Over katholieke kloosterordes

Over katholieke kloosterordes.

Op zoek naar vormen van spiritualiteit.


Inhoud.

 

  1. Kloosterervaringen.
  2. Het ontstaan van kloostergemeenschappen.
  3. De hiërarchie en functies binnen de Rooms Katholiek Kerk.
  4. De verschillen tussen Rooms-Katholieke kloosterordes en congregaties.
  5. Belangrijke kloosterorden.

               5.1 Benedictijnen.

               5.2 Cisterciënzers.

               5.3 Trappisten.

               5.4 Kartuizers.

               5.5 Franciscanen.

               5.6 Dominicanen.

               5.7 Augustijnen.

               5.8 Jezuïeten.

           6. Op zoek naar richtingaanwijzers.                  

      1. Kloosterervaringen.

       

      De afgelopen maanden heb ik me bezig gehouden met de vraag waarom de Katharen door de Katholieke Kerk in samenwerking met de adel werden uitgeroeid.

      De Katharen vormde een religieuze beweging die tijdens de 12de en de 13de eeuw veel aanhang kende in de huidige Franse Regio Occitanië. Tijdens de zoektocht naar een antwoord ontdekte ik dat zij geloofsopvattingen hadden die aansloten bij de opvattingen van de eerste volgelingen van Jezus waarin liefde en vrijheid centraal stonden en die ingingen tegen de eeuwenoude opvatting van ‘oog om oog, tand om tand’, zoals die onder andere te vinden waren in het Oude Testament. Jezus zei immers:

       

      ‘Gij hebt gehoord dat er is gezegd: oog om oog, tand om tand. Gij hebt gehoord dat er is gezegd: gij zult uw naasten liefhebben en uw vijanden haten. Maar ik zeg u: hebt uw vijanden lief.’

       

      Ook ontdekte ik hoe deze oorspronkelijke opvattingen werden vervormd door het machtstreven van Romeinse keizers, toen deze het oorspronkelijke christelijke geloof uitriepen tot staatsgodsdienst en de toenmalige kerkelijke leiders meesleurden in hun machts- en vijanddenken. Dit had tot gevolg dat de Katholieke Kerk een instituut werd dat macht uitoefende over mensen door hen dwingen te denken en zich te gedragen volgens de kerkelijke opvattingen en door zichzelf uit te roepen tot het enige instituut dat de mensen de weg kon wijzen naar de verlossing uit de zondige staat waarin ze, volgens de Kerk, door het eten van de appel van goed en kwaad door Adam en Eva waren terechtgekomen. De oorspronkelijk boodschap van Jezus van vrijheid en liefde veranderde door de machtscultuur van de Romeinse keizers in een machts- en veroveringsdenken en het bestrijden van mensen die afwijkende geloofsopvattingen hadden.

      Ook nam het instituut Kerk de luxe wijze van leven over van de Romeinen en vormden eeuwenlang samen met de adel de rijke machtselite binnen de westerse samenleving. De Frans Revolutie en de Protestanten waren enkele grote bewegingen die hiertegen in opstand kwamen. Dit veranderde helaas niet fundamenteel de cultuur van het instituut Kerk. Ook nu nog wordt de Kerk niet algemeen gekenmerkt door liefde/betrokkenheid en vrijheid, worden mensen die zich niet houden aan de kerkelijke geboden en voorschriften veroordeeld en/of buitengesloten en is er weinig soberheid en nederigheid te vinden die de Kerk zou moeten betrachten vanuit de boodschap van Jezus dat het in het leven niet gaat om macht en bezit, maar om het verwerven van bewustzijn, inzicht, liefde, betrokkenheid en vrijheid, zoals dat het streven was van de Katharen. Omdat dit streven echter het machtsdenken van de Kerk en de adel ondergroef, werden de Katharen bestreden en uiteindelijk volledig uitgeroeid.

      Ik legde de zoektocht naar het waarom van deze uitroeiing vast in het boekje ‘Over de Katharen, de Gnostiek en de teloorgang van het oorspronkelijke christelijke geloof’.

      In het laatste hoofdstuk van dit boekje schreef ik:

       

      ‘Ik ben geboren aan het einde van de tweede wereldoorlog en had het voorrecht te mogen leven in een tijd waarin de omslag plaatsvond van een strikte religieuze naar een meer seculiere, wereldlijke cultuur, van een cultuur waarin het leven werd bepaald door de opvattingen en regels van religies en instituties naar een cultuur waarin het individu inspraak eiste en de vrijheid kreeg om zijn leven zelf vorm te geven vanuit zijn persoonlijke aspiraties en capaciteiten. Vanuit die ervaring heb ik de tegenstellingen tussen het starre Kerkdenken en vrijheidscultuur die ontstond in de revolutionaire jaren zestig van de vorige eeuw aan den lijve mogen ondervinden en voelde ik me altijd sterk betrokken bij alle ‘strijdgroepen’ die zich verzetten tegen machtsdenken en -handelen en dus ook bij de strijd van de Katharen.’

       

      Ook schreef ik dat het wellicht vreemd klinkt dat, gezien de eerder beschreven negatieve cultuur van de Rooms Katholieke Kerk, ik me aangesproken voelde door de vrijheidscultuur, terwijl ik in een belangrijk deel van mijn jeugd was opgevoed en gevormd in katholieke kloosters, waar ik vanaf mijn 12de tot mijn 22ste levensjaar de priesteropleiding volgde aan het klein- en grootseminarie van een Rooms-Katholieke priesterorde.

      Maar de vernieuwende wind van de jaren zestig waaide ook tijdelijk in de Rooms Katholieke Kerk. De in 1958 gekozen Paus Johannes XXIII riep tot ieders verbazing het Tweede Vaticaanse Concilie bijeen.  Deze kerkvergadering van bisschoppen staat bekend als de kerkvergadering van het ‘aggiornamento’: ‘het bij de tijd brengen’ van de Katholieke Kerk. De gemoderniseerde Kerk diende een open kerk te zijn, een kerk die ‘de ramen openzette voor frisse lucht van buiten’.

      Het Vaticanum II vond plaats van 11 oktober 1962 tot 8 december 1965 en bracht een vernieuwde wind die ook doordrong in de kloosters waarin ik in 1956 als twaalfjarige aan mijn priesteropleiding was begonnen. Er werd daar veel aandacht besteed aan de persoonlijke ontwikkeling van de studenten, niet alleen door de brede gymnasiumopleiding, maar ook door de aanwezigheid van verschillende hobbyclubs, het zangkoor, de harmonie, de toneelclub, de carnavalsvereniging, discussiegroepen en verschillende sporten. Iedere student had een persoonlijke begeleider, waarbij je altijd terecht kon. Ook zeer vormend waren ‘rust, reinheid en regelmaat’, de drie R-en die toen algemeen golden als basiselementen van een goede opvoeding.

       

      Hoewel het dagelijkse leven zich tien jaar lang voornamelijk afspeelde binnen de kloostermuren, was er een grote openheid naar buiten. We werden opgevoed en opgeleid om in de wereld een rol te spelen als missionaris in verre landen of als zielzorger in de eigen omgeving.

      ‘Zielzorger’ werd niet op de eerste plaats gezien als ‘mensen bekeren tot het katholieke geloof’ maar vooral om mensen te helpen een goed en fatsoenlijk leven te leiden.

      Het zicht op deze taak kregen we door de vele verhalen en diapresentaties van missionarissen die regelmatig terugkwamen van hun missie in verre landen. Zo hadden we al vroeg beelden van anderen landen en culturen, van wat zich daar afspeelden en wat onze taak zou kunnen zijn. In de praktijk was dat veelal wat we nu ontwikkelingswerk noemen.

      Veel mensen waren in die tijd in hun dagelijks leven qua scholing en gezondheidszorg afhankelijk van instituties die bemenst werden door paters, broeders en zusters van religieuze ordes, werk dat na de secularisatie werd overgenomen door Ngo’s, niet-gouvernementele organisaties, onafhankelijke, non-profit instellingen zonder winstoogmerk die zich inzetten voor maatschappelijke belangen.

       

      Tijdens de twee jaren filosofie aan het grootseminarie nabij het Zuid-Belgische Tournai deden we onderzoek naar de maatschappelijke situaties in arbeidswijken en leerden we via de lessen ‘dialoog met het marxisme’ ons te verplaatsen in de marxistische denkwereld van vakbonden die in het sterk geïndustrialiseerde Wallonië een belangrijke rol speelden. We deden dit als voorbereiding op de mogelijkheid om als priesterarbeider mee te werken aan een menselijk bestaan van de arbeiders en aan een sociale samenleving.

      De priesteropleiding was mensgericht met als basis de christelijke deugden van onderlinge betrokkenheid, rechtvaardigheid en de visie dat we hier maar tijdelijk zijn met als taak te groeien in bewustzijn, liefde en vrijheid.

       

      Na tien jaar brak ik mijn priesterstudie af met als belangrijkste reden dat ik een celibatair leven niet zag zitten. Ik zag vanuit mijn kloosterraam verliefde paartjes door het park wandelen en wilde deze liefde niet missen. Het celibataire leven voelde voor mij als onnatuurlijk en voor velen met mij. Van onze groep van elf studenten die naar het grootseminarie gingen werd er maar één priester, met als belangrijke rede de verplichting tot een celibatair leven. Een groot deel ging na hun uittreding uit het klooster werken in de sociale sector.

       

      Hoewel ik afstand heb genomen van het instituut Kerk en van de opvattingen van de Rooms-Katholieke religie, heeft ‘de kloostersfeer’ me nooit verlaten. Ik loop nog steeds kerken binnen en proef er de rust en verstilling die me dan overvalt en me in mijn woelige puberteit gevormd heeft door ruimte te bieden voor reflectie en bewustwording. En veertig jaar nadat ik het klooster had verlaten, trok ik me na mijn pensionering en een druk leven terug in een klein plattelandsdorp in Frankrijk en noemde ons huis ‘Le petit cloître’: ‘Het kleine klooster’. 

      Ik genoot daar van de rust en stilte, het landelijke ritme van de jaargetijden, de heldere sterrenhemel, de natuurlijke geluiden en het trage verloop van het plattelandsleven. In die sfeer kwam ik weer tot mezelf en ontdekte wat me na mijn pensionering boeide om een zinvolle invulling te geven aan de laatste levensfase.

       

      Vanuit mijn positieve kloosterervaringen hebben kloosters altijd een bijzondere aantrekkingskracht behouden. Als ik door kloostergangen loop met hun bogen op zuilen rondom een open binnenplaats, ben ik terug in de ochtendstilte en de meditatieve wandelingen waarmee we de dag in het klooster begonnen.

      Vooral kloosters die ver van de bewoonde wereld werden gebouwd, in een verstillende natuurlijke omgeving, behoren tot mijn favorieten, zoals de abdij van Saint Martin du Canigou, die in 1001 gesticht werd door de graaf van Cerdagne en als een adelaarsnest op een duizend meter hoge rotspunt ligt in het hart van het Canigoumassief van de Pyreneeën.

      De abdij is alleen te voet te bereiken via een klim van 40 minuten vanuit het dorp Casteil. Je komt dan terecht in een oase van rust met een prachtig uitzicht over de bergen. 

      De abdij werd tot 1786 bewoond door Benedictijner monniken, waarna ze volledig in verval raakte. Na restauraties in het begin van de 20ste eeuw en tussen 1952 en 1982 wordt de abdij sinds 1988 bewoond door de Gemeenschap van Béatudes: een gemengde gemeenschap van leken, celibatairen, broeders en zusters die leven in de geest van de eerste christenen, met een focus op gebed en contemplatie. De gemeenschap is internationaal actief in zo'n 27 landen.

       

      Een andere afgelegen abdij die me dierbaar is en die ik meerdere malen hebt bezocht, is de abdij van Fontenay. Ze is gelegen in een rustige en afgelegen vallei in de gemeente Marmagne in het departement Saône et Loire van de Franse regio Bourgogne Franch Comté.

      Ze werd gebouwd tussen 1139 en 1147 als klooster voor Cisterciënzer monniken. Na de Franse Revolutie kwam de abdij leeg te staan en werd ze vanaf 1791 door de familie Montgolfier omgebouwd tot papierfabriek. In 1906 kocht de Lyonese bankier Edouard Aynard de abdij om ze haar middeleeuwse puurheid terug te geven. De gerestaureerde abdij wordt nog steeds door de familie Aynard beheert.

       

      Als ik de Romaanse kerk van de abdij binnenliep waar zachte gewijde muziek klinkt, overviel me iedere keer weer een intens gevoel van rust en vrede. Er was even geen ‘tijd’ meer en alles wat daarbij hoort aan gedachten en gevoelens over wat er was, is, zal zijn en moet. Ik voelde me opgetilt in een niet-aardse energie waarvan ik denk dat ik me die herinner van mijn verblijf in de buitenaardse wereld waar ik vandaan kwam toen ik bij mijn geboorte incarneerde in een menselijk lichaam. Het is een gevoel dat ik altijd omschrijf als ‘iets van eeuwigheid’. Dat gevoel overvalt me ook als bepaalde muziek me raakt. Muziek moet ‘daarboven’ ook geklonken hebben.

