Schreeuwers en rijken aan de macht

Schreeuwers en rijken aan de macht.



Inhoud.

 

Voorwoord.            

  1. Schreeuwers.
  2. Rijken.
  3. Waardoor wordt ons voelen, denken en handelen bepaald? 
  4. De invloed van de cultuur van het  kapitalisme op ons denken en handelen. 


- De tekst van hoofdstuk 3 werd al eerder gepubliceerd in hoofdstuk 3 van het boekje ‘Wie of wat ben ik?’, onder de titel ‘Ik en mijn omgeving’.

- De tekst van hoofdstuk 4 werd al eerder gepubliceerd in paragraaf 5.2 van het boekje ‘Kapitalisme: de weg naar de ondergang’, onder de titel ‘Over hebzucht en jaloezie’.           


Voorwoord.

 

‘Schreeuwers en rijken aan de macht’: een nogal schreeuwerige tekst, vond ikzelf. Maar juist daarom koos ik hem uiteindelijk toch als titel van een zoektocht naar de juistheid en het waarom van mijn indruk dat met name mensen die met veel ophef hun mening uiten en mensen met veel geld, bezittingen of vermogen in hoge mate de koers van onze maatschappij bepalen. En die twee groepen blijken na een eerste voorlopige verkenning een kleine minderheid te vormen.

De onderzoeksvraag van dit boekje zou dan ook kunnen luiden: Is het juist dat twee kleine groepen mensen die respectievelijk met ophef hun mening uiten en veel geld, bezittingen of vermogen bezitten, in grote mate de koers van onze maatschappij bepalen en zo ja, hoe dat kan gebeuren, en wel vanuit de opvatting dat dit onwenselijk is, omdat de bestuursvorm ‘democratie’ die we in het Westen voorstaan niet mag inhouden dat een kleine minderheid in hoge mate de koers van de maatschappij bepaalt, maar dat ‘het volk heerst’. Immers ‘democratie’ is een afgeleide van het Oudgriekse woord ‘Dèmoskratein’, dat een combinatie is van de woorden: Dèmos (δῆμος), dat 'het volk' betekent, en Kratein (κρατεῖν) of kratos (κράτος), dat ‘regeren' of 'macht' betekent. Samen betekenen ze dat de macht bij de burgers van het land ligt.

 

In het boekje ‘De democratie in verval’ heb ik uitgebreid beschreven wat een goed functionerende democratie inhoudt en wat haar bedreigingen zijn.

In het boekje ‘Over de democratie en macht’ probeerde ik lessen te trekken uit de tijd van het ontstaan en de ondergang van de Griekse democratie ten behoeve van het functioneren van onze democratie.

De tekst van beide boekjes zijn te lezen onder ‘Boeken’ in het hoofdmenu van de website harriebielders.nl.

 

In dit boekje wordt specifiek de rol van schreeuwers en rijken binnen het functioneren van de democratie nader onderzocht.

Graag neem ik je mee op deze zoektocht.

1. Schreeuwers.

 

 







In het voorwoord zijn schreeuwers omschreven als mensen die met veel ophef hun mening uiten. ‘Met ophef’ wil zeggen dat mensen hun mening uiten op een luidruchtige, opgewonden en agressieve manier, met doorgaans agressieve en vijandige gebaren en ongenuanceerde beschuldigende en aanvallende kreten. Dit in tegenstelling tot mensen die hun mening voor of tegen iets uiten op een vreedzame manier, rustig en met overdachte kreten.

 

 

 












Boze, luidruchtige en agressieve mensen komen we zowel tegen bij demonstraties tegen azc’s en boerenacties, als op het internet en in de politiek op nationaal en internationaal niveau. Binnen dit boekje worden schreeuwende mensen binnen het niet politieke domein buiten beschouwing gelaten, omdat het gaat over de schreeuwers die invloed hebben op het democratisch proces.

 

Demonstraties zijn een wettelijke toegestane vorm van vrije meningsuiting, mits mensen zich houden aan de wettelijke randvoorwaarden.

Uit onderzoek van onder andere de Vrije Universiteit Amsterdam en de Inspectie Justitie en Veiligheid blijkt dat het aantal demonstraties in Nederland de afgelopen jaren met honderden procenten is toegenomen. Tussen 2017 en 2022 bedroeg deze stijging maar liefst 311%. De politie-inzet bij protesten groeide sinds 20217 met 84%.

 

Niet alleen is er een aanzienlijke toename van het aantal demonstraties, maar ook van het karakter ervan. Hierbij spelen onder andere de volgende aspecten een rol:

 

  • Thema's zoals het klimaat, immigratie en internationale conflicten zorgen voor vaker terugkerende acties vanuit gepolariseerde meningen.
  • Het is door digitale platformen veel makkelijker geworden om snel een grote groep mensen te mobiliseren.
  • Activisten kiezen vaker voor ontwrichtende of verstorende acties, zoals wegblokkades, bezettingen, vernielingen en het aanvallen van politie en hulpverleners.

 

Bij het veranderde karakter van demonstraties spelen naar mijn mening de processen van individualisering en dehiërarchisering een belangrijke rol, waarbij individualisering kan omschreven worden als het maatschappelijke proces waardoor mensen meer als individu dan als groep in de samenleving komen te staan en in toenemende mate zelf, individueel, bepalen hoe ze hun leven vormgeven.

 

Met individualisering is op zich niets mis, het is de noodzakelijke emancipatiebeweging van het individu. Wel is egoindividualisering als afwijkende vorm van individualisering een probleem. Het Latijnse woord ‘ego’ betekent letterlijk ‘ik’ en wordt in onze cultuur doorgaans gebruikt voor ons ‘kleine ik’ dat sterk op zichzelf is gericht en zich afgescheiden van de groep opstelt, zichzelf ‘opblaast’ en een zelfbeeld heeft dat niet met de werkelijkheid overeenkomt.

 

De egoindividualisering ofwel de negatieven, egoïstische, ik-gerichte kant van het individualisme kon en kan mede groeien binnen een cultuur die gedomineerd werd en wordt door het kapitalistische denken, dat het oerinstinct aanspreekt om ‘gezien te willen worden’.

Door de gerichtheid op het ik als gevolg van de toenamen van egoindividualisering komt ook de eigen mening steeds meer centraal te staan en stelt men zich minder open voor andere meningen en met name meningen die gericht zijn op het algemene belang, waarvoor de egoindividualist doorgaans geen of weinig oog heeft.

 

Dehiërarchisering kan omschreven worden als het proces waarin mensen de zeggenschap van mensen die binnen een ‘organisatie’ in hiërarchie hoger staan dan zij, steeds minder accepteren, alsook de wetten, voorschriften, normen en waarden waar we ons van ‘hogerhand’ aan moeten houden. Dat betekent onder andere dat mensen niet of te weinig beseffen dat de wetten, voorschriften, normen en waarden waar we ons van ‘hogerhand’ aan moeten houden, binnen onze democratie zijn opgesteld om ervoor te zorgen dat we met onze manier van denken en handelen onszelf en anderen niet schaden en dat, als dat het geval is, er corrigerend kan worden opgetreden. Hoe zou onze maatschappij eruitzien als we geen verkeersregels hadden, geen wetten om wangedrag en criminaliteit aan te pakken, geen wetten waaraan producten moeten voldoen.

 

Dehiërarchisering is, gezien haar bovengenoemde definitie, een negatieve ontwikkeling. Dit houdt echter niet in dat we niet kritisch moeten zijn op bestaande hiërarchische structuren, zoals bureaucratische procedures waarbinnen de menselijke maat en waarden niet worden gerespecteerd. Ook is en blijft een kritische houding noodzakelijk op het functioneren van mensen of groepen die hun taken niet naar behoren uitoefenen, wat inhoudt dat die niet gericht zijn op de positieve groei van mensen en de maatschappij. Deze kritische houding kan tot uitdrukking gebracht worden middels de grondwettelijke mogelijkheid van vrije meningsuiting in de vorm van demonstraties.

 

Uit onderzoek blijkt ook dat de meeste demonstaties in de praktijk ‘tegen’ iets zijn, wat te verklaren is door het gegeven dat mensen makkelijker in beweging komen uit boosheid of onvrede over een besluit, beleid of maatschappelijke misstand, dan dat ze de straat op gaan om ergens vóór te pleiten. Onvrede en boosheid zijn sterkere drijfveren om in actie te komen dan gevoelens om bepaalde ziens- of handelwijzen te steunen.

Het willen stoppen van een maatregel of toestand is een concreter doel dan pleiten voor iets dat gewenst is en er dus nog niet is. Iets waar we tegen zijn, is concreet aanwezig, terwijl iets dat we wensen nog niet concreet aanwezig is, nog gerealiseerd moet worden.

 

Hierboven worden demonstaties genoemd als middel om onze gevoelens voor- of tegen iets te uiten, maar het is goed om te vermelden dat demonstraties tegen iets maar één van de vele vormen van protest zijn om ontevredenheid of verzet tegen iets te uiten. Elke demonstatie kan een vorm van protest zijn, maar niet elk protest is een demonstratie.

Een protest is de inhoudelijke reactie van een gevoel van afkeuring of verzet en kan op vele manieren vorm krijgen. Zo kunnen we de persoon of instantie rechtstreeks aanspreken, online of per brief. We kunnen staken of op subtiele manieren ons protest laten blijken door gewoon te zwijgen of andere houdingen van verzet en afkeuring. Protesten hebben geen vaste vorm of een plek.

Demonstraties daarentegen zijn fysieke bijeenkomsten van twee of meer mensen in de openbare ruimte in de vorm van een mars, een sit-in of een stilstaande betoging op straat. Demonstraties zijn volgens artikel 9 van de grondwet een grondrecht met specifieke regels voor de openbare orde.

 

In het voorafgaande werd vermeld dat de meeste demonstraties ‘tegendemonstraties’ zijn. Hierbij moet worden aangetekend dat demonstaties die vóór iets zijn en veranderingen of nieuwe rechten vragen, zoals klimaatmaatregelingen, betere arbeidsvoorwaarden of gelijke rechten, doorgaans ook ergens tegen zijn. Een demonstratie vóór klimaatverandering is ook een protest tegen fossiele brandstof of inactief overheidsbeleid.

 

Deze dubbele lading die demonstraties kunnen hebben, heeft alles te maken met de inhoud van het begrip vrijheid dat sinds de jaren zestig van de vorige eeuw centraal staat in het emancipatieproces van de mens als individu. Jongeren verzetten zich toen tegen een aantal van boven opgelegde regels en voorschriften van instituties zoals de Kerk, het gezin en overheidsinstanties. Ze voelden zich erdoor onderdrukt, ingeperkt omdat ze het niet eens waren met de argumenten waarmee de voorschriften en regels werden onderbouwd. Ze wilden inspraak, gehoord worden in zaken die hen betroffen en streden daar in veel gevallen met succes voor. Tegenwoordig vragen we om vrijheid die vooral te maken heeft met kunnen denken, zeggen en doen wat we voelen of willen. ‘Recht hebben op’ wordt hiervoor vaak als argument gebruikt.

 

Vrijheid kan vanuit deze beschouwing dan ook gedefinieerd worden als:


  1. De afwezigheid van onredelijke beperkingen door anderen.
  2. De mogelijkheid om zelf te mogen bepalen op welke manier we ons leven inrichten.

 

De eerste ‘soort’ vrijheid kan worden bestempeld als negatieve vrijheid: hoe minder beperkingen door anderen of omstandigheden, hoe groter de vrijheid.

De tweede ‘soort’ vrijheid kan worden bestempeld als positieve vrijheid: hoe meer vrije keuze, hoe groter de vrijheid.

Positieve en negatieve vrijheid hangen samen. Positieve vrijheid is niet mogelijk wanneer negatieve vrijheid ontbreekt. Anderzijds is negatieve vrijheid weinig zinvol als positieve vrijheid niet nagestreefd kan worden. Hieruit kan de conclusie getrokken worden dat het streven naar vrijheid een optelsom is van het minimaliseren van beperkingen én het bewust worden van de eigen keuze, de eigen mogelijkheden. Vrijheid is dus vrij zijn van én vrij zijn voor.

 

Het bovenstaande is niet alleen een verklaring voor de dubbele laag van de voor- en tegenstand die in ‘voordemonstraties’ doorgaans aanwezig is, maar moet ook gezien worden als kritiek op ‘tegendemonstraties’ en andere vormen van protest die alleen maar ergens tegen zijn. Alleen een negatieve houding is geen goede basis om te werken aan echte vernieuwing, aan een nieuwe toekomst. Tegen zonder voor zorgt voor een negatieve energie en met negatieve energie bouw je geen positieve toekomst.

 

De stijging van het aantal en het karakter van demonstraties, waarvan het grootste gedeelte tegendemonstraties zijn, heeft naast de reeds genoemde aspecten van egoindividualisering en dehiërarchisering naar mijn mening ook te maken met ‘de verdedigende houding’ die in de welvarende westerse landen steeds meer te zien is. In deze landen is sinds de tweede wereldoorlog een hoog peil van welvaart opgebouwd, vaak mede door uitbuiting van gekolonialiseerde landen in andere delen van de wereld. Mensen zijn doorgaans geneigd om wat ze verworven hebben te verdedigen en dus verdedigen mensen in het westen hun welvaart vanuit het gevoel dat die van alle kanten wordt bedreigd. Immigratie, klimaatveranderingen en politieke opvattingen waarbij macht over het eigen land, streek of stad wordt overgedragen aan ‘hogere overheden’ ten behoeve van samenwerking in een wereld waarin alles met elkaar verweven is, worden dan ook als bedreigingen gezien. De noodzaak van samenwerking op nationaal en internationaal niveau en de noodzaak van immigratie voor het oplossen van de krimp en de vergrijzing van de bevolking wordt niet gezien omdat het onderbuikgevoel van bedreiging overheerst over een noodzakelijke rationele, nuchtere en realistische kijk op de werkelijkheid en de toekomst. Er ontbreekt betrokkenheid bij bevolkingsgroepen die onderdrukt worden of leven in erbarmelijke omstandigheden, die vaak het gevolg zijn van ons koloniale handelen, omdat bij onderbuikgevoelens vaak geen plek is voor solidariteit, voor broederschap.

