag van anderen en  alles wat we in ons leven tegenkomen. En wat we tegenkomen, bepalen we doorgaans niet zelf, maar wel de manier hoe we ermee omgaan.

Bewustzijn betekent ook dat we in staat zijn ons eigen aandeel te zien in het ontstaan van bepaalde situaties.

We zijn altijd onderdeel van een situatie. Ook al zijn we er niet de oorzaak van, we maken er door de manier waarop we erop reageren wel deel vanuit en zijn als zodanig mede verantwoordelijk voor wat erop volgt, hoe de situatie zich in positieve of negatieve zin ontwikkelt.

 

Uit de vorige hoofdstukken blijkt dat we zowel als individu als samenleving zijn vervreemd, wat wil zeggen dat we niet meer in contact staan met wat we in ons diepste wezen zijn.

Als individu zijn we op deze aarde om onze algemene en persoonlijke fysieke, psychische en spirituele potenties te ontwikkelen en dienstbaar te maken aan onze omgeving.

De essentie en doel van onze samenleving is om als gemeenschap van mensen elkaar te ondersteunen in onze groei en ontwikkeling en samen vorm te geven aan een maatschappij die dit optimaal mogelijk maakt.

 

Uit de voorafgaande hoofdstukken blijkt dat we daar niet mee bezig zijn. We zijn verdwaalt in een manier van leven die niet gericht is op persoonlijke groei en ontwikkeling, op zaken die we scharen onder het begrip ‘welzijn’ dat we kunnen omschrijven als een gevoel van welbevinden dat we hebben  als het ons zowel lichamelijk, geestelijk als sociaal goed gaat, wat door sommigen ook wel wordt beschreven als geluk. En gelukkig worden we alleen door het vervullen van twee basisbehoeften die de Amerikaanse klinische psycholoog Abraham Maslow (1908-1970) formuleerde:

 

1. Behoefte aan zelfverwerkelijking of zelfactualisatie.

Dit is de behoefte aan persoonlijke groei en ontwikkeling, aan het maximaal ontwikkelen van onze talenten.


2. De behoefte aan zelftranscendentie.

Deze behoefte gaat in de kern over uitstijgen boven onszelf en heeft betrekking op datgene wat groter is dan wijzelf. Dat kan een scala aan dingen zijn: de mensheid, de natuur, het universum of het goddelijke. Zelftranscendentie staat voor het spirituele en nobele deel van de menselijke natuur. Het ontwikkelen van ons volledige potentieel heeft als doel een belangrijke bijdrage aan de wereld te leveren. Zelftranscendentie is onbaatzuchtig en gericht op de zorg voor anderen of de planeet. ‘Wat kan ik aan het leven geven’ en ‘Wat verwacht het leven van mij’ zijn transcendente vragen.

 

Maslow noemde naast deze twee behoeften nog vier andere basisbehoeften:

 

1. Lichamelijke behoeften.

Deze behoeften houden verband met de lichamelijke processen die het goed functioneren van ons lichaam in stand houden. Hieronder vallen onder meer behoefte aan slaap, voedsel en drinken. Zonder de bevrediging van deze behoeften kunnen we niet of slechts gedeeltelijk functioneren.


2. Behoefte aan fysieke veiligheid en economische zekerheid.

Het bevredigen van deze behoeften zoeken we als mens in georganiseerde kleine of grote groepen, zoals het gezin, de buurt, de vereniging en het bedrijf, waarbij het gaat om het hebben van een huis, relaties, werk en inkomen. Een uitgebreid stelsel van sociale zekerheid kan ons hierbij helpen.


3. Behoefte aan sociaal contact.

Dit betreft de behoefte om ergens bij te horen, de behoefte aan vriendschap, sociale verbondenheid, liefde en positieve sociale relaties. We zoeken naar groepen waarmee we ons kunnen vereenzelvigen en waarvan we onderdeel uitmaken.


4. Behoefte aan waardering, erkenning en zelfrespect.

We streven naar eigenwaarde en zelfverzekerdheid én naar status, aanzien en respect binnen een groep. Deze groepen behoeften hangen met elkaar samen, beïnvloeden elkaar. We ontlenen namelijk eigenwaarde vaak aan aanzien en respect binnen een groep.

 

Alhoewel het vervullen van deze vier behoeftes essentieel zijn, maken ze ons niet gelukkig, het zijn alleen faciliteiten, voorzieningen en na te streven omstandigheden die ons in staat stellen dat te doen waarvan we echt gelukkig worden en waarvoor we hier op deze aarde zijn, namelijk om onze capaciteiten en talenten optimaal tot bloei te laten komen, waardoor we tevens in staat zijn een optimale bijdrage te leveren aan onze omgeving, aan onze behoeften aan zelftranscendentie.