      En dan is er de Basiliek Sainte Marie Madeleine (Maria  Magdalena) in Vezelay in de Franse regio Bourgondië, op drie kwartier rijden vanaf het dorpje waar ik jarenlang woonde. Ik heb de basiliek zeer regelmatig bezocht. Ze is gelegen op een heuvel.

      De voettocht vanaf de voet van de heuvel door het middeleeuwse hoofdstraatje naar de op de top gelegen basiliek dwingt door de sfeer en de steilte tot rust, vooral in de seizoenen waarin er weinig toeristen zijn. En als je dan vanuit het smalle kronkelende straatje boven komt, staat daar op het grote plein de imposante basiliek, met haar prachtige gevel en enorme deuren die al eeuwen lang open gaan om pelgrims te ontvangen in het grote voorportaal, dat via een aantal grote deuren toegang geeft tot de eigenlijke kerk.

      Daar begint dan ‘de tocht van donker naar licht’, door het donkere romaanse schip naar het lichte vroeg-gotische koor. De spirituele ervaring van ‘donker naar licht’ was er bij elk bezoek.

       

      Zo zal ik me altijd de kerstavond blijven herinneren waarop we in de donkerte en de verlatenheid van het Bourgondische platteland op weg gingen naar de nachtmis in de basiliek. We waren vroeg op weg gegaan omdat we grote drukte verwachtten. Maar in het dorp was er niemand op straat, waardoor we dachten dat we ons vergist hadden in de tijd. De sfeer had iets onheilspellends en verwarrends en was tegenovergesteld aan wat we hadden gehoopt: een stoet van mensen die met blijde verwachting op weg waren naar een gebeuren dat ‘licht’ bracht. Voorzichtig gingen we het voorportaal van de kerk binnen en zagen tot onze opluchting dat daar toch een klein aantal mensen aanwezig waren. Er brande geen kunstlicht, maar de zusters van de Monastieke Gemeenschap van Jerusalem waren bezig om honderden theelichtjes op de balustrade van de hoger gelegen omloop te plaatsen. Tegen alle verwachting in stroomde rond kwart voor twaalf het voorportaal helemaal vol met mensen. Na een kort welkomstwoord kregen we allemaal een kaars en wandelden we in een lichtprocessie en in stilte de donkere kerk binnen die alleen verlicht werd door honderden theelichtjes. Na een korte inleiding ging plots de verlichting aan en kwam er letterlijk licht in de duisternis. Dat was een moment dat me diep raakte. Dat er plots licht schijnt in de duisternis blijft een wonderbaarlijke ervaring die bij mij, en ik denk bij ieder mens, een verblijdende reactie oproept. Donkere tijden doen ons verlangen naar licht. Donker voelt beklemmend, opgesloten, we zien niets, we verdwalen erin en erdoor. Donker staat voor het kwade, voor donkere krachten. Licht verruimt onze blik, we kunnen alles helder zien, het geeft energie en schept ruimte. Licht staat ook voor het goede dat het kwade overwint en voor het brengen van helderheid bij verwarrende gedachten en tijden.

       

      In de tijd rond 21 december vindt de zonnewende plaats, waarna de zon onze dagen elke dag weer wat langer zal verlichten, op weg naar de lente waarin alles weer gaat ontspruiten en bloeien. De zonnewende in december wordt daarom al eeuwenlang over de hele wereld en in vele culturen gevierd als een feest van het licht. Het Christendom heeft dat moment aangegrepen om de geboorte van Jezus te vieren die nieuw licht in de wereld bracht.

       

      Na de nachtmis kregen we warme chocomel en reden we met een ‘licht gemoed’ door de intense duisternis van het Franse platteland terug naar huis.

       

      Het feit dat ik na jaren nog schrijf over deze gebeurtenis, wil zeggen dat het me diep heeft geraakt, zonder precies uit te kunnen leggen waarom en hoe. Ze raakten, net als de beschreven ervaring in de abdijkerk van Fontenay, aan ‘iets van eeuwigheid’, aan een verscholen herinnering aan de niet materiele werkelijkheid die ik onbewust ken vanuit de tijd voor mijn geboorte en die me even wegtrok uit de materiele aardse wereld en onbewust raakte aan een herinnering aan en een verlangen naar iets wat het aardse overstijgt.

      Iedereen zal dat ‘wat’ een eigen invulling geven. Voor mij ligt er een gevoel van heimwee naar huis in verscholen. Ik ken het gevoel van heimwee maar al te goed. Ik had het jarenlang tijdens de eerste dagen na de vakantie als ik weer terugging naar het seminarie en een tijdlang niet naar huis mocht.

      Ik ben ervan overtuigd dat we maar tijdelijk op deze aarde zijn en wel om van alles te leren en dat onze ontwikkelingsweg hier niet eindigt, maar hierna verder gaat in niet materiele sferen waar we vandaan komen en die we ‘de hemel’ zijn gaan noemen.

      Naar mijn overtuiging is elk leven maar een schakel tussen een eerder en een toekomstig leven, zoals elke dag een schakel is tussen gisteren en morgen en elke schoolklas en opleiding een stapje is in onze voortdurende ontwikkelingsweg. Immers leven is per essentie groei en ontwikkeling, zoals we dat alsmaar duidelijk kunnen waarnemen bij baby’s en in elke lente.

      De bovenstaande kloosterervaringen raken aan wat we spiritualiteit noemen: een persoonlijke zoektocht naar de diepere betekenis van en verbondenheid van onszelf en ons leven hier op aarde met iets dat groter is dan wijzelf en ons en dit leven omsluit en overstijgt. In deze zoektocht zoeken we naar bewustwording en persoonlijke groei in verbinding met een hogere werkelijkheid, zonder noodzakelijkerwijs religieus te zijn. Bij spiritualiteit staat de persoonlijke ervaring centraal. Bij religie staan de ervaringen op basis van de geloofsopvattingen van een bepaalde religie centraal. Als we toetreden tot een religie, voelen we ons verbonden met haar opvattingen. Maar het is goed om de gedachte in acht te nemen die ik onlangs las:

       

      ‘Religies zijn boten om een rivier mee over te steken, zijn ramen waar het licht doorvalt, maar zijn niet het licht zelf.’

       

      Het licht ligt verscholen in ons diepste zijn.

       

      Ik voel met in mijn spirituele ervaringen en opvattingen verbonden met de Gnostiek, die ervan uitgaat dat in elk mens is geschapen door het Al, God of andere benamingen voor de schepper van alles, en daarom een goddelijke vonk in zich draagt. We zijn ons daar doorgaans niet van bewust. Het gnostisch denken helpt om ons weer met die goddelijke vonk te verbinden. Als we die verbinding hebben hersteld, beschikken we over gnosis, een persoonlijk weten van wat liefde is, omdat ‘God’ Liefde is.

      Om dat weten te bereiken, moeten we ons volgens de gnostische opvattingen innerlijk vrijmaken van alle morele slavernij. Alleen wie zich vrij gemaakt heeft van uiterlijke morele dwang, kan de gnosis in zichzelf ontdekken, kan de goddelijke bron van liefde vinden en zijn leven vanuit liefde leven. De geloofsopvattingen van de Katharen kwamen overeen met de opvattingen van de Gnostiek.

       

      Eeuwenlang hebben mensen gezocht naar de zin van het leven, naar antwoorden op de steeds weer opkomende wat-, wie-, wanneer-, waarom-, waar- en waardoorvragen vanuit een natuurlijke nieuwsgierigheid die voortkomt uit de basale drang van alle leven, namelijk groei en ontwikkeling. Het zijn vragen die kinderen stellen vanuit de aangeboren behoefte om de wereld en zichzelf te leren kennen en vat te krijgen op het dagelijkse leven, zich er veilig in te voelen en er hun weg in te vinden.

      Naarmate ze door al die vragen zichzelf en de wereld om zich heen ontdekken, gaan ze ook ontdekken dat ze een onderdeel zijn van die wereld en alles wat daarin gebeurt en dat ze daar een bepaalde rol in spelen en invloed kunnen uitoefenen op hun eigen leven en op wat er om hen heen gebeurt.

       

      In mijn afwijzing van het instituut Kerk en haar leer heb ik voortdurend het kloosterleven hiervan uitgesloten en wel vanuit mijn ervaringen van al het goede dat kloosterlingen door de eeuwen ons hebben gebracht.

      Kloosters waren eeuwenlang broedplaatsen van wetenschap, uitvindingen en kunst en van plekken van waaruit paters, broeders en zusters zich bezighielden met de zorg voor armen, zieken en het geven van onderwijs. Kloosterordes ontstonden dan ook niet vanuit het instituut Kerk, maar werden alleen als persoonlijk initiatief onder bepaalde voorwaarden door haar goedgekeurd.

       

      Omdat mijn kloosterervaringen een belangrijke positieve rol hebben gespeeld in mijn groei en ontwikkeling, ben ik nieuwsgierig in hoe het kloosterleven in haar verschillende verschijningsvormen is ontstaan, zich heeft ontwikkeld en hoe het wellicht een rol kan spelen in een samenleving die is verdwaald in het materiele en haar verbinding met het hogere, met ons verleden en onze toekomst is kwijtgeraakt en alleen de huidige werkelijkheid erkent, zonder verbinding met ‘verder’ en daardoor uitzichtloos en dus zinloos is geworden en als zodanig door velen wordt ervaren.

      Daarom ga ik in de volgende hoofdstukken op zoek naar de ontstaansgeschiedenis van kloosterordes, hun verscheidenheid aan visies, doelen en dagelijkse levensinvulling.      


      2. Het ontstaan van kloostergemeenschappen.

       

      Het is moeilijk om precies na te gaan wat de oorsprong is van de katholieke kloostergemeenschappen. Wel weten we dat het Boeddhisme en het Hindoeïsme al eeuwen voor het christendom monniken kenden die in gemeenschappen leefden. Zij leefden voornamelijk in het noorden van India en delen van het huidige Nepal, in een tijdperk dat bekend staat als de 'tweede verstedelijking' rond 600-200 v.Chr. Ze leefden aanvankelijk niet in vaste kloosters, maar leidden een zwervend bestaan en verbleven in de natuur. Zowel de vroege boeddhistische monniken als de hindoeïstische asceten (sadhu's) zwoeren het wereldse leven af, leefden celibatair en waren afhankelijk van aalmoezen van de lokale bevolking. Ze geloofden in reïncarnatie: de ziel of het bewustzijn verdwijnt niet na de dood, maar wordt steeds opnieuw geboren in een nieuw, fysiek lichaam. Dat proces eindigt als we de staat van Verlichting hebben bereikt. Het doel van de monniken en asceten was het bereiken van Verlichting, van het nirvana: de hoogste staat van spirituele verlichting en bevrijding, waarbij het lijden, persoonlijke begeerten en de cyclus van wedergeboorte eindigen. Ze probeerden deze staat van verlichting te bereiken door een sober leven van meditatie, studie van de Dharma en het naleven van strikte gedragscodes. Dharma is het geheel van normen en regels van het persoonlijke en sociale gedrag. 

       

      De eerste christelijke monniken leefden vanaf de 2de en 3de eeuw na Christus, voornamelijk in de woestijngebieden van Egypte, Syrië en Palestina. Deze vroege monniken worden ook wel woestijnvaders of kluizenaars genoemd. 

      Historisch onderzoek laat zien dat het institutionele christelijke kloosterleven zijn oorsprong vindt in deze kloostergemeenschappen, die ontstonden toen veel Egyptische christenen zich terugtrokken in de woestijn om daar te bidden en te werken en hun leven in afzondering te wijden aan god.

      Het ontstaan van het Egyptische monnikendom kwam voort uit een combinatie van religieuze, sociale en persoonlijke factoren:

       

      • Vluchten voor de vervolging door de Romeinen.

                De eerste christelijke kluizenaars vestigden zich in de woestijn om zo te ontkomen aan de vervolgingen in het Romeinse Rijk.

      • Vlucht van maatschappelijke druk:

               Het kloosterleven bood een uitweg uit de Romeinse samenleving, die vaak belastend was door belastingen of verplichtingen.

                De woestijn bood een plek voor absolute eenzaamheid en gebed en ascese.

      • Verlangen naar radicale navolging van Christus.

               Veel christenen vonden dat het christendom, nadat het werd toegestane en later de Romeinse staatsreligie werd, ‘te comfortabel’

               was geworden. Zij zochten een extremere vorm van toewijding.

       

      Het begrip ascese stamt af van het Oudgriekse áskēsis, dat training en oefening betekent en is het bewust en vrijwillig afzien van zinnelijke genoegens, materieel comfort en hartstochten, vaak vanuit religieuze of filosofische motieven om hogere geestelijke doelen te bereiken.