 

In durf te stellen dat veel mensen in het Westen verwend zijn, het normaal vinden dat ze het goed hebben en geen oog hebben voor het feit dat het grootste gedeelte van de mensheid het veel minder goed heeft of zelfs slecht.

Het kenmerk van verwende mensen is dat zij verwachten dat hun behoeften direct en zonder veel eigen inspanning worden vervuld. Ze vinden het normaal dat anderen problemen voor hen oplossen, tonen weinig geduld bij tegenslagen en zijn vaak sterk egocentrisch.

In het algemeen kan dan ook gesteld worden dat verwende mensen de volgende kenmerken hebben:

 

  • Geen geduld: Willen alles meteen en kunnen slecht wachten of omgaan met uitstel.
  • Gevoel van rechtmatige aanspraak: Vinden dat ze ergens recht op hebben en dat de wereld om hen draait.
  • Moeite met tegenslag: Reageren buitenproportioneel boos, teleurgesteld of gefrustreerd bij een 'nee' of een kleine hindernis.
  • Gemakzucht: Verwachten dat anderen dingen voor hen regelen, betalen of opknappen.
  • Weinig empathie: Vinden het lastig om rekening te houden met de gevoelens of belangen van anderen.

 

Naast bovengenoemde maatschappelijke aspecten die ‘het schreeuwerige gedrag’ beïnvloeden, heeft ook een verandering in de energie van de kosmos hierop invloed. Astrologisch vindt er namelijk een opvallende verschuiving plaats: alle buitenste planeten bewegen de komende jaren door vuur- en luchttekens. Het element aarde wordt minder geactiveerd. Dat betekent dat stabiliteit, structuur en tastbare verankering minder vanzelfsprekend zijn.

Wanneer de kosmische configuratie (samenstelling) wijzigt, verandert de energie van het geheel. Het past het krachtenveld waarin alle systemen functioneren aan en daarmee ook de condities waarin wij leven, denken en voelen. En dat gebeurt in deze tijd.

Vuur gaat over wil en actie. Het initieert, besluit en zet aan tot beweging. Het wil vooruit, wil beginnen, wil iets neerzetten. Het geeft passie, kracht, enthousiasme, maar kan ook ongeduldig maken.

Lucht zit veel meer op denken en verbinden. Het verspreidt ideeën, versnelt communicatie en stimuleert analyse en debat. Het hoofd wordt actief.

Samen brengen deze elementen versnelling. Ideeën ontstaan sneller, discussies verharden sneller, initiatieven worden sneller gestart en de drang om snel te reageren en te handelen neemt toe.

Dat zien we terug in de wereld, niet alleen in de digitale revoluties, nieuwe denkmodellen en maatschappelijke verschuivingen, maar ook in ons minder gecontroleerd gedrag. Dat komt omdat ieder element ook een negatieve invloed kan hebben als het onvoldoende tegenwicht krijgt. We worden er als het ware door meegesleurd. Wanneer de elementen vuur en lucht dominant zijn, ontstaat het risico van ontworteling: veel visies, ideeën en plannen, weinig integratie, veel beweging, maar weinig verankering en grenzen.

Precies daarom is verbinding met de aarde en haar energie cruciaal: met beide voeten op de grond staan, letterlijk en figuurlijk. Dat helpt om bij onszelf te blijven en ons niet te veel laten meevoeren door de energie van lucht en vuur. Vuur en lucht vragen om aardse energie om de algehele balans niet te verstoren, om de energie die ons verbindt met de realiteit, met wat haalbaar is en rust, stabiliteit en nuchterheid geeft. Als dat het geval is, verdwijnt ons schreeuwerige gedrag en hoeven we naderhand niet meer te zeggen: ‘Sorry, zo had ik het niet bedoeld’ of ‘Sorry, maar ik had even geen controle meer over mezelf’.

 

Ondanks de stijging in het aantal protesten benadrukken onderzoekers dat dit niet automatisch betekent dat er ook meer geweld of chaos is. Het overgrote deel van de duizenden protesten verloopt vreedzaam. Maar wel wordt algemeen erkent dat mensen steeds schreeuweriger, feller en luidruchtiger worden. Onderzoeken door sociologen, psychologen en mediawetenschappers geven hiervan de volgende belangrijke redenen:

 

1. De logica van sociale media.

  • Algoritmes belonen emotie: Platforms promoten berichten die woede, verontwaardiging of extreme vreugde oproepen.
  • Aandachteconomie: Nuance krijgt weinig likes en extreme meningen scoren wel interactie.
  • Filterbubbels: Mensen horen online vaak alleen hun eigen gelijk, wat hen radicaler maakt in hun uitingen.

 

2. Maatschappelijke polarisatie en stress.

  • Verharding van het debat: Politieke en maatschappelijke discussies worden vaker gevoerd in 'wij-tegen-zij'-termen.
  • Opgestapelde crises: Grote onzekerheden, zoals klimaat, economie en geopolitieke spanningen, zorgen voor collectieve stress en een korter lontje.
  • Verlies van vertrouwen: Minder vertrouwen in overheden en instituten leidt tot frustratie die luidruchtig wordt geuit.

 

3. Psychologische factoren.

  • Het online ontremmings-effect: Achter een scherm voelen mensen minder sociale remmingen om te schelden of te schreeuwen.
  • De noodzaak om gezien te worden: In een overprikkelde wereld moeten mensen hard schreeuwen om nog op te vallen.
  • Emotionele besmetting: Als iedereen om je heen schreeuwt, neem je dat gedrag onbewust sneller over om gehoord te worden.

 

4. Verandering in traditionele media.

  • Sensatiezoekerij: Ook praatprogramma's en nieuwswebsites kiezen vaker voor felle confrontaties in plaats van rustige debatten, omdat dit betere kijkcijfers en clicks oplevert.

 

Er is geen exact statistisch percentage bekend van mensen die letterlijk hun mening ‘uitschreeuwen’, maar maatschappelijk en online onderzoek laat zien dat slechts een kleine minderheid van ongeveer 5% tot 10% van de bevolking zeer luidruchtig en extreem uitgesproken haar mening deelt. Hoewel deze groep in het publieke debat en op sociale media heel dominant aanwezig is, vertegenwoordigt zij niet de zwijgende meerderheid. Het waarom van die dominantie is te verklaren uit het volgende:

 

  • De 90-9-1 regel van sociale media: Binnen online gemeenschappen is de verdeling van activiteiten heel scheef. Ongeveer 90% van de mensen consumeert alleen en zijn ‘de stille lezers’, 9% draagt af en toe constructief bij, en slechts 1% is extreem actief en produceert het merendeel van alle content en felle reacties.
  • De invloed van algoritmes: Sociale mediaplatforms sturen aan op interactie: actie en reactie. Berichten die sterke emoties oproepen, zoals woede, verontwaardiging of extreme meningen, worden vaker getoond. Hierdoor lijkt het alsof heel Nederland zijn mening uitschreeuwt, terwijl dit in werkelijkheid een vertekend beeld is. In werkelijkheid deelt een luidruchtige minderheid vaak sterke meningen en maakt veel lawaai. Doordat ze zo luidruchtig zijn, denken mensen vaak dat hun groep veel groter is dan hij in werkelijkheid is.
  • De stille meerderheid: Onderzoek van onder andere het Sociaal en Cultureel Planbureau naar de stemming in het land laat consequent zien dat het overgrote deel van de Nederlanders zich juist zorgen maakt over de harde omgangsvormen en polarisatie. Veel mensen kiezen er bewust voor om hun mening niet hardop te ventileren om felle reacties of ruzie te voorkomen.

 

Kortom: het percentage mensen dat daadwerkelijk 'schreeuwt' is erg laag, maar hun zichtbaarheid is door de werking van internet en media gigantisch hoog.

 

Mensen die schreeuwen krijgen snel de aandacht omdat ons brein hard geluid en hoge frequenties automatisch ziet als een teken van gevaar of nood. Dit is een oeroude overlevingsreactie die te maken heeft de volgende Biologische en evolutionaire factoren:

 

  • Alarmrespons: Een schreeuw gebruikt een uniek geluidsbereik dat extra hard binnenkomt bij onze oren en direct actie eist.
  • Snelle prikkel: Onze hersenen slaan normaal gesproken roken ruis over, maar een luide stem activeert direct het emotionele deel van het brein: de amygdala.
  • Emotie-overdracht: Een schreeuw laat direct heftige emoties zien zoals angst, pijn of extreme boosheid, wat moeilijk te negeren is.

 

     Psychologische en sociale effecten:

  • Gedwongen luisteren: Mensen die schreeuwen doorbreken de rust, waardoor anderen verplicht op hen moeten letten.
  • Macht en controle: Soms gebruiken mensen schreeuwen om dominant te zijn en hun zin te krijgen.
  • Aandachttekort: Wie onzeker is of zich niet gehoord voelt, gaat soms harder praten om toch een reactie uit te lokken.

 

Schreeuwers hebben veel invloed op de politiek omdat zij de meeste media-aandacht trekken, ondanks hun  minderheid vormen, waarbij de volgende factoren een grote rol spelen:

 

     Medialogica en aandacht.

  • Conflict verkoopt: Media focussen op ophef en harde uitspraken voor betere kijkcijfers.
  • Algoritmes belonen emotie: Berichten met woede of verontwaardiging scoren beter op sociale media.
  • Korte fragmenten: Nuance past niet in korte video's of felle talkshowdiscussies.

 

     Politieke Dynamiek.

  • Angst voor zetelverlies: Politici reageren snel op luidruchtige groepen uit angst voor stemmenverlies.
  • Peilingendruk: De politiek reageert direct op kortstondige maatschappelijke ophef.
  • Profilering: Hard schreeuwen helpt politici om zelf op te vallen in de massa.

 

     Psychologie en Organisatie.

  • Zichtbare minderheid: Een kleine, luide groep lijkt groter dan de stille meerderheid.
  • Emotionele chantage: Extreme standpunten dwingen het debat naar de flanken.
  • Betere organisatie: Radicale groepen organiseren zich vaak sneller en feller via internet.

 

De stille meerderheid heeft vaak weinig invloed omdat zij niet georganiseerd is en haar stem niet actief of luidruchtig laat horen in het publieke debat. Als oorzaken van de weinige invloed van de ‘stille meerderheid’ zijn onder andere de volgende oorzaken aan te geven:

 

  • Gebrek aan organisatie: Er zijn geen vaste leiders, budgetten of structuren om standpunten te coördineren.
  • Luide minderheden: Actiegroepen en radicale stemmen zoeken bewust de media op en domineren de aandacht.
  • Media-algoritmen: Nieuwsmedia en sociale platformen belonen conflict, emotie en extreme meningen boven nuance.
  • Angst voor polarisatie: Gematigde burgers zwijgen vaak om felle onlinereacties of sociale uitsluiting te voorkomen.
  • Te vreedzaam: De meerderheid protesteert zelden hardhandig en verstoort de openbare orde niet om electorale druk uit te oefenen.
  • Tijdgebrek: Veel burgers zijn druk met werk en gezin, waardoor actievoeren geen prioriteit heeft.

 

De gevolgen hiervan voor de politiek zijn:


  • Vertekend beeld: Politici baseren beleid soms onterecht op de luidste schreeuwers in de samenleving.
  • Beleidsverlamming: Gematigde, breed gedragen compromissen sneeuwen onder in felle debatten.

 

De politiek kan de invloed van 'schreeuwers' terugdringen door de democratische rechtsorde te beschermen, het maatschappelijk debat te reguleren en de onderliggende onvrede aan te pakken en dus aandacht te geven aan de volgende aspecten:

 

     Wet- en regelgeving.

  • Handhaven van grenzen: Politici stellen wetten op tegen haatzaaien, discriminatie en intimidatie.
  • Reguleren van platforms: Overheden verplichten socialmediabedrijven om desinformatie en online haat sneller te verwijderen.
  • Partijverboden: Wetgeving maakt het mogelijk om antidemocratische groeperingen te verbieden als zij de rechtsstaat ondermijnen.

 

     Versterken van de democratie.

  • Burgerberaden: Politici betrekken stille burgers actief via gelote burgerpanels om polarisatie te omzeilen.
  • Transparantie: Openheid over beleid verkleint de ruimte voor complottheorieën en extremisten.
  • Educatie: Investeren in burgerschapsonderwijs leert jongeren kritisch omgaan met media en nepnieuws.

 

     Politieke cultuur en voorbeeldrol.

  • De-escalatie: Gematigde politici vermijden zelf populistische taal om het debat zakelijk te houden.
  • Samenwerking: Vormen van brede coalities isoleert extremistische partijen in de besluitvorming.
  • Problemen oplossen: Effectief beleid op dossiers zoals wonen en migratie neemt de voedingsbodem voor radicale stemmen weg.

 

De stille meerderheid kan haar invloed vergroten door structureel gebruik te maken van gerichte participatiemiddelen, digitale platformen en collectieve stemkracht door aandacht te schenken aan de volgende aspecten:

 

     Democratische en politieke kanalen.