 

Uit de vorige hoofdstukken blijkt dat wij als persoon, samenleving en maatschappij over het algemeen genomen niet gericht zijn op het vervullen van de twee belangrijkste basisbehoeften die ons gelukkig maken en maar deels op het vervullen van de vier basisbehoeften die hiervoor een voorwaarde zijn, maar dat we ons vooral richten op het bevredigen van onze lusten, onze genotzucht naar welvaart, succes en aanzien.

 

De filosoof Jean Jacques Rousseau schreef in de 18de eeuw:

 

‘Zolang luxe een volk beheerst, zal hebzucht haar harten regeren’.

 

En de filosoof Schopenhauer schreef in de 19de eeuw:

 

‘Rijkdom is als zeewater, hoe meer je ervan drinkt, hoe meer dorst je krijgt’.

 

Paul Verhaeghe geeft in zijn boek Onbehagen op pag. 266 de volgende beschrijving van de huidige situatie waarin we ons bevinden:

 

‘Onze maatschappij is geen samenleving en voelt niet als een thuis omdat ze dat ook niet is, ondanks alle materiële overvloed. Het dominante kapitalistische verhaal heeft ons gereduceerd tot elkaar beconcurrerende individuen zodat het ‘Beisichselbstsein’ nagenoeg onmogelijk geworden is, laat staan het ‘Beisichselbstsein im Anderen’. Deze reductie vond plaats op grond van politieke beslissingen en werd doorgevoerd middels klassieke maatschappelijke praktijken, zoals arbeidsorganisatie, onderwijs en media. Verandering zou eveneens middels deze praktijken worden bewerkstelligd, wat vraagt om politieke sturing.’

 

De essentie van leven is groei en ontwikkeling. Komen deze tot stilstand dan ontstaat een crisis. En als die niet tijdig wordt opgelost, gaat het steeds verder bergafwaarts en komt uiteindelijk de ondergang in zicht.

Het kapitalisme heeft ons als persoon en samenleving in haar greep gekregen en ons vervreemd van de essentie van het leven waardoor we in de huidige crisissen zijn beland. Maar het is nooit te laat als we een crisis zien als alarmsignaal om van koers te veranderen en die koers bepalen jij en ik en alle andere ikken. Wij bepalen met zijn allen hoe we met elkaar omgaan en een maatschappij vorm geven en inrichten die gericht is op groei en ontwikkeling naar betrokkenheid, gelijkheid en vrijheid.

Laten we onze verantwoordelijkheid hiervoor nemen. Laten we blijven geloven in de oerdrang van het leven, wat wil zeggen: geloven in de groei van onze persoonlijke potenties en in de noodzaak en de krachten van een intense verbondenheid met elkaar.

Laten we kritische vragen blijven stellen want we zijn van nature allemaal filosofen, mensen die op zoek zijn naar wijsheid.

 

‘Burgers moeten over zelfkennis beschikken die hen in staat stelt voorbij hun angsten de mogelijkheden te zien die de maatschappij hen biedt en zich deze nieuwe mogelijkheden toe te eigenen. Zelfreflectie maakt dat mogelijk: het individu kan uit zijn sociale rol stappen en  van een afstand zowel de samenleving als zichzelf bekijken en beoordelen.

Welke maatschappelijke eisen gaan in tegen het eigenbelang, maar dienen wel een hoger belang?

Welke individuele eisen gaan in tegen het algemeen belang, en dienen enkel mijn eigenbelang?

Welke maatschappelijke eisen gaan in tegen individuele én algemene belangen, en dienen slechts een kleine groep?’

 

Paul Verhaeghe, Onbehagen, pag. 265.



Het is gemakkelijk om kritiek te leveren op het kapitalisme als we aan die kritiek geen consequenties verbinden, als we onze eigen manier van denken en handelen niet kritisch onder de loep nemen en niet op zoek gaan naar alternatieven.

Ik ben me er dan ook van bewust dat er op het einde van dit boekje bij de lezer vragen opkomen als: ‘En wat nu?’ en ‘Wat zijn mogelijke alternatieven?’.

Ik heb me dan ook voorgenomen om op zoek te gaan naar alternatieven en de resultaten hiervan in een nieuw boekje vast te leggen. En die alternatieven blijken er na een korte zoektocht overal al te zijn, in hoofden van mensen, in boeken en in de alledaagse werkelijkheid. Mijn zoektocht naar hoe we als persoon en samenleving kunnen groeien en ons verder ontwikkelen, gaat gewoon verder.