      Gebed is een aanroeping of handeling met als doel een verbinding tot stand te brengen door middel van bewuste communicatie met iemand in de niet fysieke wereld: ‘de hemel’.

       

      Wat begon als een individuele zoektocht van kluizenaars, evolueerde tot een georganiseerder leven, waarbij kluizenaars zich in de buurt van elkaar vestigden en uiteindelijk in groepsverband gingen leven.

      Het was de woestijnvader Pachomius de Grote (292-346/348 n.Chr.) die het cenobistische (gemeenschappelijke) kloosterleven ontwikkelde. Hij bracht kluizenaars in gestructureerde kloostergemeenschappen samen en stelde de eerste kloosterregels op. Sommige historici schrijven zijn visie toe aan zijn ervaringen met het leven in de kazernes tijdens zijn diensttijd in het Romeinse leger.   

      Al snel verschenen er in de Egyptische woestijn een groot aantal kloosters, vooral rond Nitria, dat de ‘Heilige Stad’ werd genoemd. Schattingen wijzen erop dat er op een bepaald moment duizenden monniken in dit gebied woonden. 

      De Egyptische woestijnmonniken worden, zoals eerder vermeld, gezien als de stichters van het christelijke kloosterleven. Het individuele kluizenaarschap stierf echter nooit uit. 

       

      Of er een directe relatie is tussen het boeddhistische en Egyptische monnikschap is onduidelijk en moeilijk te bewijzen. Wel vertonen ze opvallende overeenkomsten:

       

      • Radicale eenvoud:Beide groepen kozen voor extreme armoede, het loslaten van bezit en wereldse zaken.
      • Celibaat en tucht:Beide gemeenschappen streefden naar het temmen van de lusten en het lichaam.
      • Innerlijke Rust (Hesychia):Het doel was het bereiken van innerlijke vrede, in het Grieks hesychia genoemd, wat sterk lijkt op boeddhistische meditatiepraktijken gericht op rust en inzicht.
      • Mantra/Gebed:Woestijnvaders gebruikten herhaalde gebeden, wat overeenkomsten vertoont met het reciteren van mantra's in het boeddhisme. 

       

      Veel historici neigen naar de theorie dat de overeenkomsten het resultaat zijn van onafhankelijke parallelle ontwikkelingen. Toen mensen in verschillende culturen zochten naar antwoorden op existentiële vragen, zoals lijden, vergankelijkheid en verlossing, kwamen ze vaak uit op vergelijkbare praktijken zoals meditatie, celibaat en kluizenaarschap. 

      Andere historici verklaren de overeenkomsten uit mogelijke historische contacten. Hoewel de woestijnvaders christelijk waren, waren er in de eeuwen daarvoor zeker boeddhisten in Egypte aanwezig, met name in Alexandrië, als gevolg van diplomatieke missies van de Indiase keizer Ashoka. 

      Deze historici baseren hun mening op de mogelijkheid dat de naam van de Therapeutae, een pre-christelijke ascetische groep Joden uit het begin van de jaartelling, een verbastering is van de boeddhistische term Theravada, een stroming binnen het Boeddhisme waarin het bereiken van verlichting (Nirvana) door eigen inspanning, moreel gedrag en meditatie centraal stond.

      Een ander argument voor historische contacten is de constatering dat Griekse schrijvers Indiase asceten die voedsel en kleding als schadelijk beschouwden voor de zuiverheid van het denken, Gymnosofisten noemden ofwel ‘naakte wijsgeren’. Er is bewijs dat deze groepen bekend waren in het oostelijk Middellandse Zeegebied.

      Ook zijn er aanwijzingen dat de ascetische groepen in Egypte net als de boeddhistische monniken herkenbaar waren aan specifieke gewaden en het bezit van een bedelnap. Ook het scheren van het hoofd als symbool van het loslaten van het ego en materiële zaken komt bij beide tradities voor.

      Samenvattend: Er is geen direct bewijs dat de Egyptische woestijnvaders 'boeddhistisch' waren. De meest waarschijnlijke relatie is dat, binnen de context van een hechte handelsrelatie en een multicultureel Hellenistisch Egypte, de ideeën over ascetisme en monnikenschap via reizigers en filosofen zijn uitgewisseld, die vervolgens elk op hun eigen wijze zijn geïntegreerd in de christelijke traditie.

       

      Uit onderzoek blijkt dat de Egyptische monniken- en kloostercultuur zich via handelscontacten en intellectuele netwerken verspreidde naar het toenmalige Keltische Ierland, waar zich vervolgens een specifieke christelijke kloostercultuur ontwikkelde die zich vervolgens verspreidde over het Europese vastenland en daarna door de agressieve verspreiding van de geloofsopvattingen van de Rooms-Katholieke Kerk werd gedwongen zich te voegen in het Kerkelijke structuur en gedachtengoed. Dit proces wordt vaak beschreven als een verschuiving van de ‘Ierse naar de Romeinse kerkdiscipline’.

       

      De reden dat de leefregels en het spirituele gedachtegoed van de Egyptische monniken zich in Ierland konden verspreiden en bloeien, is waarschijnlijk gelegen in het feit dat Ierland een Keltische spirituele cultuur kende die een sterke religieuze verbondenheid met de natuur kende en waarin men geloofde in een leven na de dood en in reïncarnatie.

       

      In Ierland versmolt de Egyptische traditie met de lokale Keltische cultuur, wat leidde tot een unieke vorm van strenge ascese, met de nadruk op kluizenaarschap, studie en ‘peregrinatio’ dat oorspronkelijk het 'reizen naar het buitenland' of ‘het verlaten van het vaderland’ betekent. In de christelijke traditie, vaak peregrinatio pro Christo genoemd, staat het voor een tocht uit liefde voor God, waarbij men de veiligheid van thuis opgeeft voor een onzeker en vaak doorlopend zwervend bestaan. 

      De versmelting van tradities zorgde ervoor dat Ierland in de vroege middeleeuwen een centrum werd van een oosterse kloostertraditie en christelijke geleerdheid.

       

      Ierse monniken noemden hun kluizenaarsplekken ‘diseart’, afgeleid van het Latijnse ‘desertum’ dat woestijn betekent. Deze term is nog in honderden Ierse plaatsnamen terug te vinden, zoals Dysart. Ook zijn er aanwijzingen dat er een regelmatige uitwisseling bleef bestaan tussen Ierlandse en Egyptische monniken. Een oude Ierse traditie maakt melding van zeven Egyptische monniken die in Ierland begraven liggen.

       

      De Ierse kloosters hebben tijdens de Vroege Middeleeuwen (ca. 600-1000 n.Chr.) een diepgaande en beslissende invloed gehad op de ontwikkeling van de westerse wereld. Terwijl het Europese vasteland gebukt ging onder de ineenstorting van het Romeinse Rijk en de volksverhuizingen, ontwikkelde Ierland een unieke christelijke cultuur die later het continent ‘redde’ en opnieuw kerstenden, wat wil zeggen: bekeerde tot het christendom. 

       

      De belangrijkste activiteiten van de Ierse kloosters die de westerse wereld sterk hebben beïnvloed, waren:

       

      1.Behoud en verspreiding van kennis.

      • Redders van de klassieke cultuur:Ierse monniken kopieerden niet alleen religieuze teksten, maar ook Latijnse en Griekse klassieke werken (zoals Cicero, Vergilius, Aristoteles) die op het vasteland grotendeels verloren waren gegaan.
      • Scriptoria:De kloosters, zoals die van Iona op het Schotse eiland Mull en Bangor in Ieralnd, waren centra van kennis waar manuscripten met prachtige Keltische kunst (illuminaties/ornamentele illustraties) werden vervaardigd.
      • Onderwijs:De Ierse kloosterscholen waren de best ontwikkelde scholen van die tijd en trokken studenten uit heel Europa aan.

         

        2. Kerstening van Europa.

        • Reizende monniken:Ierse monniken, zoals Columbanus en Gallus, trokken vanaf de 6e eeuw naar het vasteland, niet als onderdeel van een georganiseerd leger, maar als 'witte martelaren' die hun vaderland verlieten uit devotie.
        • Stichting van kloosters:Zij stichtten invloedrijke kloosters in Frankrijk (Luxeuil), Italië (Bobbio) en Zwitserland (Sankt Gallen), die centra van beschaving werden.
        • Invloed in de Lage Landen:Missionarissen uit de Ierse traditie, zoals Willibrord, speelden een sleutelrol bij de kerstening van de Friezen en Franken. 


        3. Vernieuwing van het kloosterleven en de theologie.

        • Keltisch monnikenleven:Het Ierse kloosterleven was vaak ascetischer en hechter dan op het vasteland, met een sterke nadruk op studie, ascese en gemeenschapsleven.

         

        4. Culturele en educatieve impact.

        • Voorlopers van universiteiten:De kloosterscholen legden de basis voor het middeleeuwse onderwijs en worden wel gezien als de voorlopers van Europese universiteiten.
        • Handschriftontwikkeling:Ierse monniken introduceerden vernieuwingen in het schrift, waaronder het gebruik van spaties tussen woorden, wat lezen makkelijker maakte, en de ontwikkeling van het insulaire schrift, dat bekend staat om zijn ronde vormen en sierlijke initialen, vaak gebruikt in beroemde manuscripten.

         

        Samenvattend: De Ierse kloosters fungeerden als ‘redders van de beschaving’ door de intellectuele en religieuze erfenis van de oudheid te bewaren en te verspreiden tijdens de donkere middeleeuwen in West-Europa.

         

        Niet alleen waren de Egyptische kloosters de bakermat van de Ierse christelijke kloostercultuur, maar ook van andere christelijke kloosters, zoals die in de loop van de tijd ontstonden.

         

        • Zo richtte Athanasius, bisschop van Alexandrië en woestijnmonnik, rond 344 het eerste christelijke klooster in Europa, nabij het huidige Chirpan in Bulgarije.
        • Rond 350 stichtte de Egyptische monnik Mar Awgin een klooster op de berg Izla in Mesopotamië. Vandaaruit verspreidde de kloostertraditie zich naar Perzië, Armenië, Georgië en zelfs naar India en China.
        • De woestijnmonnik Mar Saba bracht in 483 de monniken van de Judese woestijn samen in een klooster nabij Bethlehem, dat wordt beschouwd als de moeder van de kloosters van de Oosters-orthodoxe Kerk.
        • De woestijnmoeder Paula van Rome (347-404) richtte samen met de kluizenaar Hieronymus een dubbelklooster in Bethlehem om daar een kluizenaarsleven te leiden. Ze stichtten verschillende kloosters in het Heilige Land waarvan de levenswijze leidde tot de orde van Hieronymieten in Spanje en Portugal.
        • In 529 stichtte de kluizenaar Benedictus van Nursia het klooster Monte Cassino in Italie, dat de kiem vormde voor het rooms-katholiek kloosterleven in het algemeen en voor de Orde van Sint-Benedictus in het bijzonder.
        • De Egyptische kluizenaarstraditie werd in de elfde eeuw voortgezet toen de priester, theoloog en monnik Bruno van Keulen het klooster La Grande Chartreuse in het oosten van Frankrijk stichtte. Daar legde hij de grondslag voor de uiterst strenge monniken- en kluizenaarsorde van de Kartuizers.


        Nog vele persoonlijke kloosterinitiatieven zouden volgen, zoals we in het vervolg van dit boekje zullen zien en beschrijven.

         

        In de bovenstaande tekst schreef ik dat de Ierse kloosters door de Rooms-Katholieke Kerk werden gedwongen zich te voegen in het Rooms-Katholieke structuur en gedachtengoed en wel in een proces van een verschuiving van de ‘Ierse naar de Romeinse kerkdiscipline’. Dit proces speelde zich voornamelijk in de 7de en 8ste eeuw af en kwam voort uit de machts- en veroveringscultuur van de katholieke Kerk die zich als dé verkondiger en bewaker van dé waarheid zag en andere zienswijze niet accepteerde. De Kerk vond dat het Ierse christendom, met zijn nadruk op ascese, zwerfmonniken en kloostercultuur qua inhoud, structuur en cultuur te veel afweek van die van de Rooms-Katholieke Kerk, die gekenmerkt werd door een centralistische en hiërarchische structuur en cultuur en waarbinnen zich een eigen kloostercultuur had gevormd op basis van de orde van de Benedictijnen.

         

        De Ierse kerk was georganiseerd rond kloosters en geleid door abten, was grotendeels autonoom en kenden een veel minder centralistische structuur. Binnen de Rooms-Katholiek kerk was de structuur strikt hiërarchisch, met bisschoppen die rapporteerden aan de paus in Rome.

        De Katholieke Kerk vond dat de Ierse kerk en kloosters onder het gezag van de bisschoppen en de paus moesten vallen. En dat kon ze afdwingen doordat ze steeds meer macht kreeg en gesteund werd door de katholieke Karolingische heersers die vanaf 751 in de persoon vanaf Pepijn de Korte en daarna van Karel de Grote en Lodewijk de Vrome regeerden over onze contreien.