  • Burgerpanels: Deelnemen aan door de overheid georganiseerde lotingspanels.
  • Petities: Het starten of tekenen van officiële burgerinitiatieven.
  • Stemgedrag: Actief stemmen tijdens lokale en landelijke verkiezingen.
  • Inspraakavonden: Fysiek of digitaal constructieve feedback geven aan gemeenten.

 

     Digitale en maatschappelijke platforms.

  • Civic tech: Gebruikmaken van apps zoals openbare peilingen of buurtplatforms.
  • Stille steun: Positieve en gematigde geluiden online liken en delen.
  • Consumentenkracht: Producten van ethische of maatschappelijk verantwoorde bedrijven kopen.
  • Media-input: Ingezonden brieven sturen naar kwaliteitskranten en redacties.

 

     Collectieve organisatie.

  • Belangenverenigingen: Lid worden van vakbonden, consumentenbonden of buurtcomités.
  • Netwerken: Gelijkgestemde, gematigde burgers verenigen rondom specifieke thema's.
  • Vrijwilligerswerk: Maatschappelijke impact maken via lokale non-profitorganisaties.

 

De media kunnen de invloed van schreeuwers terugdringen door feiten te controleren, constructieve debatten te organiseren en geen onnodig podium te bieden aan extremen door aandacht te geven aan:

 

     De poortwachtersfunctie en agendasetting.

  • Selectiever uitnodigen: Redacties laten minder vaak rabiate schreeuwers aan het woord voor de kijkcijfers.
  • Inhoud boven emotie: Journalisten bepalen de agenda op basis van maatschappelijk belang, niet op basis van ophef.
  • De-escalerend formuleren: Koppen en artikelen worden minder sensationeel ingestoken om polarisatie te voorkomen.

 

     Factchecking en waarheidsvinding.

  • Direct corrigeren: Journalisten weerleggen onjuiste claims van schreeuwers live tijdens uitzendingen of in artikelen.
  • Context bieden: Media plaatsen emotionele uitspraken in een breder, feitelijk en statistisch kader.
  • Desinformatie blootleggen: Onderzoeksjournalisten ontmaskeren de bewuste strategieën achter online geschreeuw.

 

     Constructieve journalistiek.

  • Verbindende formats: Talkshows en debatten focussen op oplossingen in plaats van harde confrontaties.
  • Stille meerderheid belichten: Media geven vaker een stem aan gematigde burgers en experts in plaats van de luidste minderheid.
  • Nuance opzoeken: Complexe dossiers worden in de diepte uitgelegd om zwart-witdenken tegen te gaan.

 

Schreeuwers de mond snoeren zal niet lukken, maar wel kan hun invloed worden teruggedrongen door bovengenoemde maatregelen van zowel de politiek, de media, de journalistiek als van de grote niet schreeuwende meerderheid van de bevolking. Laten we ons daarop richten en minder op het ondermijnende geschreeuw van de kleine groep schreeuwers.

 

Laten we proberen de democratie weer te laten functioneren zoals ze door de eeuwen is opgebouwd en wel als bestuursvorm met een constructie van instituties, regels, wetten en procedures met als doel om alle mensen die deel uitmaken van een staat of organisatie via vertegenwoordigers of directe besluitvorming de gelegenheid te bieden direct of indirect invloed uit de oefenen op het bestuur van de betreffende staat of organisatie, vanuit de opvatting dat mensen gelijk en vrij zijn en dat dit moet worden gewaarborgd door regels, wetten en instituties die ervoor te zorgen dat niemand zijn macht kan misbruiken om zichzelf te bevoordelen of mensen te benadelen of te onderdrukken.

2. Rijken.

 

‘RIjken’ wordt in de kader van dit boekje gedefinieerd als mensen, bedrijven of organisaties met een grote materiële rijkdom in vergelijking met de gemiddelde rijkdom in het Westen of de wereld en bestaat uit tastbare geld, bezittingen en/of vermogen.

Tegenover rijkdom staat armoede. Armoede is volgens de definitie van de Verenigde Naties het niet kunnen voorzien in de primaire levensbehoeftes die noodzakelijk zijn om een menswaardig bestaan te kunnen leiden. Primaire levensbehoeftes zijn schoon en drinkbaar water, voedsel, kleding, huisvesting en gezondheidszorg.

 

Rijk zijn bestrijkt een groot gebied van aspecten die bepalen of we rijk zijn of ons rijk voelen. We kunnen rijk zijn of ons rijk voelen omdat we relatief veel geld of bezit hebben, maar ook omdat we goede vrienden en familie hebben, ons gezond en goed voelen, op een geweldige plek wonen of gewoon gelukkig zijn. We spreken dan ook van materiële en immateriële rijkdom.  

 

Daarnaast is rijkdom net als ‘armoede’ een relatief begrip, omdat wat we als rijk of arm definiëren afhankelijk is wat de norm is waaraan we dat afmeten. Zo is de materiele armoede in de sloppenwijken in India niet te vergelijken met de materiële armoede in achterstandswijken in Nederland, terwijl er in beide gevallen sprake is van armoede, en behoort een Nederlander met een modaal inkomen van 42.000 euro bruto per jaar tot de rijkste 1,5 procent van de wereldbevolking, terwijl hij in Nederland niet tot de rijken wordt gerekend.

Hetzelfde geld voor immateriële armoede en rijkdom: ons arm of rijk voelen heeft alles te maken met de normen die we hierbij hanteren. Sommige mensen voelen zich met weinig gelukkig, anderen stellen hogere eisen aan de rijkdom van geluk of tevredenheid.

Een triest verhaal is het verhaal dat de eigenaar van het Fiat concern op hoge leeftijd vertelde en waarin hij aangaf dat hij alles had kunnen kopen wat hij wilde, maar dat hij nooit gelukkig geweest was in de liefde. Hij was materieel rijk, maar voelde zich immaterieel arm.

Dit verhaal laat het relatieve karakter zien van materiële rijkdom, dat wordt onderbouwd door de theorie van de klinisch psycholoog Maslow. Hij ziet een zekere materiele welvaart alleen als een voorwaarde voor het kunnen vervullen van hogere behoeftes, zoals verbondenheid met mensen, waardering van en respect voor anderen, zelfontplooiing en de verbinding met iets wat ‘hoger’ is dan jezelf, zijnde aspecten die ons echt gelukkig kunnen maken en dus echt succesvol in het leven. Het is dan ook zeer levensvervreemdend dat in onze cultuur materiele rijkdom wordt gezien als een zeer belangrijk teken van levensgeluk.

 

Uit onderzoek blijkt dat rijkdom het geluksgevoel verhoogt tot de basisbehoeften zijn vervuld en armoede verdwijnt: geen stress meer over rekeningen of eten kopen, meer controle over de eigen tijd en keuzes en een gevoel van veiligheid doordat er een buffer is bij nood of ziekte. Boven die drempel brengt extra geld nog maar heel weinig extra geluk. De psychologische impact van geld verschuift dan vaak naar gewenning en naar vergelijking van de eigen rijkdom met die van anderen en de daarmee samenhangende rijkdomconcurrentie en mindere empathie en oog voor de belangen en noden van anderen en de maatschappij vanuit een egoindividualistische manier van denken en handelen.

 

Deze rijkdomconcurrentie is duidelijk te zien bij een aantal superrijke techbazen die onderling strijden om wie het succesvolste is op zakelijk en financieel gebied en die maar weinig oog hebben voor de impact, relevantie van hun zakelijk handelen op individuen en de maatschappij. Ze hebben maar één doel: succesvoller worden dan de anderen. Ze etaleren hun rijkdom en succes onder andere in extravagante luxejachten, huizen en feesten. Maar zoals we al zagen, maakt rijkdom boven een bepaald niveau mensen niet meer gelukkig. Vaak integendeel: rijkdomconcurrentie levert extra prestatiedruk en stress op en angst om de verworven rijkdom te verliezen.

De filosoof Schopenhauer wees in de 19de eeuw op het verslavende karakter van rijkdom: 

 

‘Rijkdom is als zeewater, hoe meer je ervan drinkt, hoe meer dorst je krijgt.’

 

Grote materiële rijkdom is op zich geen probleem zo lang als het past binnen een evenwichtige verdeling van rijkdom tussen mensen en landen. Altijd is er binnen alle aspecten van de samenleving en aarde sprake van verschillen tussen heel weinig, weinig, veel en heel veel, wat behoort bij de dynamiek van het leven. Het wordt een probleem als het ‘te’ wordt, te weinig of te veel. Grote rijkdom wordt dan ook een probleem als de grootte van de rijkdom niet meer past binnen een evenwichtige verdeling van rijkdom tussen mensen en landen. ‘Te’ leidt altijd tot spanning omdat dan het evenwicht tussen natuurlijke en dus acceptabele verschillen in rijkdom verdwijnt. Spanning en het daaruit voortvloeiende verzet zijn natuurlijke reacties op te weinig of te veel. Het gedrag van chimpansees laat dit duidelijk zien.

Als een chimpanseeleider te tiranniek wordt, egoïstisch gedrag vertoont of weigert privileges te delen, vormt de groep coalities om hem hardhandig te corrigeren, af te zetten of in extreme gevallen te doden. Chimpanseepolitiek is democratischer dan vaak wordt gedacht; de macht van een leider leunt volledig op de steun en het vertrouwen van de rest van de groep.

 

Ook in onze maatschappij zorgden en zorgen grote verschillen in macht en rijkdom voortdurend voor maatschappelijke spanningen, zoals die onder andere markant zichtbaar werden tijdens de Franse Revolutie van 1789, waar bloederig werd afgerekend met de jarenlange overheersende macht en rijkdom van de Franse Koningen, adel en de Katholieke Kerk.

 

Te grote verschillen in rijkdom voelen niet alleen onrechtvaardig, maar leiden tot ongelijkheid en machtsverschillen. Misschien is het beter om te zeggen dat we te grote verschillen onrechtvaardig vinden omdat ze leiden tot ongelijkheid en machtsverschillen. Niemand wil de speelbal zijn van iemand. Van nature kunnen we er niet tegen als mensen zich boven ons stellen, omdat mensen van natuur respect willen. ‘Overheersend gedrag’ voelt als een aanval op de eigenwaarde, de basis voor een gezonde mentale gezondheid en levenshouding. We zijn namelijk sociale wezens die bij een groep willen horen en dat is alleen het geval als we gewaardeerd worden en het gevoel hebben als persoon belangrijk zijn voor de groep. En dat vraagt om een gezond zelfbeeld. ‘Ik kan en ben niks’ is dodelijk voor gezonde ontwikkeling als individu, groep en samenleving.

 

In het bovenstaande werd rijkdom gekoppeld aan macht omdat geld direct kan worden omgezet in macht:

 

  • Rijken bepalen via investeringen in hoge mate wat en waar geproduceerd wordt en dus onze economische structuur.
  • Zoals openlijk werd gedemonstreerd tijdens de verkiezingscampagne van Donald Trump kunnen rijken met grote geldstromen de koers van de politiek beïnvloeden.
  • Rijken kunnen door het bezit van kranten, zenders en platforms de publieke opinie sturen.
  • Ook beïnvloeden ze door het inhuren van experts, juristen en lobbyisten de totstandkoming van maatregelen, regels en wetten, zoals belasting op vermogen. Een groot deel van de bedrijven op de Zuidas in Amsterdam verdient haar geld door voor bedrijven allerlei bedrijfsconstructies en sluiproutes voor geldstromen te bedenken om zo weinig mogelijk belasting te betalen.

 

Rijken hebben en behouden deze macht door een goed doordachte structuur van samenwerken:

 

  • Rijke mensen vergroten en behouden hun rijkdom en macht door samen invloedrijke deals te sluiten buiten het zicht van de politiek en het publiek.
  • Ze steunen elkaar om hun positie te beschermen, hun vermogen te vergroten en kansen voor elkaar te creëren.
  • Binnen netwerken delen zij waardevolle economische en financiële informatie die niet openbaar is.
  • Posities, investeringen en deals worden vaak eerst binnen het eigen netwerk gegund.
  • Er is een sterk groepsgevoel; men begrijpt elkaars uitdagingen en levensstijl.
  • Omgaan met andere succesvolle mensen bevestigt en versterkt hun eigen sociale status.
  • Grote projecten of startups vereisen veel kapitaal; door samen te investeren spreiden zij het financiële risico.
  • De hulp die een rijke persoon vandaag aan een ander biedt, levert in de toekomst vaak een wederdienst op.
  • Mensen zoeken intuïtief contact met gelijkgestemden (homofilie). Binnen dezelfde sociale klasse ervaart men vaak sneller een basis van onderling vertrouwen.

 

Macht leidt gemakkelijk tot machtsmisbruik doordat personen of groepen hun eigen belangen centraal stellen in hun denken en handelen en vergeten dat machtsposities juist vanwege hun grote invloed op het functioneren van de maatschappij gericht zouden moeten zijn op het belang van de maatschappij, op het algemeen belang. Hele culturen zijn ten onder gegaan doordat machthebbers deze verantwoordelijkheid niet meer voelden en praktiseerden.

In het boek ‘Over democratie en macht’ heb ik uitvoerig de ondergang van de Stadstaat Athene en dus van de Griekse cultuur beschreven als gevolg van het gebruik van macht voor eigen belang, waardoor de Griekse samenleving uit elkaar viel en hun hoogstaande cultuur uiteindelijk ten onder ging.

 

Rijkdom die leidt tot machtsmisbruik roept uiteindelijk altijd spanningen en verzet op vanwege ongelijkheid van kansen en invloed, met als gevolg een ongelijke verdeling van welvaart en welzijn.