        De Kerk kreeg dan ook steeds meer invloed op de Ierse kloostercultuur en -structuur, geholpen doordat vanaf de 8ste eeuw de Ierse kloosterorganisatie sterk werd verzwakt door de invallen van de Vikingen.

        De toenemende invloed van de Kerk leidde ertoe dat de kloosterordes onder het gezag van de bisschop en de paus gingen vallen en dat nieuwe kloosterordes door de paus moesten worden goedgekeurd om als katholieke kloosterorde te worden erkent.

        Verder bepaalde de Kerk de regels waaraan kloosterordes moesten voldoen, bepaalde de Kerk de theologische koers waaraan de kloosters zich moesten houden en werden een aantal Ierse tradities vervangen door Rooms-Katholieke, zoals het bepalen op welke datum het Paasfeest werd gevierd.

        Door de invloed van Kerk werden de strenge Ierse kloosterregels van Columbanus uit de 6de en 7de eeuw, met de nadruk op ascese, gehoorzaamheid, stilte, soberheid en uitgebreide koorgebeden, geleidelijk vervangen door de minder strenge regels van Benedictus.

        Door het brengen van de kloosterordes onder het gezag en de hiërarchische structuur kon de Kerk kloosterordes inzetten voor haar doelstelling, zoals het verspreiden van de christelijke boodschap en het uitvoeren van culturele en maatschappelijke activiteiten, zoals het opzetten en runnen van onderwijs- en gezondheidsinstellingen.

         

        Naast erkende katholieke kloosterordes zijn er in de loop van de tijd een groot aantal religieuze gemeenschappen ontstaan die losstaan van de Rooms-Katholieke Kerk. Ze zijn onder andere te vinden binnen andere christelijke tradities, zoals de protestantse, orthodoxe en anglicaanse kerken.

        Ook zijn er allerlei ‘alternatieve’ religieuze gemeenschappen ontstaan, met name in en na de jaren zestig van de vorige eeuw waarin groepen mensen zich afzetten tegen de absolute macht van de Kerk en hun eigen vorm van kerkzijn ontwikkelden. Zo ontstonden er onder andere een groot aantal oecumenische gemeenschappen: groeperingen die zich richten op de onderlinge overeenkomsten tussen verschillende christelijke kerken in plaats van op de verschillen. Ze streven naar samenwerking, dialoog en een gezamenlijke beleving van het christelijke geloof.

        Een bekend voorbeeld is de oecumenische gemeenschap van Taizé in Frankrijk die uit ongeveer 80 tot ruim 100 broeders bestaat, afkomstig uit bijna 30 tot 40 verschillende landen. Deze broeders zijn afkomstig uit zowel de katholieke als diverse protestantse tradities. 

         

        Ondanks dat katholieke kloosterordes onderdeel uitmaken van de Rooms-Katholieke Kerk, zijn ze er een specifiek onderdeel van en verschillen ze qua doelstellingen, structuur en levenswijze van de ‘functionarissen’ van het officiële instituut Kerk. We kennen dan ook seculiere en reguliere priesters.

         

        Seculiere priesters, ook wel ‘wereldheren’ of ‘diocesane priesters’ genoemd, zijn werkzaam in parochies die deel uitmaken van een diocees dat onder leiding van een bisschop staat. Seculiere priesters beloven gehoorzaamheid aan de bisschop.

        Regulieren priesters, paters genoemd, behoren tot een kloosterorde en leggen de gelofte van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid af. Ze beloven gehoorzaamheid aan de overste van de orde, maar zijn in zijn pastorale werk en de uitoefening van hun priesterambt in een bisdom ook gehoorzaam aan de plaatselijke bisschop.

         

        Daarnaast zijn er, zoals we verder op in dit boekje zullen zien, grote verschillen binnen de katholieke kloosterordes wat betreft de mate van en de verhouding tussen contemplatieve activiteiten die gericht zijn op bezinning, innerlijke stilte, beschouwing en rust, en activiteiten in ‘de wereld’.

         

        Het volgende hoofdstuk gaat over de hiërarchie en de verschillende functies binnen de Rooms-Katholieke Kerk, om zo meer inzicht te krijgen in hoe de Kerk als instituut functioneert met als doel het Rooms-Katholieke geloof te verspreiden en te ‘bewaken’.                

        3. De hiërarchie en functies binnen de Rooms Katholiek Kerk.

         

        De hiërarchie en functies binnen de Rooms Katholieke Kerk zijn door tijd zeer uitgebreid en ingewikkeld geworden, zoals dat het geval is bij veel grote instituten, organisaties en bedrijven die gericht zijn op het beheersen van processen om hun doelstellingen te bereiken en hun voorbestaan te garanderen.

         

        De hiërarchie in de Rooms-Katholieke Kerk is een strikte, top-down structuur met als hoogste leider de paus als ‘opvolger van de apostel Petrus’ en als ‘plaatsvervanger van Jezus Christus op aarde’, gevolgd door kardinalen, bisschoppen, priesters en diakens. Deze hiërarchische en ambtelijke structuur is gebaseerd op wijdingsgraden en bestuurt de wereldwijde kerk, waarbij bisschoppen de leiding hebben over bisdommen en priesters over parochies. 

        Hieronder wordt de hiërarchische structuur van de Rooms-Katholieke Kerk beschreven en de verschillende functies daarbinnen:

         

        De Paus.

        De naam ‘paus’ komt van het Oudgriekse woord pappas wat vader betekent. Via het Latijnse papa is deze term verbonden aan de leider van de Rooms-Katholieke Kerk.

        De paus is niet alleen het hoofd van de Rooms-Katholieke Kerk maar ook bisschop van Rome en het staatshoofd van Vaticaanstad.

        Vaticaanstad is de kleinste onafhankelijke soevereine staat ter wereld en beslaat het grondgebied van de stad Rome met een oppervlak van 44 hectaren. Het dwergstaatje is in 1929 ontstaan als gevolg van het Verdrag van Lateranen, dat door paus Pius XI en Benito Mussolini werd ondertekend.

        De paus bezat eeuwenlang als Kerkelijke Staat een groot gebied in Centraal- en Oost-Italië, waaronder Lazio, de regio waarin Rome ligt. In 1866 veroverden de republikeinse troepen onder leiding van Giuseppe Garibaldi twee derde van de Kerkelijke Staat, maar Lazio bleef voor de paus behouden door de steun van de Franse keizer napoleon III. Toen die zijn troepen terugtrok, volgde de inname van Rome en werden Lazio en Rome in 1861 door het opgerichte Koninkrijk Italië geannexeerd en werd de politieke macht van de Kerk vrijwel tenietgedaan.

        De annexatie werd jarenlang door de pausen bestreden. In 1929 werd het verdrag van Lateranen getekend waarin werd bepaald dat de paus het huidige stuk grond van Vaticaanstad als soevereine staat kreeg toegewezen.

         

        Ten tijde van een pausloze periode worden de lopende zaken behartigd door de Camerlengo. Hij regelt alle praktische zaken rondom het overlijden van de paus en de verkiezing van een nieuwe paus door het College van Kardinalen tijdens een besloten vergadering in de Sixtijnse kapel in Vaticaanstad, het conclaaf genoemd, dat ‘met sleutel’ betekent omdat de kardinalen letterlijk worden opgesloten en van de buitenwereld afgesloten om beïnvloeding van de pauskeuze te voorkomen.

        Alleen kardinalen mogen stemmen die jonger zijn dan 80 jaar op de dag dat het pausschap vrijkomt door overlijden. Er worden dagelijks maximaal vier stemrondes gehouden en er is een tweederdemeerderheid nodig voor de keuze van een nieuw paus. Wanneer die is gekozen, wordt dit bekend gemaakt via witte rook uit de schoorsteen van de Sixtijnse Kapel. Na stemrondes waarin niet de vereiste meerderheid wordt bereikt, worden de stembiljetten verbrand en komt er zwarte rook uit de schoorsteen.

        Na de keuze van een nieuwe paus door het College van kardinalen wordt de nieuwe paus aangekondigd met de woorden ‘Habemus Papam’ ofwel ‘We hebben een nieuw paus’.

         

        Kardinalen.

        De naam kardinaal komt van het Latijnse woord cardinalis, wat belangrijk, voornaam of letterlijk ‘betreffend een scharnier’ betekent. Het Latijnse ‘cardo’ betekent scharnier, deurspil of draaipunt. Kardinalen spelen dan ook een spilfunctie in het bestuur van de Kerk.

        Kardinalen zijn bisschoppen die door de paus zijn benoemd. Zij zijn de hoogste geestelijke in de Rooms-Katholieke Kerk na de paus. Ze adviseren de paus bij het bestuur van de wereldkerk, kiezen een nieuwe paus en bekleden vaak topfuncties binnen de Romeinse Curie: het bestuursorgaan met verschillende departementen dat de paus bijstaat in zijn functie als hoofd van de Kerk. Vele kardinalen zijn tevens aartsbisschop of bisschop van een belangrijk aartsbisdom of bisdom.

         

        Een bisdom is een onderdeel van een kerkprovincie. Het totale gebied waarin de Kerk wereldwijd werkzaam is, is onderverdeeld in kerkprovincies. Zo is Nederland een kerkprovincie binnen de Rooms-Katholieke Kerk en bestaat uit 1 aartsbisdom, namelijk aartsbisdom Utrecht, en 6 bisdommen: bisdom Haarlem-Amsterdam, bisdom ’s-Hertogenbosch, bisdom Breda, bisdom Roermond, bisdom Rotterdam en bisdom Groningen-Leeuwarden.

        Een bisdom wordt bestuurd door een bisschop. De naam bisschop komt oorspronkelijk van het Griekse woord episkopos, wat opzichter of toezichthouder betekent.

        Een aartsbisdom is een bisdom dat bestuurd wordt door een aartsbisschop. Een bisdom kan de status van aartsbisdom krijgen door zijn leidende positie, zijn grootte of vanwege historisch belang of positie of een combinatie ervan.

        Aan het hoofd van een aartsbisdom staat, zoals eerder gezegd, de aartsbisschop. Als zodanig is hij niet alleen het hoofd van het betreffende bisdom maar ook de leider van een kerkprovincie, dus van de aangesloten bisdommen, met als taak om het pastoraal handelen en overleg tussen bisdommen te bevorderen.

         

        Bisdommen zijn op hun beurt weer onderverdeeld in decanaten en die zijn weer onderverdeeld in parochies. Aan het hoofd van een decanaat staat de deken.

        De naam deken komt van het Latijnse woord decanus, dat oorspronkelijk ‘aanvoerder van tien soldaten’ betekent, afgeleid van het Griekse deka, wat 'tien' betekent. Vroegchristelijke monniken namen deze term over, waarbij een decanus verantwoordelijk was voor het toezicht op tien andere monniken in een klooster.

        Een deken is een door de bisschop benoemde priester die de pastorale zorg en de eindverantwoordelijkheid draagt voor de aangesloten parochies.

        Aan het hoofd van een parochie en het parochiebestuur staat de pastoor. Hij wordt vaak ondersteund door andere priesters, kapelaans genoemd, en door diakens en pastoraal werkers.

         

        De paus, kardinalen, bisschoppen, aartsbisschoppen, dekens, pastoors en kapelaans hebben als specifieke functionarissen binnen de Kerk allemaal als basis de priesterwijding en zijn dus priester: een gewijde tussenpersoon tussen God en de gelovigen.

        Priesters leiden erediensten, dienen sacramenten toe, zoals de eucharistie, verkondigen het geloof en geven leiding aan de geloofsgemeenschap. De paus, kardinalen en bisschoppen hebben daarnaast de bisschopswijding ontvangen.

         

        De naam priester in de katholieke kerk is afgeleid van het Oudgriekse woord presbyteros, wat letterlijk oudere of oudste betekent. Het Griekse presbyteros werd in de vroege kerk gebruikt voor de leiders of oudsten van een christengemeenschap. Via het Latijnse presbyter en het Oudfranse prestre is het woord uiteindelijk verbasterd tot het Nederlandse 'priester'.

         

        Iemand wordt in de Katholieke Kerk priester door het sacrament van de priesterwijding, die wordt toegediend door een bisschop. Dit is de afsluiting van een opleiding aan een seminarie, waar priesterkandidaten gestructureerd met andere seminaristen samenleven en een studie- en opleidingstraject volgen dat doorgaans bestaat uit een filosofiestudie van 2 jaar, een theologiestudie van 4 jaar, Bijbelkennis, kerkgeschiedenis, kerkelijk recht, moraaltheologie en pastorale, menselijke en geestelijke/spirituele vorming, waarbij de kandidaat na de filosofiestudie eerst subdiaken en diaken wordt en de beloften van celibaat en gehoorzaamheid aflegt. Priesters zijn gerechtigd tot het toedienen van vijf van de zeven officiële sacramenten, namelijk het doopsel, de eucharistie/heilige mis, de biecht, de ziekenzalving en de huwelijksinzegening. 

         

        De paus is dus een priester en tevens bisschop en kardinaal die tot paus is gekozen. Bisschoppen mogen alle zeven sacramenten toedienen, dus naast de eerdergenoemde sacramenten van het doopsel, de eucharistie/heilige mis, de biecht, de ziekenzalving en de huwelijksinzegening ook het vormsel en de diaken-, priester en bisschopswijding.

        Kardinalen zijn priesters en tevens bisschoppen die door de paus worden benoemd. Bisschoppen zijn priesters die door de paus worden benoemd en wel op advies van de diplomatieke vertegenwoordiger van de paus in een land, nuntius genaamd, en de ‘Dicasterie voor Bisschoppen’, een onderdeel van de Curie die de kandidaat onderzoekt.

        Een priester wordt tot bisschop gewijd door minstens drie andere bisschoppen, waarvan één hoofdconsecrator, vaak een aartsbisschop of kardinaal.

         

        De laatste decennia zien we naast de genoemde functionarissen die als basis de priesterwijding hebben, de hierboven genoemde functies van diaken en pastoraalwerker.

        De naam diaken komt van het Griekse διάκονος (diákonos), wat letterlijk dienaar, helper of boodschapper betekent.

        Diaken worden in de Katholieke Kerk is een roeping tot dienstbaarheid, diaconie, toegankelijk voor zowel gehuwde als ongehuwde mannen, minstens 35 jaar oud, Rooms-Katholiek praktiserend en minimaal 5 jaar gedoopt lid van de Rooms-Katholieke Kerk die zich willen inzetten voor de Kerk en naasten. Het opleidingstraject omvat een jarenlange vorming en studie van vaak 3-4 jaar, een officiële wijding door de bisschop en de instemming van de echtgenote indien ze gehuwd zijn.

        De diaken staat de pries­ter bij in de vie­ring van de eucha­ris­tie, hij reikt de communie uit, assis­teert bij een huwe­lijk en zegent het in, hij doopt, hij leest de evan­ge­lie­tekst tij­dens de Mis en kan gevraagd wor­den om te preken en hij leidt ker­ke­lijke uit­vaar­ten.

        Een diaken werkt dus nauw samen met de pries­ter. Ze vullen elkaar aan, ieder vanuit zijn eigen roe­ping en verant­woorde­lijk­heid. Diakens zijn ook actief buiten de litur­gie op het gebied van diaconie. Daar vallen veelal onder: het jon­ge­ren-, gedetineerde- en ouderen­pas­to­raat, zieken­bezoek, stervens­be­ge­lei­ding, huwe­lijk- en doop­voor­berei­ding, missie en caritas. Juist op deze gebie­den, waar de pa­ro­chie vaak niet of on­vol­doen­de aan toe komt, ligt een be­lang­rijke taak voor de diaken.

         

        Een pastoraal werker in de Katholieke Kerk is een professionele, theologisch geschoolde leek (man of vrouw) die zonder priester- of diakenwijding pastorale taken uitvoert. Zij werken onder verantwoordelijkheid van een bisschop in parochies, ziekenhuizen, gevangenissen of instellingen, waar ze geestelijke zorg, begeleiding en liturgieondersteuning bieden. 

         

        Ook kennen we binnen de Katholieke Kerk de functie van kanunnik. Kanunniken zijn priesters die zijn verbonden aan een kathedraal of kapittelkerk en belast met het vieren van de liturgie. Zij verzorgen de gebedsdiensten en adviseren vaak de bisschop. Er zijn seculiere kanunniken die geen kloostergeloften afleggen en reguliere kanunniken die volgens bepaalde kloosterregels leven. Ze worden ook wel kapittelheer, domheer of stiftsheer genoemd. 

         

        De verschillende ‘niveaus’ binnen de Katholieke Kerk zijn herkenbaar aan de kleuren van de kleding. Zo is het officiële kledij van de paus een witte toog/soutane en draagt hij op zijn hoofd een wit kalotje/solideo. Kardinalen dragen een zwarte toog of pak met rood scherp of hemd en een rood kalotje/solideo. Bij bisschoppen zijn deze paars. Priesters dragen een zwarte toog/soutane of pak. Zowel de paus als kardinalen, bisschoppen en priesters dragen een priesterboordje als teken van hun priesterschap. 

        Samengevat:

         

        Het totale Rooms-Katholieke Kerkgebied is onderverdeeld in kerkprovincies die worden gevormd door een aantal bisdommen, met als belangrijkste bisdom het aartsbisdom waar de zetel van de aartsbisschop is gevestigd die leidinggeeft aan de kerkprovincie.

        Een bisdom wordt gevormd door een aantal decanaten. Aan het hoofd van een bisdom staat een bisschop. Hij draagt de verantwoordelijkheid voor het reilen en zeilen van de tot zijn bisdom behorende decanaten.

        Elk decanaat bestaat uit een aantal parochies. Aan het hoofd van een decanaat staat een deken, die de pastorale zorg en de eindverantwoordelijkheid draagt voor de aangesloten parochies.

        Aan het hoofd van een parochie staat een pastoor die in zijn functie wordt ondersteund door kapelaans, diakens en pastoraal werkers.

        Kardinalen vervullen een spilfunctie binnen de Rooms-Katholieke Kerk, niet alleen omdat ze de paus kiezen, maar ook omdat ze de paus adviseren bij het bestuur van de wereldkerk en topfuncties vervullen binnen de Romeinse Curie: het bestuursorgaan met verschillende departementen dat de paus bijstaat in zijn functie als hoofd van de Kerk. Vele kardinalen zijn als aartsbisschop tevens leider van kerkprovincies.


        In de volgende hoofdstukken worden de belangrijkste Rooms-Katholieke kloosterordes en gemeenschappen besproken met hun doelen, structuur en levenswijze, te beginnen met het verschil tussen kloosterordes en congregaties.


        4. De verschillen tussen Rooms-Katholieke kloosterordes en congregaties.

         

        In de voorafgaande hoofdstukken is alleen de benaming kloosterordes gebruikt voor katholieke gemeenschappen van kloosterlingen. In werkelijkheid is er een kerkrechtelijk verschil tussen kloosterordes en congregaties op basis van de besluiten van het Concilie van Trente dat plaatsvond van 1545 tot 1563 naar aanleiding van de hervormingsbewegingen van het protestantisme, ook wel de Reformatie genoemd.

        De Reformatie in de 16e eeuw was het gevolg van diepgewortelde ontevredenheid over de toestand van de Rooms-Katholieke Kerk. Critici, met Maarten Luther als bekendste voorbeeld, benoemde openlijk een aantal belangrijkste misstanden, die uiteindelijk leidden tot de reformatie en tot een breuk binnen de Katholieke Kerk. De benoemde mistoestanden waren:

         

        • Aflatenhandel als hoofdpunt van kritiek: De kerk verkocht 'aflaten': documenten waarmee gelovigen hun zonden konden afkopen en dus hun straf om in de hel of het vagevuur terecht te komen. Luther zag dit als een moreel verwerpelijke manier om geld in te zamelen voor onder andere de bouw van de Sint-Pietersbasiliek in Rome.
        • Corruptie en machtsmisbruik: Veel kerkleiders, waaronder pausen en bisschoppen, gedroegen zich als wereldlijke heersers in plaats van geestelijke leiders. Posities binnen de kerk werden vaak gekocht (simonie) of aan familieleden gegeven (nepotisme).
        • Moreel verval van de geestelijkheid: Priesters en monniken hielden zich vaak niet aan de celibaatsplicht, hadden vaak geheime relaties en leefden vaak in weelde, terwijl ze predikten over armoede.
        • Gebrek aan theologische kennis: Veel lagere geestelijken waren slecht opgeleid, lazen geen Latijn en verstonden hun ambt niet goed, wat leidde tot onwetendheid onder gelovigen. ‘De blinde leidde de blinden.’
        • De kloof tussen de gelovige en God: De mis werd in het Latijn opgedragen, wat voor de gewone mens onverstaanbaar was. De kerk legde de nadruk op ‘goede werken’ om in de hemel te komen, terwijl hervormers stelden dat geloof alleen voldoende was.
        • Relikwieënverering: Het vereren van heilige voorwerpen werd door hervormers als bijgeloof gezien en vaak misbruikt om geld te verdienen aan pelgrims. 
        • Hoewel men aanvankelijk de kerk van binnenuit wilde hervormen, leidde het weigeren van de paus om deze misstanden aan te pakken tot een definitieve scheuring. 

         

        De Kerk begon als tegenreactie de Contrareformatie: een beweging die onder andere aanzette tot een meer verfijnde definiëring van de katholieke leer, het tegengaan van allerlei mistoestanden, het verbeteren van de priesteropleidingen, het versterken van het kloosterleven en het inzetten van de kloosterordes voor de doelen van de Kerk.

         

        Het Concilie van Trente streefde naar een ‘vroom, gedisciplineerd en voor de kerk bruikbaar kloosterwezen’ door maatregelen die bedoeld waren om de wantoestanden die tot de Reformatie hadden geleid, weg te nemen en de kloosterorden weer te laten functioneren als vrome voorbeelden binnen de Katholieke Kerk.

        De belangrijkste bepalingen van het Concilie van Trente over de kloostergemeenschappen waren:

         

        • Strikte handhaving van de kloosterregel: Het concilie eiste een terugkeer naar de oorspronkelijke, strikte regels van de verschillende ordes, met name de geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. De verslapping van de tucht, die in de middeleeuwen was ontstaan, moest worden tegengegaan.
        • Verplicht slot (clausuur):Nonnenkloosters werden verplicht tot een strikte clausuur. Dit betekende dat religieuze vrouwen de kloosterommuring niet mochten verlaten en buitenstaanders niet zomaar naar binnen mochten, om wereldlijke invloeden buiten te sluiten.
        • Verbod op persoonlijk bezit: Kloosterlingen mochten geen persoonlijk eigendom bezitten; alles moest gemeenschappelijk zijn.
        • Uniformiteit en educatie: Er kwam meer nadruk op centrale leiding binnen ordes en betere opleiding voor monniken en nonnen. De eisen voor de inloopperiode van het noviciaat werden strenger om roepingen beter te toetsen. Het noviciaat is de verplichte, intensieve proeftijd van doorgaans één tot twee jaar waarin een kandidaat-kloosterling (novice) zich voorbereidt op het religieuze leven.
        • Inspectie en toezicht: Bisschoppen kregen meer bevoegdheden om toezicht te houden op de kloosters in hun bisdom, ook op die welke voorheen direct onder de paus vielen. 
        • Rol in de Contrareformatie: Kloosterordes, waaronder nieuwe ordes zoals de Jezuïeten, werden ingezet om de katholieke leer te verspreiden en het verloren terrein aan het protestantisme terug te winnen.
        • Onderscheid met congregaties: Het concilie legde indirect de basis voor het verschil tussen een traditionele kloosterorde met plechtige geloften en strikte clausuur en congregaties die zich meer op actief maatschappelijk werk richtte. 

         

        Hoewel beiden onder de noemer ‘Instituten voor Godgewijd leven’ vallen, zijn er duidelijke juridische verschillen:

         

        1. Geloften:
        • Orde:Leden leggen plechtige geloften (vota solemnia) af. Deze geloften zijn onherroepelijk en zwaarder.
        • Congregatie:Leden leggen eenvoudige geloften (vota simplicia) af. Dit maakt het kerkrechtelijk mogelijk dat de geloften in specifieke gevallen makkelijker kunnen worden vrijgesteld (gedispenseerd) dan plechtige geloften.


             2. Eigendom van Bezittingen:

        • Orde:Bij het afleggen van plechtige geloften doet men afstand van persoonlijk bezit; men bezit niets meer in eigen naam.
        • Congregatie:Leden van een congregatie behouden het eigendom van hun bezittingen, maar hebben het beheer en de vrije beschikking erover verloren (eenvoudige gelofte van armoede).


             3. Clausuur (afzondering:

              • Orde:Traditioneel hebben orden, zoals de benedictijnen of kartuizers, een strenge pauselijke clausuur: zij leven afgezonderd van de wereld binnen de muren van het klooster.
              • Congregatie:Congregaties hebben een minder strenge clausuur en richten zich vaak op een apostolaat in de wereld, op ziekenzorg, onderwijs en andere maatschappelijke taken.


                   4. Ontstaansgeschiedenis:

                • Orde:Dit zijn de oudere instituten, die doorgaans vóór de 16e eeuw, vóór het Concilie van Trente, ca. 1550, zijn ontstaan.
                • Congregatie:De meeste congregaties zijn na 1550 opgericht, vaak pas in de 19e of 20e eeuw, en zijn actief in ‘de wereld’. 