Gisteren werd op de televisie vermeld dat 1 op de 4 kinderen particuliere studiebegeleiding krijgen en dat die begeleiding ongeveer drie tot vierhonderd euro per maand kost. Terecht werd erop gewezen dat dit soort praktijken leidt tot de vergroting van de maatschappelijk ongelijkheid, omdat dat bedrag alleen door rijkere groepen mensen betaald kan worden. Het ‘standaard onderwijs’ zou zodanig moeten functioneren dat iedereen zonder extra kosten dit onderwijs zou moeten kunnen volgen.

Goed onderwijs is voor iedereen van groot belang om de complexe samenleving met al haar ingewikkelde samenhangen en processen enigszins te kunnen begrijpen en er een weg in te vinden. Niet alleen armoede qua geld, maar ook armoede qua opleiding belemmert mensen om zich te kunnen ontwikkelen, om hun dromen waar te maken.

Ongelijkheid van kansen is niet alleen nadelig voor individuen maar ook voor de economie als geheel. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, OESO, een internationale organisatie waarin 38 landen samenwerken om sociaal en economisch beleid te bespreken, berekende dat de economische groei van landen, zoals o.a. Mexico met 10% was gekrompen door een groeiende ongelijkheid door gebrekkig onderwijs.

 

Kansenongelijkheid leidt tot minder kansen op de arbeidsmarkt en dus tot minder welvaart, met als gevolg, zoals blijkt uit onderzoek, dat mensen met minder geld gemiddeld een korter aantal jaren in goede gezondheid leven door slechtere leefomstandigheden en stress.

Tijdens de zomer van 2026 met 5 hittegolven woonden veel mensen met minder geld in slecht geïsoleerde woningen en hadden niet het geld om een airco of andere hitteverminderende maatregels te nemen.

Hetzelfde geldt voor energiemaatregelen die nodig zijn om de hoge energierekeningen naar beneden te brengen. Rijken hebben geld om hun huis te verduurzamen, eigen energie op te wekken of een elektrische auto te kopen en profiteren daarbij ook nog van de subsidies die daarvoor worden gegeven.

Ook de toegang tot de gezondheidszorg en gezonde voeding is voor de mensen met minder geld moeilijker. Gezonde voedingsproducten zijn duurder en goedkope kleding en spullen zijn doorgaans geproduceerd onder slechte arbeidsomstandigheden en vervuilend, waardoor mensen ook geen bijdrage kunnen leveren aan deze grote maatschappijen problemen.

Dit alles maakt machteloos en leidt tot gevoelens van oneerlijkheid, zich niet gehoord voelen en het verlies van vertrouwen in de politiek omdat die er niet voor hen is. Dit gevoel wordt versterkt doordat ze zien dat de politiek wel luistert naar rijke mensen en grote bedrijven die via lobbywerk hun belangen voortdurend bepleiten en doordat belastingsystemen in het voordeel werken van vermogende mensen en bedrijven, waardoor de kloof tussen armen en rijken in stand wordt gehouden. Het verschil van macht en dus invloed ondermijnt de democratie.

 

Een zekere vorm van welvaart is, zoals we eerder zagen, een voorwaarde voor welzijn. Geld biedt mogelijkheden tot goede manieren van wonen, voeding, ontspanning en persoonlijke groei en ontwikkeling, wat de essentie is van leven. Helaas zijn er grote welvaartsverschillen zowel op landelijk als wereldniveau, zoals blijkt uit onderstaande gegevens:

 

  • De rijkste 10% van de wereldbevolking ontvangt meer dan de helft van alle inkomens, terwijl de armste helft van de mensheid minder dan 10% moet delen.
  • Nog extremer is het vermogensverschil: de top 10% bezit driekwart van al het mondiale vermogen. Een kleine groep miljardairs en multimiljonairs bezit het grootste deel van de huizen, bedrijven en aandelen in de wereld.
  • De onderste helft van de wereldbevolking bezit samen slechts zo'n 2% van het totale vermogen.
  • Volgens data van de World Inequality Database groeit het vermogen van de absolute top en de miljonairs/miljardairs vele malen sneller dan het inkomen van de gemiddelde wereldburger.
  • Onderzoek van Oxfam Novib toont aan dat deze kleine toplaag van rijken meer vermogen in belastingparadijzen heeft gestald dan de armste helft van de gehele wereldbevolking tezamen bezit.
  • Omdat rijke multinationals hun winsten wegsluizen via belastingparadijzen, lopen arme landen minsten 100 miljard euro aan belastinginkomsten mis.

 

Een groot deel van de mondiale ongelijkheid komt door het verschil in welvaart tussen rijke westerse landen en ontwikkelingslanden. Maar ook groeit de ongelijkheid binnen landen zelf. Zowel in opkomende economieën als in westerse landen, zoals de Verenigde Staten en delen van Europa, is de kloof tussen arm en rijk de afgelopen decennia groter geworden.

 

Als we binnen Nederland kijken zien we enerzijds dat de inkomstenverschillen relatief klein zijn vergeleken met de rest van de wereld en onder het Europese gemiddelde liggen, maar zien we anderzijds dat de vermogensverschillen in Nederland erg groot zijn en behoren tot de grootste van de rijke landen in de wereld.

 

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek blijft de inkomensongelijkheid al sinds de jaren negentig stabiel. De inkomensongelijkheid wordt gemeten met de Gini-coëfficiënt en ligt rond de 0,29 à 0,30.

De Gini-coëfficiënt beweegt zich op een schaal van 0 tot 1. Een score van 0 betekent dat iedereen evenveel heeft. Een score van 1 betekent dat één persoon alles bezit. Een Ginicoëfficiënt van 0,30 wil dus zeggen dat er in Nederland sprake is van een relatief lage tot matige inkomensongelijkheid. Een belangrijke oorzaak hiervan is dat de belastingen en sociale uitkeringen, waaronder toeslagen, ervoor zorgen dat de verschillen in besteedbare inkomens veel kleiner zijn dan de verschillen in de reguliere inkomens.

 

Dat in tegenstelling tot de inkomstenverschillen de vermogensverschillen in Nederland erg groot zijn en behoren tot de grootste van de rijke landen ter wereld blijkt uit de volgende gegevens:

 

  • De rijkste 1% van de huishoudens bezit meer dan 20% tot zelfs bijna 30% van het totale privévermogen, terwijl een grote groep huishoudens weinig tot geen eigen vermogen of zelfs schulden heeft.
  • Ongeveer 12% van de huishoudens in Nederland heeft een negatief vermogen, wat wil zeggen meer schulden dan bezittingen, bijvoorbeeld door een studielening of consumptief krediet.
  • Een groot deel van de huishoudens, bouwt langzaam vermogen op door de aflossing van een eigen koopwoning of via de pensioenopbouw.
  • De rijkste 10 procent van de huishoudens in Nederland bezit samen bijna 1,5 biljoen euro aan vermogen. Volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek is dit goed voor 56 procent van het totale vermogen in Nederland.
  • De allerrijkste 1% bezit een kwart of meer van alle particuliere rijkdom in het land.

 

Als oorzaken van de vermogensongelijkheid zijn de volgende:

 

  • Eigen woning: Huiseigenaren profiteren al jaren van stijgende huizenprijzen en overwaarde, terwijl huurders vaak geen vermogen kunnen opbouwen.
  • Erfenissen: Steeds meer geld wordt overgedragen van oudere generaties op jongere, wat de verschillen bestendigt.
  • Belastingregels: Het Nederlandse belastingstelsel belast inkomen uit arbeid zwaarder dan inkomen uit vermogen en grote erfenissen of vastgoedconstructies.

 

Om de vermogensverschillen effectief te verkleinen, is het, gezien bovenstaande gegevens, nodig om gelijktijdig veranderingen aan te brengen in het fiscaal beleid, de huizenmarkt, kapitaalopbouw en onderwijs. De noodzakelijke ingrepen zullen weerstand oproepen omdat met name de weerstand van ‘de rijken’ groot zal zijn en deze groep, zoals we gezien hebben, veel invloed en macht heeft.

 

Hieronder staan, gezien het voorafgaande, de meest effectieve maatregelen, gecategoriseerd per beleidsterrein.

 

1. Fiscale maatregelen (Belastingen).

  • Hervormen van Box 3: Belast het werkelijke rendement op vermogen in plaats van een fictief rendement, zodat speculanten eerlijker bijdragen. Het door de overheid vastgestelde fictief rendement (forfaitair rendement) is voordelig voor zeer rijke beleggers wanneer hun daadwerkelijke winst op aandelen, vastgoed of ondernemingen hoger is dan het percentage dat de Belastingdienst wettelijk veronderstelt. Over de winst die boven dat fictieve percentage uitkomt, hoeven zij geen extra belasting te betalen.
  • Verhogen van erf- en schenkbelasting: Verhoog de tarieven op grote erfenissen om de overdracht van intergenerationele rijkdom af te remmen.
  • Invoeren van een progressieve vermogensbelasting: Introduceer een extra belastingtarief voor miljonairs en multimiljonairs bovenop de reguliere Box 3-vrijstelling.
  • Dichten van fiscale mazen: Voorkom wegsluizen van vermogen naar belastingparadijzen en andere schimmige vormen van belastingontduikingen.

 

2. Arbeid en Inkomen.

  • Doorschuiven van belasting op arbeid naar kapitaal: Verlaag de inkomstenbelasting voor werkenden en verhoog de lasten op bedrijfswinsten en dividenden.
  • Verhogen van het minimumloon: Zorg dat de onderkant van de arbeidsmarkt meer financiële ruimte krijgt om maandelijks te kunnen sparen.

 

3. Huizenmarkt en Wonen.

  • Afschaffen of afbouwen van de hypotheekrenteaftrek: Deze aftrek bevoordeelt historisch gezien vooral huishoudens met hogere hypotheken en hogere inkomens en kost de Nederlandse overheid jaarlijks ongeveer 9 tot 11 miljard euro aan misgelopen belastinginkomsten
  • Bouwen van betaalbare huizen: Verlaag de drempel tot vermogensopbouw via eigen woningbezit door het aanbod van sociale koop- en middenhuurwoningen drastisch te verhogen.

 

4. Brede welvaart en Kansengelijkheid.

  • Investeren in vroegkinderlijk onderwijs: Kwalitatief onderwijs in achterstandswijken verhoogt de verdiencapaciteit op de lange termijn, wat de basis legt voor latere vermogensopbouw.

 

5. Financiële educatie.

  • Integreer lessen over sparen, beleggen en schuldenbeheer in het schoolcurriculum om de 'financiële geletterdheid' van alle lagen van de bevolking te versterken.

 

*

 

De titel van dit boekje is ‘Schreeuwers en rijken aan de macht’. In het voorafgaande is hopelijk duidelijk geworden dat dit geen kreet is, maar de harde werkelijkheid. Ik heb geprobeerd aan te geven wat de achterliggende processen en structuren zijn die ten grondslag liggen aan deze ongewenste realiteit en wat de gevolgen zijn voor individuen, de maatschappij en de democratie. Het is goed om ons te realiseren dat processen en procedures worden ‘gemaakt’ door mensen, individuen. Dus als we fundamenteel iets willen veranderen aan deze ongewenste situatie zullen we op de eerste plaats moeten inzetten op het veranderen van ons denken en wel vanuit de filosofische gedachte van de Indiase jurist, politiek leider en sociaal hervormer Mahatma Gandhi:

 

Onze gedachten worden onze woorden,

onze woorden onze daden,

onze daden onze gewoontes,

onze gewoontes onze waarden en

onze waarden onze lotsbestemming.

 

Het veranderen van onze gedachten begint met het kritisch bekijken naar wat we denken en het herkennen en erkennen als onze manier van denken onjuist is, om vervolgens na te gaan hoe dat komt. Dat vereist het vergroten van onze zelfkennis, het leren zien hoe onze manier van voelen, denken en handelen tot stand komt, door welke persoonlijke en maatschappelijke omstandigheden, invloeden. Vervolgens is het nodig om te onderzoeken hoe we ons handelen kunnen veranderen en wel vanuit de gerichtheid op een gezonde positieve persoonlijke en maatschappelijke groei en ontwikkeling: het doel van alle leven.

 

Om uit de gevangenschap van de beschreven negatieve realiteit te geraken, is het ook nodig om nieuwe inspirerende verhalen te maken en te vertellen die vergezichten schilderen, verhalen die een uitkijk geven op een betere toekomst. Nieuwe verhalen moeten leiden tot nieuwe structuren en processen die ons helpen om ons voelen, denken en handelen te leiden in de richting van een gezamenlijk gekozen doel, waarin zowel het persoonlijk als het maatschappelijke belang van groei en ontwikkeling centraal staan in plaats van egoïstische belangen.  

 

In de volgende hoofdstukken zal aandacht besteed worden aan ‘de werelden’ die onze manier van voelen, denken en handelen in hoge mate bepalen en hoe we onze eigen weg kunnen vinden in deze werelden ondanks al hun belemmerende invloeden.

3. Waardoor wordt ons voelen, denken en handelen bepaald?

 

Leven is in essentie groei en ontwikkeling. We zijn als spiritueel wezen op deze aarde gekomen om onze groei en ontwikkeling hier voort te zetten en hebben ons daarom verbonden met een menselijk lichaam. Als spiritueel wezen hebben we in ons vooraardse leven en in eerdere aardse levens al een bepaalde ontwikkeling doorgemaakt. We komen dus niet blanco op deze aarde, we hebben dus al een bepaalde identiteit.