                 

                Binnen katholieke kloostergemeenschappen kennen we een aantal benamingen voor de personen die deel uitmaken van deze gemeenschappen:

                 

                • Een katholieke monnik is een man die zich in een kloostergemeenschap volledig aan God wijdt door gebed, contemplatie en arbeid. Ze leggen de geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid af en leven volgens specifieke kloosterregels. Hun dagelijkse activiteiten bestaan uit strenge afwisseling van gebed, bezinning en arbeid: ‘ora en labora’. Ze dragen een specifiek habijt dat hoort bij een bepaalde kloosterorde. Monniken kunnen wel of niet gewijd zijn tot priester.
                • Paters zijn kloosterlingen die tevens tot priester zijn gewijd. Zij zijn, gerechtigd tot het toedienen van vijf van de zeven officiële sacramenten, namelijk het doopsel, de eucharistie/heilige mis, de biecht, de ziekenzalving en de huwelijksinzegening. 
                • Broeders of fraters. Broeders of fraters leggen wel de geloften af, maar zijn niet tot priester gewijden en mogen dus niet de sacramenten toedienen.
                • Zuster is de algemene benaming voor vrouwelijke kloosterlingen.
                • Zusters die hun leven in gebed en werk ik klooster leiden, worden vaak nonnen genoemd, terwijl de benaming ‘zusters’ wordt gebruikt voor kloosterlingen die in de wereld actief zijn.
                • Slotzuster/monialen. Zusters die in een slotklooster wonen en een teruggetrokken leven leiden worden slotzusters of monialen genoemd. Zij wijden hun leven aan gebed en stilte, afgezonderd van de buitenwereld.
                • Kluizenaars leven vanuit religieuze overtuiging of behoefte aan stilte bewust afgezonderd van de samenleving. Ze wonen vanuit een eeuwenoude traditie alleen, dikwijls in een 'kluis' of eenvoudige hut, om zich te concentreren op spiritualiteit of persoonlijke rust, weg van sociale verplichtingen.


                Ook kunnen kluizenaars in een kloostergemeenschap leven, zoals dat het geval was in de eerste Egyptische kluizenaarsgemeenschappen. Kluizenaars hebben dan doorgaans een eigen ‘kluis’ zoals is te zien op eerdere getoonde foto van het klooster La Grande Chartreuse van monniken- en kluizenaarsorde van de Kartuizers.

                  

                Om tot een katholieke kloostergemeenschap toe te kunnen treden, geldt er een algemeen toetredingsproces.

                Na een of meerdere retraites kan iemand als postulant toetreden. Een postulant is iemand die de eerste stap zet om toe te treden tot een kloosterorde of religieuze gemeenschap. Het is de inleidende fase (de postulatuur) waarin de kandidaat de gemeenschap leert kennen, voordat het officiële noviciaat begint.

                De postulatuur duurt de tijd die nodig is om echt te kunnen kiezen voor het leven van kloosterling en duurt meestal zes maanden tot maximaal twee jaar. Als men hierna of al eerder echt heeft gekozen voor het kloosterleven begint men aan het noviciaat.

                Het noviciaat is de verplichte proeftijd van doorgaans één tot twee jaar waarin een kandidaat (novice) wordt ingeleid in het kloosterleven. Het is een periode van bezinning, studie en persoonlijke verdieping om te bepalen of de roeping tot het religieuze leven oprecht is. Vaak start deze periode met een formele inkleding waarbij de kandidaat een habijt ontvangt. Bij bepaalde ordes, zoals de jezuïeten, maakt de novice kennis met de praktijk door middel van proeven (stages), zoals werken in de zorg of pelgrimstochten.

                 

                Na het noviciaat legt men ‘de kleine geloften’ af, ook wel ‘de tijdelijke geloften’ genoemd. Ze omvatten gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid/maagdelijkheid, en gelden meestal voor een bepaalde periode (vaak 1 tot 3 jaar) om te ontdekken of het kloosterleven definitief bij je past.

                De inhoud van deze geloften rust op de zogeheten 'evangelische raden':


                • Armoede: Afstand doen van persoonlijk bezit en inkomen. Het betekent dat je leeft in een gemeenschap van goederen en alles deelt met de kloosterorde.
                • Gehoorzaamheid: Luisteren naar en gehoorzamen van de leidinggevenden (zoals de abt of overste). Dit doe je in het vertrouwen dat zij zoeken naar de wil van God en het welzijn van de gemeenschap.
                • Zuiverheid (of kuisheid): Leven in celibaat. Dit houdt in dat je afziet van een huwelijk en seksuele relaties, om je onverdeeld te kunnen richten op God en de naastenliefde.

                 

                Deze geloften vormen de basisstructuur van het religieuze leven binnen de gemeenschap.

                Na deze periode met de tijdelijke beloften kan een kloosterling de 'grote' of 'eeuwige geloften' afleggen. Men legt de plechtige geloften af voor het leven.

                Afhankelijk van de roeping kunnen mannelijke kloosterlingen na een gedegen opleiding ook tot priester gewijd worden.

                 

                De hoofden van katholieke kloosterorden en congregaties hebben, afhankelijk van de specifieke structuur van de orde, specifieke namen,

                Zo heeft de hoogste vertegenwoordiger en leider van de orde van de Benedictijnen de titel van Abt-Primaat. Hij is het hoofd van de Benedictijner Confederatie: een wereldwijd verbond van benedictijnerkloosters. Hij fungeert als eenheidsteken en aanspreekpunt bij de Heilige Stoel in Rome, maar heeft geen directe macht over de autonome abdijen. Hij wordt gekozen voor vier jaar en resideert in Rome en leid daar de Sant Anselmo-abdij en is het hoofd van de Pauselijke Hogeschool van de Benedictijnen.

                Bij de Orde van de Franciscanen wordt het hoofd van deze orde aangeduid als Minister-Generaal, bij de Cisterciënzers en Trappisten als Generaal-abt, bij de Dominicanen als Magister-Generaal en bij de Kartuizers als Generale Prior.

                Het algemeen hoofd van congregaties wordt doorgaans aangeduid met Generale Overste.

                 

                De meeste ordes en congregaties hebben hun hoofdzetel doorgaans gevestigd in Rome en wel vanwege de hiërarchische band met het centrale bestuur van de katholieke kerk in Rome.

                Hoewel de kloosterordes en congregaties een hoge mate van autonomie kennen, vallen de plaatselijke kloosters onder het gezag van de plaatselijke bisschoppen en zijn de ordes zelf direct onderworpen aan het gezag van de paus. De Romeinse Curie houdt namens de paus toezicht op alle religieuze ordes en congregaties.

                 

                De meeste ordes en congregaties kennen, net zoals de Katholieke Kerk als instituut, een hiërarchische structuur. Zo kennen ze een overkoepelde hoofd en hebben regionale samenwerkingsverbanden tussen kloosters, met daarbinnen min of meer autonome kloosters.

                Zo kent de orde van de Benedictijnen autonome abdijen, met aan het hoofd een abt voor mannen of abdis voor vrouwen, die door de gemeenschap wordt gekozen.

                Kleinere kloosters die ondergeschikt zijn aan een grotere abdij hebben een prior of priorin als leidinggevende en worden priorijen genoemd. Daarnaast kent de orde Regionale Associaties met een eigen leiding.

                De meeste congregaties kennen dezelfde structuur. Een generaal-overste als algemeen leider van de congregaties. Een provinciaal overste als hoofd van een regionaal cluster en de pater-overste of moeder-overste als hoofd van een klooster.

                 

                In het volgende hoofdstukken zullen de belangrijkste kloosterordes en congregaties de revue passeren met hun ontstaansgeschiedenis, doelstellingen, structuur en leefwijze.

                5. Belangrijke kloosterorden.

                 

                5.1 Benedictijnen.

                 

                Hoewel er al vanaf het begin van het christendom christelijke gemeenschappen van monniken en kluizenaars bestonden, onder andere in Egypte en vervolgens in Ierland, wordt de kloosterorde van de Benedictijnen algemeen beschouwd als eerste kloosterorde binnen de Katholieke Kerk, omdat ze als eerste door de Kerk werd erkent, omdat ze paste binnen de geloofsopvattingen van de Rooms-Katholieke Kerk.

                 

                De orde van de Benedictijnen werd rond 529 gesticht door Benedictus van Nursia en heeft grote invloed gehad op de ontwikkeling van het kloosterleven, met name omdat Benedictus de leefregels van de benedictijnermonniken vastlegde in de ‘Regula Benedicti’ of wel ‘de regel van Benidictus’, die later door de Kerk, in haar drang tot eenheid, als standaardregel werd opgelegd aan alle kloosters in West-Europa, in een tijd waarin er verschillende kloosterregels naast elkaar bestonden en de regel van Benedictus gewaardeerd werd om zijn evenwicht tussen gebed, studie en arbeid.

                De kern van de regel was ‘Ora et labora’: het evenwicht tussen bidden en werken.

                Ora/bidden houdt concreet in: het gezamenlijke gebed in de kloosterkapel, zeven keer per dag, dat gebaseerd was op de Psalm 119, vers 164 uit de Bijbel: ‘Zevenmaal per dag loof ik U’.  Tevens is er een nachtwake.

                De gebedsmomenten vinden op vaste tijden plaats:

                 

                • De nachtwake met de metten als gebedsinhoud in het holst van de nacht.
                • De lauden, het ochtendgebed bij het ochtendgloren.
                • De priem, terts, sext en none: korte gebeden overdag om 06.00, 09.00, 12.00 en 15.00 uur.
                • De vespers: het avondgebed voor het vallen van de avond.
                • De completen: het avondgebed voor het slapengaan.

                 

                Naast dit ‘Opus dei’ (Gods werk) wordt van de monniken en nonnen ‘Lectio divina (Goddelijke lezing) gevraagd: tijd voor stilte, lezing van de Heilige Schrift/Bijbel en andere geestelijke teksten, vaak in de eigen kloostercel of in de bibliotheek.

                Benedictus benadrukte niet alleen het belang van het gebed, maar ook dat alle handelingen moesten verricht worden om God te eren.

                 

                Labora/werken bestaat uit fysiek werk in de land- en tuinbouw en het uitoefenen van ambachten, zoals timmeren en smeden en huishoudelijke en onderhoudstaken zoals koken, wassen en taken voor het onderhoud van de gebouwen.

                ‘Werken’ was bedoeld om te voorzien in het eigen levensonderhoud en om ledigheid als ‘de vijand van de ziel’ te voorkomen: ‘Ledigheid is des duivels oorkussen’.

                Monniken moesten zelf ‘hun brood verdienen’, wat in de 6de eeuw revolutionair was. Handwerk werd gedaan door de gewone bevolking, door slaven en lijfeigenen. De gegoede families voerden oorlogen en bestuurden. De geestelijkheid studeerde en verbreidde het geloof. Wanneer Benedictus niet alleen studie, maar ook werk voorschrijft naast gebed, vraagt hij daarmee van zijn monniken een houding van de gewone man, wat voor de monniken die vaak uit welgestelde families kwamen echt een opgave was. Voor deze monniken, zonen van welgestelde families die niet zouden erven, was handwerk ongewoon en beneden hun stand en waardigheid.

                Naast deze ‘huishoudelijke en ambachtelijke taken’ werd later ook het kopiëren van boeken en de Heilige Schrift een essentiële taak, wat bijdroeg aan de bewaring van kennis.

                 

                Benedictus benadrukte dat het werk nederig uitgevoerd moest worden, zonder hoogmoed, en dat de monniken tevreden moesten zijn met hun taken. Volgens Benedictus is het werk niet ondergeschikt aan het gebed, maar maakt er integraal deel van uit. Alles wat een monnik doet, moet tot eer van God zijn, waardoor de grens tussen 'heilig' werk (gebed) en 'gewoon' werk (arbeid) vervaagt. 

                Benedictus introduceerde werk als een balans tegenover de contemplatie: de dag werd in drieën gedeeld: 8 uur slaap, 8 uur gebed/studie, 8 uur arbeid. 

                 

                Naast ‘ora en labora’ is in de regel van Benedictus ook gehoorzaamheid aan de abt en de regel, en nederigheid belangrijk. In 12 stappen wordt beschreven hoe een monnik zijn eigen wil ondergeschikt maakt aan die van God.

                Ook stabiliteit wordt als belangrijk gezien, wat onder andere betekent dat monniken moeten streven om in de eigen kloostergemeenschap te blijven.

                De abt staat aan het hoofd van het klooster en wordt gezien als de vertegenwoordiger van Christus. Hij moet luisteren naar de monniken, maar neemt uiteindelijk de beslissingen.

                Monniken leven in een gemeenschap waar alles wordt gedeeld. Dit in tegenstelling tot kluizenaars.

                Ook gastvrijheid is belangrijk: gasten moeten worden ontvangen alsof ze Christus zelf zijn.

                De leefstijl wordt gekenmerkt door matigheid en stilte.

                Matigheid houdt in: genoeg eten en drinken maar niet overdadig, voldoende slaap en evenwicht in de dagindeling.

                Stilte houdt in: Spreken moet tot een minimum worden beperkt, vooral 's nachts, om zo de innerlijke rust te bevorderen. 