 

Daarnaast heeft ook ons lichaam waarin we incarneerden bepaalde kenmerken en eigenschappen die het heeft meegekregen van de ouders die het verwekt hebben. We hebben hun DNA en genen geërfd. Het DNA bevat codes waarin onze erfelijke eigenschappen zijn vastgelegd. Dit zijn de genen. Elk gen beschrijft de code van een kenmerk, die (mee)bepaalt hoe iemand er uit ziet of hoe iemands lichaam werkt.

Naast deze lichamelijke eigenschappen erven we van onze ouders en voorouders ook karaktereigenschappen, psychische kenmerken omdat die vastliggen in hun energieveld. Als persoon zijn we verbonden met onze ouders en voorouders, met hun geschiedenis.

Binnen een groot aantal culturen is het besef van deze verbondenheid met voorouders nog duidelijk aanwezig in rituelen en normen en waarden. In de westerse cultuur is het bewustzijn van deze verbondenheid veelal verdwenen. Wel wordt die zichtbaar in de zoektocht van kinderen naar een of beide ouders als ze deze niet kennen en in de zoektocht naar afstamming en familiegeschiedenissen.

 

We nemen niet alleen de kenmerken mee van het energieveld van onze ouders en via hen van onze voorouders, maar ons karakter wordt ook beïnvloed door het kosmische energieveld waarin we geboren worden en dat bepaald wordt door de stand van planeten op het moment van onze geboorte. We kennen allemaal de invloed van de maan op eb en vloed en die van de volle maan op bijvoorbeeld de emoties van overgevoelige personen. De invloed van de kosmische energie die behoort bij een bepaalde stand van de planeten is al eeuwen gebruikt binnen grote culturen en ook nu binnen de huidige serieuze astrologie.

 

Niet alleen onze vorige levens, de erfenissen van onze ouders en voorouders en de invloed van de kosmische energieconstellatie op het moment van onze geboorte bepalen wie we mede zijn, maar ook de cultuur waarin we opgroeien en leven, hun normen en waarden vastgelegd in geschreven en ongeschreven regels binnen opvoeding, onderwijs en het economische, politieke en maatschappelijke bestel.

 

Tenslotte bepalen wijzelf wie we zijn omdat we een vrije wil hebben om ons leven in weerwil van bovengenoemde beïnvloedingen vorm en zin te geven. Dit in tegenstelling tot dieren die leven vanuit hun instincten.

 

Zijn deze medebepalende factoren willekeurig of is er een bepaalde samenhang? Velen zullen ze ervaren als toevallige factoren waarmee je maar hebt te dealen. Ikzelf ben van mening dat wij ‘deze omstandigheden’ zelf hebben gekozen voordat we besloten als spiritueel wezen op deze aarde te komen om ons hier verder te ontwikkelen. Net zoals we bij het kiezen van onze toekomst een plan maken voor een bepaalde opleiding en omstandigheden waarin we het beste onze levensdoelen kunnen realiseren, deden we dat ook toen we doelen stelden voor ons leven op deze aarde. We kozen mensen en omstandigheden die ons dienstbaar zouden zijn op onze verdere weg van groei en ontwikkeling.

Voor een uitgebreide weergave van deze gedachtegang verwijs ik naar het boekje ‘Een trap van steen en wolken: De levensloop van de mens’. De tekst hiervan is te lezen op de website harriebielders.nl onder ‘Boeken’ in het hoofdmenu.

Omdat we hier op aarde zijn gekomen ons onszelf verder te ontwikkelen als een bewuste, vrije en betrokken persoon, is het op de eerste plaats nodig om ons bewust te worden wie we zijn, wat we hier willen realiseren en wat we wel en niet kunnen, want dan alleen kunnen we vrij zijn en ons niet laten meevoeren door wat anderen willen wie we moeten zijn en wat we moeten doen. En alleen dan kunnen we ons als autonoom wezen ontwikkelen en ons met anderen op een open en onafhankelijke manier verbinden.

 

Ons eerste fysieke zelfbeeld krijgen we door in de spiegel te kijken en ons lichaam te zien, ons uiterlijk, onze buitenkant. En omdat we op jonge leeftijd doorgaans nog niet genoeg zelfbewustzijn hebben en gevoel voor eigenwaarden en dat ook op latere leeftijd nog vaak het geval is, wordt ons oordeel over ons beeld dat we in de spiegel zien in grote mate bepaald door wat anderen letterlijke over ons uiterlijk zeggen of wat we in dagelijks beelden voorgeschoteld krijgen als mooi en nastrevenswaardig. En die beelden veranderen steeds, zoals alles wat onderhevig is aan voortdurend veranderende modetrends. We willen allemaal van nature graag gezien en gewaardeerd worden, erbij horen omdat we zowel als fysiek als zielenwezen groepswezens zijn.

Daarom maken we selfies, posten we die op Facebook, Snapchat en Instagram en houden we zorgvuldig het aantal reacties bij en keren we van een Romereis terug met 600 foto’s waarvan 593 van onszelf en 7 van Rome, zoals een leerkracht beeldend vertelde aan de klinisch psycholoog Paul Verhaeghe. Deze laatste verklaart dit gedrag als het gevolg van de mateloze zelfliefde van de adolescent die zich voortdurend afvraagt of hij wel goed genoeg, mooi genoeg is en of er wel iemand is die hem opmerkt.

 

De wijze waarop we naar onszelf kijken, hangt grotendeels af van de manier waarop anderen naar ons kijken.

De eerste ‘spiegel’ waarin we kijken zijn de ogen, het gezicht en de woorden van onze moeder. De kwaliteit van haar gezichtsuitdrukkingen, van de klank van haar woorden en van of ze wel of niet reageert op onze gevoelsuitingen zijn van grote invloed op onze ontwikkeling en ons gedrag als volwassen persoon. Ervaren we liefde en betrokkenheid in de manier van communicatie over en weer dan voelen we ons niet alleen geliefd en dus waardevol, maar kunnen we die op onze beurt later weer geven aan andere omdat we hun waarden en kracht en de manier van uiten ervaren hebben. Wat we niet hebben kunnen we niet geven.

Wanneer een kind geen reactie krijgt op gevoelsuitingen zoals honger of pijn of op de dingen die het doet, zal het op later leeftijd nauwelijks bewust weet hebben van zijn emoties en handelen. Ze zijn er dan wel, maar omdat ze nooit benoemd zijn, er geen worden aan gegeven zijn, worden ze nooit bewust. Dat is de verklaring waarom iemand bijvoorbeeld zegt dat hij niet boos is, terwijl hij dat in de ogen van anderen duidelijk wel is. Als je boosheid of die van een ander nooit als boosheid is benoemd, heb je die nooit als zodanig ervaren en ben je je er ook niet bewust van. Opvoeden is dan ook onder andere op een betrokken manier woorden geven aan emoties en gedragingen. Als je niet leert wat goed en slecht gedrag is, zul je het niet herkennen en erkennen en je er bewust van worden en zul je geen juist zelfbeeld krijgen.

Wat de ander ons vertelt en voorhoudt, geeft ons lichaam en gedrag betekenis, ten goede of ten kwade. We leren door de woorden en het gedrag van anderen. Zo krijgt ‘houden van’ voor ons inhoud door het gedrag dat we zien als iemand tegen ons zegt dat hij van ons houdt, of als je dat ziet en hoort bij anderen. Hetzelfde geldt voor het leren van het verschil tussen alledaagse zaken zoals het verschil tussen kloppende, stekende, tintelende, uitstralende en brandende pijn.

Onze ouders en andere opvoeders benoemen en geven beelden aan onze emoties en gedrag door hun reacties op onze emoties en gedrag, en wij nemen die over. Onze ouders doen dat vanuit hun cultuur en traditie en zo worden ook wij deel van die cultuur.

Al groeiend leren we zo ons lichaam en gedragingen kennen en denken we in eerste instantie dat alle mensen hiervan dezelfde beleving hebben, totdat we met andere ‘culturen’ of groepen in aanraking komen. Politieke, religieuze en streekgebonden culturen worden gevormd door gezamenlijke opvattingen en gedragingen.

Leefden mensen in vroegere tijden als groep min of gescheiden van elkaar en hadden hun opvattingen en gedragingen als basis dezelfde normen en waarden, door ons reisgedrag en het digitale tijdperk is dat steeds minder het geval, wat heel vaak tot verwarring leidt omdat ‘de spiegels’ en het woorden geven aan dingen verschillend en vaak zelfs tegenstrijdig zijn. Kijk bijvoorbeeld naar de cultuurverschillen in kleding en gedragsnormen voor vrouwen in de traditionele Islamitische cultuur en de westerse cultuur en kijk naar de stroom van uiteenlopende opvattingen waarmee we dagelijks via het internet in aanraking komen.

Het verschil tussen vroeger en nu is dat onze cultuur was gebaseerd op religieuze en ideologische opvattingen en dat die opvattingen open, bewust en met onderbouwende argumenten werden doorgeven via opvoeding en onderwijs en dat er tegenwoordig vooral sprake is van een digitale en commerciële beïnvloeding die we onbewust ondergaan omdat argumenten ontbreken. Doorgaans liggen aan een groot deel van deze digitale beïnvloeding alleen eigenbelang ten grondslag en dat kun je natuurlijk niet als argument hanteren waarom we er zo moeten uitzien of iets moeten kopen of doen. Daarnaast is deze digitale stroom voortdurend aanwezig en verslavend omdat we ons mobieltje voortdurend bij de hand hebben, we voortdurend via geluidssignalen opmerkzaam worden gemaakt dat er weer een berichtje voor ons is en dat we al die berichtjes ervaren als aandacht. Al die berichtjes prikkelen niet ons kritische vermogen, ons zelfbewustzijn maar alleen onze instincten, onze basale behoefte aan aandacht en prikkels. Door de voortdurende stroom van prikkels van buiten komen we nooit tot rust en stilte. En echte rust en stilte zijn noodzakelijk om tot zelfreflectie, inzicht en bewustzijn te komen van wie we echt zijn, wat we doen en wat we echt zouden willen vanuit onze diepste dromen. Af en toe op enige afstand naar onszelf kijken, reflecteren over wat er allemaal in ons en om ons heen gebeurt en of we dat echt willen, vereist rust en stilte.

 

We hebben ons losgemaakt van de ideologisch en religieuze beïnvloedingen omdat we ons leven op onze eigen manier wilden vormgeven en daarvoor in de plaats is een nieuwe dictator in de plaats gekomen en dictators hebben alleen maar hun eigenbelang als doel en geen enkel belang bij bewustzijn en vrijheid. Kijk maar hoe Poetin zijn volk letterlijk afsluit van reëel en kritische informatie en valse beelden verspreidt van de werkelijkheid en van zijn echte doelen, namelijk macht.

 

Als we geen bewustzijn van onszelf ontwikkelen, ontwikkelen we geen vrijheid, geen echte betrokkenheid, geen eigen identiteit, geen echte persoonlijkheid en blijven we speelbal van onze omgeving, groeien we niet op een natuurlijke manier met alle gevolgen voor onze lichamelijke en geestelijke gezondheid van dien. We blijven een vreemde voor onszelf en dus ook voor anderen, en kunnen daarom geen echte positieve relaties aangaan.

 

We moeten volgens Paul Verhaeghe dringend gaan beseffen dat de oorzaken van ziekte en gezondheid in het merendeel van de gevallen niet zozeer in het lichaam zelf liggen, maar eerst en vooral in het psychosociale veld.

We zagen reeds de invloed op ons van de spiegeling in woorden en beelden. Daarnaast spelen natuurlijk ook gezonde voeding, een gezond milieu, het geven van ruimte aan de lichamelijke en psychische ontwikkeling, goede sociaaleconomische omstandigheden en een goede gezondheidszorg een belangrijke rol bij een gezonde groei en ontwikkeling van lichaam en geest. Bewezen is dat hoe meer van deze invloedsferen negatief zijn en stress opleveren, des te groter is de negatieve invloed op de groei en ontwikkeling en dus de kans op lichamelijke en psychische ziekten.

 

Wil dit zeggen dat we als individu volledig zijn overgeleverd aan onze sociaaleconomische omstandigheden?

De Amerikaanse psychologe Emmy Werner deed hier uitgebreid onderzoek naar. Ze volgden een groep van 700 kinderen op de leeftijd van 1, 2, 10, 18, 32 en 40 jaar waarvan er 200 werden geboren en opgroeiden onder abominabele omstandigheden. Twee op de drie kinderen van deze laatste groep vertoonden leerproblemen en gedragsstoornissen op tienjarige leeftijd en stonden op hun achttiende te boek als delinquent of psychiatrisch gestoord. Een minderheid, één op de drie, maakte echter een normale ontwikkeling door en groeide uit tot volwassenen zonder noemenswaardige problemen.

De oorzaak hiervan bleek een complex samenspel van factoren op het niveau van het individu, het gezin en de gemeenschap: het ontvangen van positieve reacties, een veilige hechting van minstens één iemand, een duidelijke structuur en rolmodel en het aanmoedigen van emotionele expressie voor jongens en het stimuleren van onafhankelijkheid en het krijgen van betrouwbare steun van een vrouwelijk familielid bij meisjes.

Op het niveau van de gemeenschap is een beslissende factor de mate waarin jongeren in tijden van crisis een beroep kunnen doen op hun leeftijdgenoten én op betrouwbare volwassenen die autoriteit hebben.

 

Het bovenstaande en Werners onderzoek tonen aan hoe belangrijk de samenhang is tussen biologische, psychologische en sociale aspecten. Onderzoek toont aan dat alleen focussen op een van deze aspecten, zoals dat vaak door de gespecialiseerde beroepsgroepen gebeurt, een verkeerde benadering is. Bij onderzoek van MS bleek dat MS-patiënten tien keer vaker een traumatische voorgeschiedenis hebben dan ‘gewone mensen’. Ook wijst onderzoek uit dat erfelijke factoren niet altijd bepalend zijn omdat omgevingsfactoren de werking van onze genen beïnvloeden en dus onze erfelijkheid kunnen beïnvloeden. Voor een goede benadering van onze fysieke en sociaal psychische groei en ontwikkeling is dan ook een holistische en-en benadering noodzakelijk wat een intensieve samenwerking vereist tussen verschillende groepen en disciplines.

 

Wat verder ook interessant is om te weten is dat onze inbeelding, dat wat iemand anders ons vertelt wat we kunnen verwachten in en van een bepaalde situatie, grote invloed heeft op ons welzijn.

Paul Verhaeghe bespreekt in zijn boek ‘Intimiteit’ uitvoering een voorbeeld hiervan, namelijk het placebo-effect. Het placebo-effect kennen we o.a. van de behandeling van een ziekteverschijnsel waarbij een patiënt een nepmedicijn krijgt waarvan de behandelaar zegt dat dit een bepaalde ziekte positief zal beïnvloeden, wat vervolgens ook vaak het geval blijkt te zijn. Zo werd aan de Harvard Universiteit onderzoek gedaan naar bedrog van de farmaceutische industrie met antidepressiva. De werking ervan bleek niet veel groter dan die van een placebopil, terwijl ze wel gevaarlijke neveneffecten hebben. Big Pharma hield die informatie achter. De conclusie van het onderzoek was dat hypnose, suggestie en neppillen eenzelfde effect hebben als antidepressiva maar zonder nare bijwerkingen. Inbeelding en verwachtingen veroorzaken daadwerkelijk veranderingen. En die inbeelding komt tot stand door iemand anders omdat hij ons doet geloven dat iets werkt. Het enthousiasme en de overtuiging van de behandelaar spelen dan ook een belangrijke rol.

Placebo’s blijken gunstige effecten te hebben in een groot aantal gevallen, variërend van prestatie in de sport, pijnklachten over prikkelbaredarmsyndroom tot de ziekte van Parkinson waarbij moet worden opgemerkt dat de placebo’s niet genezend zijn, maar bij de genoemde en andere aandoeningen wel een gunstig effect hebben op de symptomen. Het effect van placebo’s is nog raadselachtiger bij zogenaamde nepoperaties waarbij Finse chirurgen een groep patiënten met een gescheurde meniscus in twee groepen verdeelde. Eén groep onderging de klassieke operatie. Bij de tweede groep deden de chirurgen alsof ze het herstel uitvoerden. Beide operaties duurden daardoor even lang. Onbegrijpelijk maar waar: beide groepen genazen even snel.

 

Onderzocht werd eveneens of placebo’s werken als ‘patiënten’ weten dat ze een placebo krijgen? Aan een groep patiënten werd verteld dat placebo’s sterke effecten kunnen hebben, dat een positieve houding nodig is, maar niet noodzakelijk en dat ze de placebo zeer getrouw moeten innemen. Vervolgens werd de groep in tweeën gesplitst: een groep met een placebo die wist dat ze een placebo kregen en een groep die dat niet wist.

Beide groepen kregen dezelfde zorgzame begeleiding. Het resultaat was dat de groep die wist dat ze een placebo kregen, hoger scoorde in het verminderen van hun klachten dan de groep die dat niet wist.

 

Conclusie: het is niet het product of handeling die helpt en het is niet het bedrog dat helpt, maar het is de verhouding tussen de patiënt en de behandelaar die middels een niet-werkzaam product en toewijding, zorg, overtuigingskracht een verwachting creëert met reële effecten op het lichaam.

Dat het bij placebomiddelen of –handelingen over inbeelding gaat is zonder twijfel juist. Recent onderzoek maken de onderliggende processen hiervan duidelijk. Op grond van de verwachtingen gaat het lichaam bepaalde stoffen meer of juist minder aanmaken afhankelijk van wat nodig is om het zelfherstellend vermogen dat ons lichaam heeft te ondersteunen. Alle organisme, dus ook ons lichaam, hebben om te kunnen groeien en zich te ontwikkelen een zelfherstellend vermogen om bedreigingen die hun groei en ontwikkeling tegenhouden af te weren en eventuele negatieve gevolgen ervan te herstellen.

 

Als positieve verwachtingen positieve effecten kunnen veroorzaken, is het omgekeerde ook waar. We spreken dan niet van placebo’s maar van nocebo’s.

Omdat verwachtingen ‘besmettelijk’ zijn, dat wil zeggen gemakkelijk worden overgenomen, ontstaan groepen met positieve of negatieve verwachtingen met alle reële gevolgen van dien. En die groepen komen we op alle gebieden van onze maatschappij tegen, zoals in de corona-, en klimaatcrisis.

 

Wat het placebo-effect duidelijk maakt is dat de positieve verwachtingen een veld van positieve energie creëert dat letterlijke positieve invloed heeft voor het functioneren van organen zoals ons lichaam, wij als mens en maatschappij. Negatieve verwachtingen creëren een veld van negatieve energie dat letterlijk een afbrekende werking heeft op onszelf en onze omgeving.

Daarbij komt dat velden met een gelijke trilling elkaar versterken en aantrekken wat o.a. als gevolg heeft dat mensen van nature gelijkgestemden aantrekken en elkaar bevestigen in hun opvattingen of gevoelens, wat in geval van negativiteit geen goede zaak is.

 

Naast placebo kennen we een andere vorm van psychologische inbeelding die reële lichamelijke veranderingen veroorzaakt, namelijk conversie. Het verschil tussen placebo en conversie is dat bij placebo de verwachting grotendeels bewust verloopt, ingefluisterd wordt door een ander en dat het effect positief is. Bij conversie verloopt de inbeelding onbewust, de invloed van een ander is minder duidelijk en het effect is negatief zoals bij nocebo.

Van conversie is sprake als een onderdeel van het lichaam het niet meer doet, maar alle onderzoeken erop wijzen dat het gezond is. Iemand verliest zijn stem of kan een lichaamsdeel niet meer bewegen, terwijl er geen fysieke oorzaak voor is te vinden. Hedendaagse inzichten geven als oorzaak krachtige herinneringen die in het eerder besproken onderbewuste of onbewuste liggen opgeslagen en betrekking hebben op trauma’s en misbruik, vaak seksueel van aard, gebeurtenissen die we ons niet willen, kunnen of durven herinneren, niet meer tot ons bewustzijn durven toe te laten omdat ze te veel pijn en angst oproepen. Latere gebeurtenissen, vaak in combinatie met stress, kunnen deze gebeurtenissen als het ware weer wakker maken en doen herbeleven. We hebben traumatische gebeurtenissen en negatieve emoties zogenaamd ‘onder de mat geveegd’, weggestopt in de diepte van ons onder- of onbewuste, maar ze liggen daar niet rustig. Ze gaan gisten omdat ze niet verwerkt zijn en, om als metafoor het natuurlijk gistproces te gebruiken, er gaan zich gistbelletjes vormen die langzaam een grote gistbel vormen die naar boven kan komen door een trilling die veroorzaakt wordt door een vergelijkbare gebeurtenis. Dit proces kunnen we ook vergelijken met de druppel die op een gegeven moment de emmer doet overlopen. Bij het aan de oppervlakte komen van de bel ontstaat er dan een krachtige ontlading die door zijn kracht een ernstige ontregelingen in het lichaam en/of van onze psyché kunnen veroorzaken.

Omdat het onderliggende trauma niet bewust is, is de oorzaak van deze ontlading voor niemand duidelijk en vereist het definitief naar boven halen en het verwerken van het onderliggende trauma professionele hulp en begeleiding om de gistingsprocessen met hun negatieve gevolgen te stoppen.

Opgelopen trauma’s willen ‘verwerkt’, opgeruimd worden als onderdeel van een natuurlijk groei- en ontwikkelingsproces dat obstakels die op zijn weg komen, probeert uit de weg te ruimen, zoals ook het geval is bij een ziekte bij een mens of een harde grondlaag voor een plant.

 

Placebo en conversie laten zien dat verwachtingen die ons door een ander worden voorgehouden en traumatische ervaringen ons onbewust reëel kunnen beïnvloeden in negatieve en positieve zin.

In het geval van conversie heeft de patiënt geen weet meer van zijn traumatische voorgeschiedenis, nog van de bijbehorende emoties. Er is een gebrek aan afstemming tussen het bewuste ik en de pijnlijke indrukken, wat leidt tot dissociatie: het lukt iemand een bepaalde tijd niet om gebruik te maken van het bewustzijn met alle gedachten, gevoelens en herinneringen. Iemand staat als het ware los van zichzelf. Dissociatie betekent letterlijk 'uiteenvallen'. Een gebrekkige of ontbrekende afstemming ligt mede ten grondslag aan ziek worden. Als onderdelen binnen een geheel niet goed samenwerking treden er storingen op. Dit geldt voor ons lichaam, voor groepen en de hele wereld.

 

Verschillende onderzoeken leveren als oorzaak van lichamelijke en psychische verstoringen een gemeenschappelijke conclusie, namelijk dat:

 

  • Fysieke en psychisch stoornissen/ziektes worden bepaald door een niet goed functionerend samenspel van biologische, psychologische en sociale factoren.
  • Hoe minder we bewust ervaren wat er allemaal in ons omgaat, hoe minder we onze emoties, gevoelens een plaats kunnen geven en uiten.
  • Hoe minder we onze emoties kennen, herkennen en erkennen en/of deze niet kunnen uiten, des te groter is de kans op ziektes.
  • Het woord emotie komt van het Latijnse woord emovere, dat naar buiten brengen, in beweging zetten betekent. Als we emoties niet kunnen uiten gaan ze vastzitten, waardoor ze de natuurlijke levensprocessen verstoren, wat kan leiden tot ziektes.
  • De oorspronkelijke verhouding tussen een kind en de eerste ouderfiguur kan veilig en onveilig zijn. Een veilige basisverhouding heeft tot gevolg dat het kind vlotter toegang verwerft tot de buiten- en de binnenwereld, het gaat makkelijker op onderzoek en kan eigen emoties beter ervaren, benoemen en ermee omgaan.
  • Wanneer een kind regelmatig negatieve reacties krijgt van de ouders c.q. opvoeders op bepaalde emoties, dan zal het die emoties na korte tijd onderdrukken en uiteindelijk zelf niet meer toelaten in zijn bewustzijn. Hij voelt ze niet langer en kent ze niet meer. Ze zijn verdrongen, weggestopt in het onder- of onbewuste waardoor een gebrekkige afstemming op de gevoelswereld ontstaat, wat leidt tot een onjuist en laag zelfbeeld wat zowel de groei en ontwikkeling als persoon als als sociaal wezen belemmert.
  • We zijn rationele én gevoelswezens. Emoties zijn onze ervaringen van lichamelijke reacties op wat de omgeving met ons doet, maar ook vooral met ons gedaan heeft, omdat emoties vaak voortkomen uit onbewuste herinneringen. Zien we een hond of een bepaald iemand, dan worden onze reacties bepaald door eerdere ontmoetingen. Waren die bedreigend of verwarmend dan zal onze reactie daarop aansluiten. Dit verklaart waarom we onbewust overtuigingen hebben op grond van emoties zoals: honden zijn gevaarlijk en ik mag mijn kwaadheid niet laten zien omdat ik dan een pak slaag krijg, maar ook: als ik om hulp vraag, krijg ik die of als ik mijn best doe, wordt dat beloond.
  • De manier waarop ‘de omgeving’ met ons omgaat en de wijze waarop die ons toegang verleent tot onze gevoelswereld bepaalt de fysieke en psychologische gezondheid en mede of we bij voorbeeld introvert of extravert zijn en gesloten of open.
  • Als kind en volwassene kunnen we slechts weten wat we ervaren als iemand ons toelaat bewust te voelen wat er in ons omgaat en ons helpt daar woorden aan te geven, waardoor we onszelf beter leren kennen en leren omgaan met de veelheid aan signalen die ons lichaam ons geeft.

 

In het bovenstaande zijn een aantal situaties en factoren beschreven die tot ziektes kunnen leiden. De vraag is waardoor het komt dat dit het geval is. Waarom kan bijvoorbeeld het niet uiten van gevoelens leiden tot ziekte? Onderzoek heeft de sleutel gevonden en die sleutel heet ‘stress’.

Stress is spanning en hoeft niet altijd te leiden tot ziekte. We hebben altijd een beetje spanning nodig om goed te kunnen functioneren. Stress helpt ons lichaam namelijk om klaar te zijn voor actie door het hormoon adrenaline aan te maken waardoor ons hart sneller gaat kloppen, onze ademhalingsnelheid omhooggaat en onze spieren zich spannen. We zijn klaar om in actie te komen. En die actie kan betrekking hebben op iets wat we spannend vinden zoals een examen, een optreden of iets anders dat we als een uitdaging ervaren, maar kan ook ontstaan als reactie op bedreigende situaties die ons aanzetten om te vechten of te vluchten. Als het gevaar op korte termijn nog niet geweken is, maakt je lichaam ook nog cortisol aan, een ander stresshormoon dat je ‘paraat’ houdt.