                 

                Benedictus, de stichter van de orde van de Benedictijnen, werd in 480 geboren in het Italiaanse stadje Nursia, het huidige Norcia, en groeide op in een tijd van grote onrust en veranderingen in Europa. Kort voor 480, in 476, werd de laatste West-Romeinse keizer, Romulus Augustulus, afgezet door de Germaanse leider  Odoacer. Dit betekende het einde van de centrale Romeinse macht in Italië. Het Italiaanse schiereiland werd overspoeld door diverse Germaanse stammen, zoals de Ostrogoten, wat leidde tot onveiligheid en politieke instabiliteit. De erfenis van Rome vervaagde en er ontstonden nieuwe koninkrijken, waardoor de oude structuren verdwenen. Het was een tijdperk van voortdurende oorlogen, migraties en het gebrek aan een sterke centrale overheid. 

                  

                Op twintigjarig leeftijd ontvluchtte Benedictus Rome omdat hij walgde van het zedeloze leven van veel jongeren. Hij stopte met zijn humaniorastudie van literatuur en kunsten, ging naar het dorp Enfida, het latere Affile, sloot zich aan bij een groep kluizenaars en koos voor een kluizenaarsleven. De groep vestigde zich uiteindelijk in Subiaco, ten oosten van Rome, waar het klooster Santo Speco ontstond. Omdat hij het op den duur niet eens was met de strenge manier van leven, trok hij met enkele medestanders naar Monte Casinno, waar hij in 529 zijn eigen kloostergemeenschap stichtte. Daar schreef hij zijn later beroemd geworden kloosterregels, was de abt, verbeterde de organisatie van het monnikenleven, begeleidde de groei van de orde en verbreidde het christendom in de omgeving van het klooster. Hij stierf er rond 547. Zijn kloostergemeenschap op Monte Cassino wordt beschouwd als de bakermat van het westerse katholieke kloosterleven.

                Het huidige kloostercomplex van de Abdij van Montecassino op Monte Cassino. Het werd door de eeuwen heen veranderd, uitgebreid, verfraaid, verwoest en weer opgebouwd en zo is het uitgegroeid tot een van de grootste kloosters ter wereld.

                De abdij van Montecassino heeft ook nu nog primair de functie van een actief benedictijnerklooster en is een belangrijk bedevaartsoord van Sint-Benedictus van Nursia en een cultureel monument dat na de verwoesting in 1944 volledig is herbouwd als moederklooster van de benedictijnenorde. Het herbergt tevens een bibliotheek en een museum en is toegankelijk voor bezoekers

                 

                De Katholieke Kerk zag dat kloosters een centrale rol konden spelen in de samenleving en stichtte in de middeleeuwen en daarna op grote schaal kloosters vanwege, religieuze, economische, sociale, culturele en politieke redenen:

                 

                - Religieuze toewijding: Kloosters boden een plek waar mannen en vrouwen zich volledig aan God konden wijden, ver weg van de wereldse verleidingen.

                Daarnaast waren kloosters centra waar vanuit de verbreiding van het geloof plaatsvond en de geschriften en boekwerken werden vermenigvuldigd die hiervoor gebruikt werden.  

                - Economische macht en bezit: Welgestelde families lieten hun zonen of dochters vaak intreden in een klooster. Hierdoor kwam een deel van de erfenis, zoals landerijen en boerderijen, in het bezit van het klooster. Kloosters groeiden hierdoor uit tot aanzienlijke grootgrondbezitters en vergaarden in de vroege middeleeuwen grote rijkdom.

                Ook werd grond verworven door schenkingen van rijke families omdat de kerk verkondigde dat het begunstigen van de kerk betekende dat alle zonden werden kwijtgescholden.

                - Sociaal-culturele rol: Kloosters fungeerden als de 'sociale dienst' van de middeleeuwen. Ze boden onderdak aan reizigers, verzorgden zieken en gaven voedsel aan de armen.

                Ook speelden ze een cruciale rol in het behoud en overbrengen van kennis en cultuur. Ze kregen steeds meer de taak om de resten van de Romeinse cultuur te bewaren die in de loop van de 5e eeuw uiteenviel en om de cultuur van het rooms-katholicisme op te bouwen. Er werden bibliotheken opgebouwd, ook door bestaande werken met de hand over te schrijven en te illustreren, waardoor de inhoud en de waarden van de Griek-Romeinse cultuur niet alleen niet verloren gingen maar ook konden werden verbreid.

                - Politieke invloed: Kloosters werden ook gesticht door rijke families of edellieden om hun invloed en status te bevestigen, soms vermomd als een ‘onafhankelijk’ klooster. Ze waren belangrijke steunpunten voor de kerkelijke en wereldlijke machthebbers in nieuwe of strategische gebieden.

                 

                5.2 Cisterciënzers.

                 

                De orde van cisterciënzers is een contemplatieve kloosterorde, gesticht in 1098 in het Franse Cîteaux door de benedictijnermonnik Robert van Molesme (1029-1111) als een hervormingsbeweging van benedictijnermonniken. De orde streeft naar een strikte naleving van de Regel van Benedictus, met de nadruk op ascese, eenvoud, handarbeid en afzondering. De orde speelde een belangrijke rol in de middeleeuwse landbouw en spiritualiteit.

                 

                 Robert van Molesme werd geboren omstreeks 1029 in Troyes in Frankrijk als telg van een rijke adellijke familie in het graafschap Champagne. Op 15-jarige leeftijd trad hij in bij de benedictijnen van de abdij van Moûtiers-la-Celle in het departement Var in Zuid-Frankrijk. Daar werd hij na verloop van tijd prior.

                 

                Omstreeks 1068 kozen de monniken van de benedictijnerabdij van Saint-Michel-de-Tonnerre in de Franse regio Bourgondië hem tot abt. Daar werd hij geconfronteerd met een verziekte sfeer. De kloosterlingen namen het niet zo nauw met de Regel van Benedictus en stonden niet open voor hervormingen.

                 

                In 1073 werd Robert prior van de priorij Saint-Ayoul-de-Provins, gelegen in het departement Seine-et-Marne in de regio Île-de-France, een stichting van de abdij Moûtiers-la-Celle waar hij eerder prior was. Maar daar bracht hij slechts enkele maanden door. Vanwege zijn reputatie van heilige monnik kreeg hij van paus Alexander II de opdracht om leiding te geven aan een groep heremieten/kluizenaars die zich hadden teruggetrokken in het woud van Collan, bij Tonnerre, gelegen in het departement Yonne in de regio Bourgogne-Franche-Comté. Deze verzochten de nieuwe paus, Gregorius VII, Robert aan te stellen als hun abt. Robert aanvaardde zijn nieuwe taak, maar vond het woud van Collan ongeschikt voor een abdij. Omstreeks 1075 stichtte hij in Molesme een nieuw klooster, in de vallei van Langres boven de stad Dijon in de regio Bourgondië. Aanvankelijk bestond het uit slechts wat hutten gemaakt van takken, gecentreerd rond een kapel die was toegewijd aan de Heilige Drievuldigheid. Maar al snel werd de communiteit overladen met donaties, waardoor er een stenen gebouw kon worden neergezet. Er voegden zich ook nieuwe monniken bij hen, maar die wisten geen raad met de uiterst sobere leefwijze. Dat had een nadelige invloed op de kloostertucht. Toen Robert wilde ingrijpen om de discipline te herstellen, kwamen monniken tegen hem in opstand. Robert hield het toen voor gezien en verliet Molesme, maar de paus beval hem terug te keren. Dat deed zich nog eenmaal voor.

                Uiteindelijk verliet Robert samen met 21 monniken Molesme, met de bedoeling om nooit meer terug te keren. In 1098 kreeg hij van de aartsbisschop van Lyon toestemming om een geheel nieuwe benedictijnse orde te stichten. Burggraaf Renaud van Beaune wilde hem daarbij helpen en schonk hem een verlaten vallei van de Saône, in een dicht bebost gebied in Bourgondië. Bij het gehuchtje dat Cîteaux heette, stichtte hij een abdij, waarvan de monniken later ‘cisterciënzers’ genoemd werden, afgeleid van de Latijnse naam van het gehucht: Cistercium. 

                 

                  

                 











                Maquette van de oorspronkelijke abdij van Citeaux en de overgebleven kloostergang van het grotendeels verwoeste klooster tijdens de Franse Revolutie.

                 

                De achtergebleven monniken van Molesme hadden spijt gekregen van hun rebellie omdat ze beseften dat ze een heilige abt hadden weggejaagd. Zij vroegen Robert dan ook naar Molesme terug te keren. Ze beloofden hem dat ze zijn strenge naleving van de Regel van Sint-Benedictus voortaan zouden aanvaarden. Robert ging akkoord en keerde terug naar Molesme. Op 17 april 1111 stierf hij daar.

                 

                De abdij van Molesme is tot de Franse Revolutie in 1789 actief gebleven en werd vervolgens bewoond door meerdere families, die de abdijkerk, kapittelzaal en de bibliotheek afbraken om te dienen als steengroeve. Gelukkig zijn er enkele gebouwen overgebleven om te kunnen getuigen van zijn glorieuze verleden.

                 

                 












                Robert van Molesme had het ambt van abt van Cîteaux overgedragen aan Alberik, de monnik die als heremiet/kluizenaar in het Callon-woud had geleefd en met hem uit Molesme naar Cîteaux was gegaan. Hij werd opgevolgd door de Engelsman Stephen Harding die in 1112 Bernard van Fontaines-les-Dijon en dertig andere jonge edellieden uit Bourgondië in de abdij van Cîteaux opnam. Deze Bernardus van Clairvaux zou de Orde van de Cisterciënzers groot maken en over geheel Europa verspreiden. De cisterciënzers worden dan ook soms ‘bernardijnen’ genoemd.

                 

                Maar het was ook Bernardus van Clairvaux die op 31 maart 1146 in het Franse Vézelay mensen opriep deel te nemen aan de Tweede Kruistocht tegen de islamitische overheersers van het Heilige Land. Deze kruistocht was afgekondigd door Paus Eugenius III, toen het graafschap Edessa in het Midden-Oosten werd ingenomen door islamitische troepen, dat tijdens de Eerste Kruistocht door kruisvaarders onder het militaire gezag was gebracht van bondgenoten van de Rooms-Katholieke Kerk. De Tweede Kruistocht was bedoeld om het gevallen graafschap te heroveren en de controle over het Heilige Land te versterken: het gebied in het Midden-Oosten dat als heilig werd beschouwd op grond van in de Bijbel beschreven plaatsen en gebeurtenissen die hier hebben plaatsgevonden. 

                De rol die Bernardus speelde in de Tweede Kruistocht tegen andersdenkende laat zien dat ook kloosterordes zich voegden in de cultuur van onverdraagzaamheid en veroveringsdrang van de Kerk, ondanks dat zij ‘zich wijden aan God’. Zij volgde dus niet Jezus die liefde, verdraagzaamheid en vrijheid verkondigde, maar de ‘God der wrake van het Oude Testament’, waartegen de leer van Jezus zich verzette.

                Ook laten onder andere de gebouwen van de kloosterorde van de Cisterciënzers zien dat die zich ontwikkelde van eenvoudige kluisverblijven naar grote kloosters met een uitbundige architectuur. Ook hierin gingen ze mee met de cultuur van de Kerk die in de loop van de tijd steeds meer was meegegaan in de cultuur van de adel, met al zijn pracht en praal. Er zouden in de loop van de geschiedenis dan ook steeds opnieuw kloosterordes worden gesticht die trachtten terug te keren naar het oorspronkelijke teruggetrokken en sobere leven de woestijnmonniken in Egypte. De orde van de Trappisten is daarvan een voorbeeld. Zoals de Cisterciënzersorde zich ontwikkelde als reactie op het verwateren van het volgen van de regels van Benedictus, ontstond de orde van de Trappisten als ‘dochterorde van de Cisterciënzers’ met een strenge levenswijze die werd gekenmerkt door stilte, afzondering en fysieke arbeid. Ze staan bekend als een 'zwijgende orde'. In de volgende paragraaf wordt deze orde besproken.

                Bij de dood van Bernard van Clairvaux in 1153 telde de Cisterciënzersorde al meer dan driehonderd kloosters, die meestal waren gevestigd in onherbergzame streken met een levenswijze waarin het evenwicht tussen gebed en handenarbeid centraal stond. Het leven in onherbergzame streken ging vaak gepaard met grote ontberingen, maar omdat het land ontgonnen moest worden en geschikt gemaakt voor land- en tuinbouw en bewoning, werden ze meesters in de inrichting van het landschap door landontginning, landbouw, waterbeheer en het ontwikkelen van abdijhoeven/-boerderijen, waarmee ze een enorme bijdrage leverden aan de ontwikkeling van deze kennis en kunde voor de maatschappij.

                 

                Hoewel de orde aanvankelijk gericht was op monniken, sloten ook vrouwen zich al snel aan bij de hervormingsbeweging die soberheid en de regel van Benedictus benadrukte.