Als stresssituaties van korte duur zijn en het lichaam zich kan herstellen door weer te ontspannen, tot rust te komen, is stress geen probleem, maar als stresssituaties te lang aanhouden leidt dat tot lichamelijke en psychische ziekteverschijnselen omdat een voortdurend hoog niveau van het stresshormoon cortisol ons afweersysteem, onze immuniteit negatief beïnvloedt. Hoe langer de spanningen voortdurend, des te groter is de kans dat deze leiden tot chronische (aanhoudende) stress, met als mogelijke symptomen: slecht slapen, prikkelbaarheid, gespannenheid, de neiging om je terug te trekken, verminderde eetlust of net meer zin in zoet, humeurigheid en vermoeidheid. We lopen dan meer kans op ontstekingen en infectieziektes en na langere tijd tot hart- en vaatziektes, burnout en depressies.

Een burn-out is het eindstadium van een langdurige periode van stress en (over)spanning. Hierdoor krijg je last van zowel lichamelijke als geestelijke uitputting. Je voelt je letterlijk ‘opgebrand’. Een burn-out is dus niet alleen een psychisch probleem, maar ook duidelijk te voelen in je lichaam.

Een depressie is een psychische aandoening die de gevoelens, gedachten en stemming van mensen raakt. Mensen die depressief zijn, zijn langdurige tijd somber en hebben vrijwel nergens zin in. Ze verliezen vaak interesse in de dingen om zich heen en kunnen niet echt meer genieten. Symptomen van een depressie zijn onder andere: minder eetlust en gewichtsverlies of juist toegenomen eetlust met gewichtstoename, regelmatig verstoorde nachtrust, slapeloosheid of juist heel veel slapen, rusteloosheid, agitatie of een geremd gevoel, vermoeidheid en verlies aan energie en een gevoel van waardeloosheid of een sterk schuldgevoel.

 

In een nog verder stadium van voortdurende stress kan het immuunsysteem in plaats van minder actief juist hyperactief worden met als mogelijke ernstig risico het ontstaan van auto-immuunziekte, waarbij het immuunsysteem eigen lichaamscellen gaat aanvallen, wat zelfs bepaalde vormen van kanker tot gevolg kan hebben.

In het voorafgaande is ook aandacht besteed aan het feit dat weggestopte trauma’s een rol spelen in het ontstaan van lichamelijke en psychische ziektes.

 

De conclusie die we hieruit kunnen trekken is duidelijk: langdurige blootstelling aan stressvolle omstandigheden maakt ons ziek en gaat van kwaad tot erger.

Het lichaam is en werkt als een holistisch systeem, waarin lichaam, geest en de psychosociale omgeving met elkaar verweven zijn en elkaar dus beïnvloeden. Lichaam, bewustzijn, omgeving en communicatie over en weer met anderen vormen een complex geheel dat onze gezondheid of ziekte bepaalt. Het is dan ook niet juist om ziekte alleen te verklaren als het gevolg van virussen of niet goed functionerende lichaamssystemen.

Machteld Huber, huisarts en onderzoeker bij het Louis Bolk Instituut in Driebergen, stelt dat gezondheid bepaald wordt door zes samenhangende factoren: lichaamsfuncties, ons mentale welbevinden, zingeving, kwaliteit van leven, sociaal maatschappelijk participeren en het dagelijks functioneren.

 

Terug naar stress. Het vervelende is dat we ons vaak niet bewust zijn van het feit dat we langdurig gestrest zijn en we er pas achter komen als we ziek worden, als ons lichaam en onze psyché de handdoek in de ring gooien en ons duidelijk maken dat het genoeg is, dat ze al de spanningen niet meer aankunnen.

 

Omdat stress niet alleen een negatieve kant heeft maar ook een positieve en wijzelf niet altijd de omstandigheden kunnen bepalen die tot stress leiden, is het belangrijk om inzicht te krijgen hoe we na een stressperiode of een stressmoment kunnen ontspannen, hoe we kunnen ontladen. Een blokje omlopen, ergens tegen aan schoppen of hard schreeuwen, zijn veel voorkomende manieren waarmee we vaak spanningen ontladen. Als we te veel stress hebben opgebouwd, kan deze zich ook plotseling ontladen door iets kleins dat de emmer doet overlopen. Deze plotselinge ontlading kan plaatsvinden in de vorm van een woedeaanval, een driftbui, schelden, gooien en smijten of een plotseling opkomende huilbui. Het is doorgaans iets onbenulligs wat deze plotselinge ontlading veroorzaakt. Daarom begrijpen wijzelf en omstanders doorgaans niet wat er aan de hand is omdat de oorzaak ligt in opgekropte spanningen in het verleden. Bovenstaande manieren van ontspannen of beter ontladen hebben als nadeel dat ze door onszelf en onze omgeving doorgaans niet als prettig worden ervaren. We verliezen onze controle en dat is doorgaans een taboe in onze huidige maatschappij.

Meer geaccepteerde en ‘zachtere’ vormen die spanning kunnen verminderen zijn bepaalde vormen van massage omdat spanningen letterlijk in ons lijf gaan vastzitten wat zich bijvoorbeeld uit in harde plekken in bepaalde spierbundels. Door spanningsplekken te masseren kunnen de opgeslagen spanningen als het ware ontsnappen. Ook wandelen in een rustige en natuurlijke omgeving, sporten, yoga en andere vormen van lichaamsbeweging kunnen ruimte geven aan spanningen om te ontsnappen, mits ze op een ontspannen manier gebeuren. Dit laatste met twintig uitroeptekens.

 

Ziekte en gezondheid hebben alles te maken met evenwicht tussen spanning en ontspanning zoals met het evenwicht tussen in- en uitademen, werken en rusten, wakker zijn en slapen, lawaai en stilte, betrokken zijn en afstand nemen, naar buiten en naar binnen gericht zijn.

 

Dit hoofdstuk ‘Hoe wordt ons voelen, denken en handelen bepaald?’ handelde over de verkenning van de invloeden van de omgeving op ons denken, voelen en handelen en de invloed hiervan op ons fysieke en psychisch functioneren, op onze gezondheid, op ons functioneren als organisme als een dynamisch samenspel van fysieke, psychische en sociale factoren.

Deze verkenning was naar mijn mening noodzakelijk om te onderzoeken wat dat betekent voor het handelen van ieder van ons om te midden van deze complexiteit van beïnvloedingen toch onze eigen weg te vinden om uit te kunnen groeien tot wie we diep in onszelf willen en kunnen zijn, want daarom zijn we hier op aarde gekomen: om als uniek personen verder te groeien en ons te ontwikkelen tot bewuste, vrije en betrokken mensen.

 

In het volgende hoofdstuk wordt aandacht besteed aan de invloeden van het kapitalistische systeem waarin we leven.

4. De invloed van de cultuur van het kapitalisme op ons denken en handelen.

 

In de eerste hoofdstukken zagen hoe onder andere egoindividualisering, dehiërarchisering en ongelijkheid in rijkdom, welvaart, kansen, macht en invloed onze democratie en dus het functioneren van onze maatschappij bedreigen, omdat ze ons als persoon en maatschappij verhinderen om te groeien en ons te ontwikkelen tot bewuste, vrije en betrokken mensen en dus tot een goed functionerende democratische gemeenschap.

De genoemde aspecten hebben niet alleen geleid tot negatieve manieren van denken en handelen, maar ook tot het huidige economisch systeem: een neoliberaal vrijemarktkapitalisme, waarin vrije handel en winst centraal staan als welvaartmotor van de maatschappij.

In het boekje ‘Kapitalisme: de weg naar de ondergang’ heb ik uitvoerig beschreven hoe dit systeem het functioneren van onze maatschappij ondergraaft omdat het leidt tot de eerder beschreven ongelijkheden. Doordat het neoliberale kapitalisme de nadruk legt op vrije handel, privatisering, deregulering en een zich terugtrekkende overheid, ontstaat een systeem en cultuur waarin egoïsme, hebzucht, ongezonde concurrentie en jaloezie alle kans krijgen, omdat het neoliberale kapitalisme egoïsme en hebzucht als de motor zien van de economie, met concurrentie en jaloezie als gevolg, terwijl egoïsme, hebzucht en jaloezie mensen alleen maar ongelukkig en eenzaam maken, zoals Scrooge in het kerstverhaal van Dickens.

 

De vraag is waar hebzucht en jaloezie vandaan komen en hoe we haar kunnen bestrijden in onszelf en de maatschappij.

 

Trainer/coach Jan Stevens definieert hebzucht als volgt:

 

  • Een drang naar altijd meer en nooit genoeg.
  • Een vorm van schraapzucht.
  • Een zucht naar geld, macht, aanzien of prestige.
  • Een vorm van inhaligheid die buitenproportionele vormen aanneemt.
  • Een begeerte en gretigheid naar bezit.
  • Materialisme ofwel de gehechtheid aan stoffelijk gewin, het streven naar materieel bezit en/of genot.

 

Jan Stevens vindt niet dat hebzucht een relatie heeft met onze persoonlijke behoeften maar een overmatige vervulling is van onze genotzucht.

Een behoefte is datgene wat je nodig hebt om te kunnen leven en waarin je dus moet voldoen. Hebzucht is het voorzien in een behoefte die je niet nodig hebt en waarvan je meent dat je niet de zonder kunt.

Hebzucht heeft dus niets te maken met het vervullen van onze behoeften. Hebzucht voorziet in het bevredigen van onze lusten of in onze genotzucht.

 

Hebzucht heeft net als alle verslaving doorgaans een dieperliggende oorzaak waarvan we ons doorgaans niet bewust zijn, zoals:

 

  • Een groot gevoel van ontevredenheid over onszelf, over wat we presteren of bereikt hebben en waarbij hebzucht als compensatie fungeert. Volgens psycholoog Selzer is hebzucht een verslaving aan wat we onszelf niet kunnen geven: waardering, een gevoel van succes, liefde. Aan de hand van een dure auto of een nieuwe jurk of een nieuw pak proberen we meer zelfvertrouwen te krijgen. Een illusie want een beter zelfbeeld krijgen we alleen als we onszelf waarde geven en aandacht aan hoe we zelf als uniek wezen kunnen groeien door onze eigen potenties te ontwikkelen, door oprecht aandacht te geven aan onze eigen persoonlijke behoeften en gevoelens.
  • Uit onderzoek onder Nederlanders en Amerikanen blijkt dat wie in rijkdom opgroeit, later de kans loopt hebzuchtig te worden. Waarschijnlijk komt het doordat die mensen in hun jeugd gewend raken aan een luxe levensstijl en het gemak daarvan. Kinderen die alles krijgen wat ze willen, worden later hebzuchtige mensen. Dit effect blijkt vooral sterk te zijn voor kinderen zonder broer of zussen, omdat ze die rijkdom dan niet hoeven te delen.
  • Een gebrek aan zingeving, aan verbondenheid, aan schoonheid, aan stilte en alleen zijn waarin we bij onszelf kunnen komen, bij onze dromen en passies. Als we deze zaken missen zoeken iets waarmee we die leegte kunnen vullen. Maar die leegte is niet te vullen met surrogaten. We kunnen ons helaas of gelukkig niet echt foppen, onszelf misleiden.

 

‘Ben je een impulsieve koper of hebt je een overvolle kledingkast? Vraag je af waar jouw hebzucht vandaan komt. Welke leegte probeer je te vullen? Een geborgenheid die je niet ontving als kind? Een liefde die niet beantwoord werd? Geen waardering voor dat wat je al hebt bereikt? Hoe kun je jezelf dit, nu, geven?

Wees alert voor smoesjes als: ik winkel veel omdat ik er goed moet uitzien op mijn werk. Of: ik moet altijd online zijn omdat ik ondernemer ben. Wat levert het winkelen of online zijn je daadwerkelijk op? Een opgejaagd gevoel en onvrede, of iets wezenlijks dat je echt gelukkig maakt en voldoening geeft?’

 

Bron:https://www.happinez.nl/mind-meditatie/hebzucht-verlangen-naar-rust

 

Uit onderzoek blijkt dat hebzuchtige mensen meer gevoelens van eenzaamheid ervaren en zich vaker ongelukkig voelen. Ze hebben kortere relaties. Van de ene kant komt dat doordat hebzucht ontevreden maakt, maar ook doordat anderen hebzuchtige mensen vaak als onaardig zien. Hebzucht heeft dus een behoorlijke invloed op het sociale leven van hebzuchtige mensen.

 

Ook de samenleving als geheel kan schade ondervinden van hebzuchtig gedrag. Er is een relatie aangetoond tussen hebzucht en immoreel gedrag. Hebzuchtige mensen reizen bijvoorbeeld vaker in het openbaar vervoer zonder te betalen, zijn niet eerlijk met hun belastingaangifte of gaan vaker vreemd. Er is ook onderzoek dat een relatie laat zien tussen hebzucht en corruptie.

 

Een beangstigend sociaalpsychologisch onderzoek kwam ik tegen in het boek ‘Onbehagen’ van Paul Verhaeghe op pagina 89 e.v.

Uit een groep personen werden lukraak een aantal mensen gekozen om een potje Monopoly te spelen. Ook op toevalsbasis werd aan een van spelers bij de start van het spel een aantal voordelen gegeven. Hij kreeg meer startgeld en kreeg een dubbele bonus als hij langs ‘start’ ging. Het is logisch dat deze speler al snel aan de winnende hand was.

Maar wat interessant of liever verontrustend was, is dat hij en al de anderen die in dezelfde situatie werden geplaatst, zich steeds agressiever gingen gedragen, medespelers belachelijk maakten en pochten met hun geld. Als ‘niveau riches’ werden ze hufters, en niet een klein beetje.

Als deze personen na het spel gevraagd worden over hun succes, wijzen ze op hun ingenieuze spelstrategie, hun juiste keuzes, enzovoort, maar niet op het feit dat ze met een ruime voorsprong mochten starten en onderweg ook nog eens extra bevoordeeld werden.

Dit onderzoek levert het bewijs dat zelfs toevallige en kortdurende omstandigheden verregaande effecten hebben op ons gedrag en op onze zelfreflectie: we worden hufters en we schrijven ons succes toe aan onszelf.

 

In een dure grote auto rijden kan snel een ander rijgedrag tot gevolg hebben. Een omgekeerde reactie zien we ook: bestuurders van gewone auto’s zijn niet bereid om dure auto’s voorrang te geven en zullen doorgaans vooruitlopen op het hufterige gedrag dat ze verwachten met als reactie: ‘Die laat ik er niet tussen, wat denkt hij wel!’

De kleren/auto’s maken de man. Iemand in een driedelig pak wordt doorgaans anders behandeld als iemand in sjofele kleren en hij gedraagt zich ook anders.

 

Wanneer iemand zich voortdurend in een geprivilegieerde positie bevindt, is de kans reëel dat hij een hufter wordt en blijft, tenzij hij een opvoeding krijgt die hem daarin corrigeert. Maar vaak ontbreekt deze corrigerende invloed.

 

Uit tal van onderzoeken onder sociale zoogdieren blijkt het afwijzen van onrechtvaardige ongelijkheid. Sociale zoogdieren hebben geen probleem met een billijke ongelijkheid. Wie meer bijdraagt aan het succes van de jacht heeft recht op een groter stuk, maar niet op een reusachtig groter stuk.

Hetzelfde geldt voor individuen die hoger in de hiërarchie staan, maar alleen als ze waken over en zich houden aan de rechtvaardigheid van de verdeling. Zoals we eerder zagen bij chimpansees, volgt een zware bestraffing als de groep ontdekt dat iemand zichzelf stiekem veel meer toe-eigent dan hij verdient.

In kleine gemeenschappen van primaten komt egoïstisch gedrag dan ook zelden voor. In een heel grote samenleving ligt het anders. De groep van twee procent superrijken in onze maatschappij blijft grotendeels onzichtbaar omdat ze weten dat te koop lopen met extravagante rijkdom geen goed idee is. Ze verstoppen zich dan ook vaak in minder toegankelijk plaatsen en gaan voornamelijk om met soortgenoten.

 

Op basis van het hierboven geschilderde gedrag van onze nauwste soortgenoten kunnen we voorspellen, zoals we al eerder vermelde, dat een te grote ongelijkheid in combinatie met een grote zichtbaarheid van enorme rijkdom een maatschappelijke onrust toe gevolg heeft, zoals we die zagen tijdens de Franse Revolutie. Willen we dit soort geweld voorkomen dan is het nodig dat ongelijkheid binnen de perken blijft, wat wil zeggen dat rijkdom in verhouding moeten staan met geleverde prestaties en dat we onze hebzucht beheersen. Aldus Paul Verhaeghe.

 

In zijn boek ‘Over hebzucht en begeerte’ schrijft de Duitse monnik Anselm Grün:

 

‘Verlangen naar bezit is eigenlijk een verlangen naar rust. Maar de paradox is dat we juist geen rust vinden omdat we bezeten worden door de begeerte naar meer.’

 

Volgens Grün komt onze hebzucht voort uit het feit dat we vergeten om in het nu te leven. We vergeten om te genieten van alles wat we al wél hebben en daar voldoening uit te halen, in plaats van onze voldoening steeds te zoeken in de toekomst.

Onze gedachten gaan constant uit naar de volgende gebeurtenis in de hoop dat die ons gelukkig maakt, zoals we tijdens het hoofdgerecht alweer uitkijken naar het toetje, zonder echt te proeven.

We zoeken geluk buiten onszelf, buiten het moment, in de toekomst. We verwachten dat nieuwe iPhone ons geluk brengt of het komende weekend en vakantie. Maar geluk zit en kunnen we alleen vinden in onszelf, in het realiseren van onze diepste dromen, in dat wat er in ons sluimert om te groeien.

 

Economisch psycholoog Karlijn Hoyer antwoord op de vraag ‘Heb je een tip voor mensen hoe ze minder hebzuchtig kunnen zijn?’:

 

‘Ik denk dat hebzucht te temperen is door bijvoorbeeld meditatie of mindfulness. Wie meer in het hier en nu leeft, zal minder verlangen naar wat hij nog niet heeft. Verder zijn er bekende methoden om meer tevreden te worden met wat je hebt. Bijvoorbeeld door elke dag in een boekje op te schrijven waar je die dag tevreden over was. Daarnaast kan je proberen je keuzes minder impulsief te maken. Maak een boodschappenlijstje als je naar de supermarkt gaat, zodat je niet met allerlei spullen thuiskomt die je niet nodig hebt. En als je online iets koopt, kun je met jezelf afspreken dat je iets tien dagen in je winkelmandje moet hebben, voordat je het koopt.’

  

De Griekse filosoof Plato zei al voor onze jaartelling:

 

‘Wie rijk wil zijn, moet niet zijn vermogen vermeerderen, maar zijn hebzucht verminderen.’

 

En Indiase jurist en politicus Mahatma Gandhi zei:

 

‘De aarde biedt voldoende om ieders behoeften te bevredigen, maar niet ieders hebzucht.’

 

Uit het bovenstaande blijkt wat er mis is met hebzucht. Ze gaat namelijk ten koste van onszelf en anderen.

Hebzucht is erop gericht om onszelf te bevoordelen, onszelf te profileren, ons op een hoger platform te plaatsen dan anderen, om anderen te laten zien hoe succesvol we zijn en onszelf te laten geloven dat we toch iets bereikt hebben. In feite is hebzucht een vorm van overheersen, van dominantie om onszelf niet open in de ogen te durven kijken en te onderzoeken wat er eigenlijk aan de hand is, waarom we zo denken en handelen.

 

In het woord hebzucht zit het woord ‘zucht’ met als bijvoeglijk naamwoord ‘zuchtig’ dat het hebben van een onbedwingbaar verlangen betekent, wat hebzucht als een verslaving betitelt. Dit betekent dat het moeilijk is om ervan af te komen en een drastisch afkicken noodzakelijk maakt. De strijd tegen de negatieve kapitalistische krachten is dus een strijd tegen een persoonlijke en maatschappelijke verslaving.

 

 

Jaloezie heeft alles te maken met hebzucht omdat jaloezie tot hebzucht kan leiden.

 

De Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804) definieerde jaloezie als:

 

‘Een onwil ons eigen welbevinden overschaduwd te zien worden door het welbevinden van anderen, omdat de standaard die we gebruiken om ons welbevinden aan af te meten niet intrinsiek is aan ons eigen gevoel, maar aan hoe het vergelijkt met wat we zien van anderen.’

 

Andere, wat makkelijker toegankelijke omschrijvingen zijn:

 

‘Jaloezie of ijverzucht is een gemoedstoestand of emotie waarbij men datgene wenst te krijgen wat een ander reeds heeft.’

 

‘Jaloers zijn betekent dat je bang bent dat je niet in je leven kunt krijgen of houden wat de ander op dat moment lijkt te ervaren of te hebben.’

 

‘Jaloers zijn betekent dat je je aangetrokken voelt tot de gloedvolle uitstraling van de ander, terwijl het je tegelijkertijd aan vertrouwen ontbreekt dat jij het ook in je hebt om op eigen wijze te schitteren.

Vanuit angst niet te kunnen krijgen waar je naar verlangt, ben je geneigd om de glans van de ander te willen controleren of bezitten. Alleen dan kan je je veilig voelen, zo lijkt het.’

 

De relatie tussen jaloezie en hebzucht is dat er altijd wel iemand is die ‘meer’ heeft van iets dat jij graag zou willen hebben aan materiële zaken, eigenschappen of relaties, waardoor er een voortdurende drang naar meer ontstaat. Bij rijke hebzuchtige mensen zie je dan ook dat het opgebouwde kapitaal, de woonhuizen, jachten en feesten steeds extravaganter worden om elkaar te overtreffen.

 

De Nederlandse journalist en antropoloog Joris Luyendijk ontdekte tijdens een onderzoek in het financiële hart van Londen dat het bij veel mensen op het einde van het jaar niet ging om de hoogte van de bonus, maar of hun bonus hoger was dan van collega’s.

Dit houdt in dat jaloezie een belangrijke drijfveer is in hun werk wat kan leiden tot gedrag dat alleen maar het eigen succes nastreeft en alle mogelijkheden zoekt om dit te bereiken. De verleiding om dit te bereiken door middel van ongeoorloofde praktijken is dan ook groot gezien de focus op het eigen succes. Er is dan ook, zoals eerder vermeld, een relatie tussen jaloezie, hebzucht en corruptie en andere vormen van misdaad.

 

De oorzaak van jaloezie kan net als bij hebzucht liggen aan het hebben van een negatief zelfbeeld, in ontevredenheid over ons eigen reilen en zeilen in het leven.

Socioloog & psycholoog Wendy van Mieghem schrijft hierover:

 

‘De wereld in je en de wereld buiten je spiegelen zich aan elkaar. Wanneer iemand straalt en waardering oogst voor het uitdrukken van haar kwaliteiten, kun je daar jaloers op worden. Het doet zeer om te zien hoe iemand anders wel in staat is om tot bloei te komen, terwijl je zelf voor je gevoel nog steeds worstelt met het leven en niet goed weet wat je ermee moet.

Jaloers zijn betekent dat je bang bent dat je niet in je leven kunt krijgen of houden wat de ander op dat moment lijkt te ervaren of te hebben.

Vaak raakt jaloezie ook ongeduld en wantrouwen in je aan. Je voelt afgunst en wilt NU hebben wat de ander heeft. Het liefst zou je het ter plekke willen opeisen of afdwingen. Tegelijkertijd voel je niet het vertrouwen dat je zelf in staat bent om uit je leven te halen wat je nodig hebt. Of weet je niet hoe je je eigen weg hiernaar toe kunt vinden.’

 

Als jaloezie haar basis heeft in een negatief zelfbeeld versterkt jaloezie dat alleen maar. Jaloers zijn kent dus een destructieve kant. Het wegstoppen van jaloerse gevoelens, van jezelf of een ander, is echter geen oplossing om destructie te voorkomen, maar werkt eerder averechts.

Zoals bij alle emoties ligt de oplossing bij het aandacht geven, het zoeken naar wat er achter de emotie van jaloezie ligt.

Blijkbaar raakt het geluk, de uitstraling of de expressie van de ander waarop je jaloers bent een diep verlangen in je! De uitnodiging die in jaloezie ligt, is even eenvoudig als lastig: luister naar jezelf en leer het verlangen dat onder jouw jaloezie ligt herkennen en verstaan. Op welk aspect van of in de ander voel je je jaloers? Hoe zou jij dit aspect in je leven geïntegreerd willen hebben? En welke stappen heb jij nodig om daar te komen? Aldus Wendy van Mieghem die hieraan toevoegt:

 

‘Er is geen enkele noodzaak om je te schamen voor jaloezie en hierdoor aspecten van je vrijheid te verliezen. Wat nodig is, is om de juiste houding te vinden van waaruit je je kunt verbinden met jezelf en met anderen. Jaloers zijn is een alarmbel die opstijgt vanuit de diepte van je menselijkheid om je te wijzen op een innerlijke parel die je negeert en verwaarloost. Dus ontdek wat je jaloers zijn zegt over JOU en vind jouw wijsheid achter jaloezie.’

 

 

Egoindividualisme, machtsmisbruik, hebzucht en jaloezie verwijderen ons, zoals alle verslavingen, van onszelf en van elkaar, van onze groei en ontwikkeling als persoon en samenleving. Ze ondermijnen onze lichamelijke en psychische gezondheid en het vrij en betrokken kunnen functioneren in de samenleving.

 

In het boek ‘Discipline is het doel: De kracht van zelfbeheersing’, schrijft de Amerikaanse filosoof Ryan Holiday het volgende:

 

‘Hoe kun je vrij zijn als je, zoals een verslavingsexpert het noemde, de vrijheid hebt verloren om je ergens van te onthouden?

We zeggen dat we autonomie nastreven, en toch geven we ons maar al te graag over aan gewoontes die tegen ons zeggen: het enige wat je nodig hebt, is meer van mij, dat we ongelukkig, hongerig en eenzaam zijn, pijn hebben en zwak zijn zonder ze.  Hoe bedroevend is dat?

 

De eerste stap, zei de Romeinse filosoof Seneca, is herkennen dat je afhankelijk bent van datgene waar je afhankelijk van bent. Daarna moet je afkicken, afkicken van wat de verslaving ook is. Het maakt niet uit of het maatschappelijke geaccepteerd is of niet. Waar het om gaat, is of het goed voor je is.

 

Gewoontes zijn sluipmoordenaars, langzaam en onzichtbaar. Waarom laten we ons dan commanderen door onze onderbuik of door dat apparaat dat op dit moment bijna vergroeid is met ons lichaam. Het lichaam kan niet de leiding hebben. Dat geldt ook voor onze gewoontes. Wíj moeten de baas zijn.’

 

*

 

Ik wil dit boekje eindigen met nogmaals de bekende woorden van Mahatma Gandhi aan te halen:

 

Onze gedachten worden onze woorden,

onze woorden onze daden,

onze daden onze gewoontes,

onze gewoontes onze waarden en

onze waarden onze lotsbestemming.

 

Moge deze woorden ons aanzetten tot en ons steunen in het kritisch kijken naar wat we denken, wat de effecten van onze daden en gewoontes zijn op onszelf en de maatschappij en welke waarden ons leven sturen, omdat deze onze persoonlijke en gemeenschappelijk toekomst bepalen, waar niet schreeuwers en rijken de koers horen te bepalen, maar bewuste, vrije en betrokken mensen.