                De onderstaande Abdij van Herkenrode was een van de eerste en mettertijd het grootste klooster voor vrouwelijke cisterciënzers, gebouwd in 1192 en gelegen op de zuidelijke oever van de rivier de Demmer nabij de stad Hasselt in Belgisch-Limburg. 

                 

                 










                 

                Het aantal cisterciënzerskloosters is door de secularisatie/verwereldlijking sterk afgenomen. In de lage landen Nederland-België zijn er nog 3 mannen- en 1 vrouwenklooster. Wereldwijd zijn er echter nog honderden, met een sterke aanwezigheid in Azië, Afrika en de Amerika.

                5.3 Trappisten.

                 

                Trappisten en trappistinnen zijn leden van de kloosterorde van cisterciënzers die een zogenaamde ‘strikte observantie’ naleven: het naleven van de oorspronkelijke kloosterorderegels. Ze worden ook wel ‘Cisterciensis Strictioris Observantiae’ genoemd, de Cisterciënzerorde van de Strikte Observantie (OCSO).

                ‘Trappist’ is geen officiële naam en wordt in officiële documenten nooit gebruikt. De term is ontstaan in de volksmond naar aanleiding van een hervorming van de orde, die in de loop der eeuwen plaatsvond in de Abdij Notre-Dame de la Grande Trappe in het departement Orne in de regio Normandië in Frankrijk.

                 













                 

                De orde staat bekend om het  trappistenbier en andere trappistenproducten, zoals kaas.

                 

                In 1598 werd de negentienjarige Octavo Arnolfini benoemd tot commanditaire abt van de cisterciënzersabdij van La Charmoye in de Champagne-regio, nabij Épernay in het Franse departement Marne. De titel van ‘commanditaire abt’ werd volgens het kerkelijk recht verleend aan een persoon buiten de abdij aan wie een deel van de opbrengsten van de abdij toeviel, maar die geen bestuurlijke taken of inspraak had. De titel werd vaak verleend door de paus of de koning als beloning of gunst voor verleende of te verlenen diensten aan de Kerk.  

                Doorgaans resideren commanditaire abten niet in hun abdij, maar Arnolfini voelde zich zo met de abdij verbonden dat hij er intrad en regulier abt werd. Toen hij later abt werd van de abdij van Notre-Dame de Châtillon in Châtillon-sur-Seine in het Franse Bourgondië, voerde hij daar een hervorming in die bestond uit het strikt onderhouden van de regel van Benedictus. Het belangrijkste kenmerk van de hervorming was het afzien van vleesgebruik en daarom werden hij en zijn medestanders 'abstinenten' genoemd. Later werd deze hervorming bekend onder de naam 'strikte observantie'. Behalve de onthouding van vlees was ook het herstel van de handenarbeid een belangrijk punt.

                 

                Nadat een tiental abdijen tot de strikte observantie was overgegaan, erkende paus Alexander VIII binnen de cisterciënzerorde twee gradaties in de naleving van de kloosterregels, namelijk ‘de gewone’ en ‘de strikte’.

                 

                Binnen ‘de strikte’ trad Armand-Jean de Rancé (1626-1700) op de voorgrond, die commanditair abt van de Abdij Notre Dame de la Grande Trappe  was geweest en daar was overgegaan tot een vernieuwing van de levenswijze die, naast de gebruikelijk afzondering van de wereld, toewijding aan een leven van gebed en boete, een continu stilzwijgen als belangrijkste kenmerk had.

                 

                Ten tijde van de Frande Revolutie omvatte de strikte observantie ongeveer vijfenzestig mannenkloosters en vijf communiteiten van vrouwen, bijna allemaal gevestigd in Frankrijk. Daarvan was La Trappe de enige die in de Revolutie ontsnapte aan totale verwoesting en verstrooiing. Het was de abt Augustin de Lestrange  die in 1791 met eenentwintig monniken de abdij verliet om in Zwitserland een nieuwe gemeenschap te stichten om veilig te zijn voor de vervolgers van de Franse Rovolutie. In La Valsainte vonden zij een verlaten kartuizerklooster, waar zij zich vestigden.

                 

                In Darfeld in Westfalen-Duitsland had zich intussen eveneens een groep monniken van La Trappe gevestigd en wel onder leiding van de abt Eugène de Laprade (1764-1815). Er ontstond een geschil tussen de strenge Dom Augustin van het Zwitserse klooster en de monniken van Darfeld omdat die de regels van Dom August te zwaar en onwerkbaar vonden: verscheidene monniken en nonnen gingen vanwege het minimalen en eenzijdige voedsel lijden aan scheurbeuk en hongeroedeem. Ook wilde het klooster in Darfeld als zelfstandig klooster functioneren.

                 

                Het conflict liep zo hoog op dat de monniken van Darfield zich wendde tot de paus. Deze verhief de abdij van Darfield tot een zelfstandige abdij, waarin een gematigder regime heerste. Door een wijs en zachtmoedig bestuur heeft abt Eugène de Laprade de Trappistenorden door de moeilijke tijden geloodst en kan hij dan ook terecht als de redder van de Orde beschouwd worden. In 1814 kon hij de abdij van La Trappe terugkopen en werd hij door de monniken gekozen tot abt, maar hij stond deze af aan Dom Augustin. Abt Eugène de Laprada overleed twee jaar later.

                 

                In 1892 trachtte paus Leo XIII alle richtingen binnen de cisterciënzerorde in één orde bijeen te brengen, maar het verschil tussen de pastorale taken bij de gewone observanten en strenge observanten maakten dit onmogelijk. Daarom erkende de paus twee ordes, de Orde van Cîteaux en de Orde van de Cisterciënzers van de Strikte Observantie, in de volksmond de Trappisten genoemd.

                 

                De opbloei van het aantal trappistenabdijen op het einde van de negentiende en het begin twintigste eeuw was spectaculair, maar ook de terugval vanaf de midden jaren 1960. Vele priesters en broeders zijn uitgetreden in de roerige jaren vlak na het Tweede Vaticaans Concilie en er was weinig aanwas. In andere werelddelen kent de orde nog steeds een grote aangroei. Daar waar er in 1940 slechts één trappistenabdij was in Afrika en geen in Latijns-Amerika, waren er in 2006 zeventien in Afrika en dertien in Centraal- en Zuid-Amerika. In Azië is in diezelfde periode het aantal abdijen gestegen van zes naar drieëntwintig.

                 

                Tijdens en na het Tweede Vaticaanse Concilie ontstonden nieuwe constituties, gedetailleerde regels en richtlijnen die het dagelijks leven, de structuur en het bestuur van de orde regelen, die weliswaar het karakter van de orde onaangetast moesten laten, maar op ondergeschikte punten verzachtingen invoerden. De zwijgplicht en andere kenmerken gingen verloren, net als het intensieve liturgische leven.

                 

                Een groot Trappistenklooster was en is de onderstaande abdij van Orval in het zuidoosten van België.



                 

                 

                 








                 

                De bekenste trappistenabdij in Nederland is de de Abdij Koningshoeve in Berkel-Enschot nabij Tilburg.

                 












                 

                In deze abdij leven trappistenmonniken volgens de regels van St. Benedictus, met dagelijkse gebedstijden die toegankelijk zijn voor bezoekers en waar de mogelijkheid wordt geboden voor rust en gebed. In de abdij worden tevens de trappistenbieren van La Trappe gebrouwen. De locatie biedt een proeflokaal, rondleidingen in de brouwerij, een kloosterwinkel. Het is tevens een startpunt voor wandelingen in de omgeving.

                 

                De naam 'Trappist' of ‘La Trappe’ voor bier is een beschermde benaming. Er mogen slechts zeven brouwerijen ter wereld deze naam voor hun bier gebruiken, namelijk de Belgische trappistenabdijen in Westmalle, Westvleteren, Achel, Chimay, Rochefort en Orval en de Nederlandse trappistenabdijen Abdij Koningshoeve in Berkel-Enschot en de abdij Maria Toevlucht in Zundert.

                 

                Een actief trappistenklooster voor vrouwelijke trappisten is de Abdij Koningsoord nabij Arnhem, waar zusters in stilte leven en werken.

                 

                 










                 


                Naast de dagelijkse huishoudelijke werkzaamheden werken ze in de abdijwinkel, het iconenatelier en de boekbinderij.  

                5.4 Kartuizers.

                 

                De orde van de Kartuizers werd in 1084 gesticht door de Duitse theoloog Bruno van Keulen (1030-1101). Hij gaf ruim twintig jaar les aan de kathedraalschool in Reims, waar een van zijn leerlingen de latere paus Urbanus II was. Ook was hij kanselier van het aartsbisdom, wat inhield dat hij het officiële archief van het bisdom beheerde, documenten bekrachtigde, zoals een notaris dat doet, en verantwoordelijk was voor de administratie.

                 

                 In 1080 was Bruno van Keulen in beeld als kandidaat voor het ambt van aartsbisschop van Reims. Hij weigerde de functie en trok zich terug in het Cisterciënzerklooster van Molesme omdat hij de rijkdom en corruptie binnen de kerk verafschuwde. De bisschop van Grenoble, Hugo van Châteauneuf, schonk hem in 1084 een onherbergzaam stuk grond in het Franse berggebied ‘Massif de la Chartreuse’, gelegen ten noorden van Grenoble om daar als kluizenaar te gaan leven met zes metgezellen. Daar stichtte hij een contemplatieve orde van kluizenaars.

                Het kartuizerklooster dat daar ontstond staat bekend als ‘La Grande Chartreuse’, verwijzend naar de streek Chartreuse. De naam van de kloosterorde, Kartuizers, is afgeleid van ‘Cartusia’, de Latijnse naam voor Chartreuse.

                 

                 




                 








                Op bovenstaande foto van het klooster zijn links onder duidelijke de kluisverblijven te zien.

                De monniken dragen een wit habijt met een scapulier dat afwijkt van de meeste andere doordat het aan beide zijden met een brede strook stof verbonden is.

                De kartuizers volgen hun eigen statuten die van de Regel van Benedictus verschilt namelijk van de 'Consuetudines', geschreven door Guigo (1083-1136), een kartuizer monnik en de 5e prior van het Grande Chartreuse-klooster in de 12e eeuw. De belangrijkste kenmerken van deze regel zijn:

                 

                • De eigen kluis: Elke monnik leeft in een eigen huisje (cel) met een kleine ommuurde tuin, onderling verbonden met lange gangen. Hierin slaapt, bidt, eet en studeert de monnik en doet hij zijn handwerk. De kluis heeft een boven- en benedenverdieping. Het belangrijkste vertrek is het kubikulum, waar de monnik bidt, studeert en mediteert. Er is een voorportaal, het zogenaamde ‘Ave Maria’, omdat er een beeld van Maria staat, waarvoor iedereen die erbinnen komt moet knielen en Ave Maria moet zeggen. Beneden is er ook nog een werkvertrek, waar de monnik zich wat kan ontspannen met hout te zagen voor zijn kacheltje en creatieve bezigheden zoals houtdraai- en snijwerk, alles natuurlijk met de hand. Er is in de kluis een schuifluikje, waardoor de monnik elke dag zijn eten krijgt, bediend door de broeders van de keuken.
                • Afzondering en stilte: De monniken leven in afzondering en stilte. Ze zetten nooit een stap buiten het klooster en schrijven hun familie maar sporadisch. Ze spreken alleen met elkaar op een wekelijkse wandeling en op feestdagen, en dan nog zeer kort, doen maar een klein gedeelte van het dagelijkse programma samen en blijven de rest van de tijd in hun kluis.
                • Strikt ritme en weinig slaap: Driemaal per dag gaan ze gezamenlijk naar de kerk: in de morgen voor de kloostermis, ‘s-avonds voor de vespers, waarin dank wordt gezegd voor de afgelopen dag, en ’s nachts voor de metten. Deze laatsten beginnen om middernacht en duren twee à drie uur. De monniken moeten het dus met een gedeelde slaap doen, eigenlijk twee hazenslaapjes. De dag is strak ingedeeld met vaste momenten voor stilte, studie en werk.
                • Hun bestaansrecht is door met hun gebed het leven van de medemensen te ondersteunen. Zij worden gedreven door zich geheel aan God te wijden en daarom niet de wereld te zoeken, maar de woestijn van hun eigen ziel, vanuit de Bijbelse gedachte dat God gevonden wordt in de eenzaamheid, in de woestijn, zoals de eerste Egyptische monniken dat deden.
                • Eenvoudig dieet: Het menu is strikt vegetarisch en bestaat een keer per week uit water en brood. Er wordt één maaltijd per dag genuttigd en de monniken vasten regelmatig.
                • Samenkomst en ontmoeting: Hoewel de orde bekend staat als de strengste kluizenaarsorde van de Katholieke Kerk, ontmoeten de monniken elkaar soms. Ze zingen gezamenlijk het koorgebed en maken wekelijks een wandeling op zondagmiddag, waarbij de monniken twee aan twee met elkaar mogen converseren om de broederschap te onderhouden. Voor de rest is het zwijgen, ook bij de gezamenlijke maaltijden, waarbij alleen het monotone geluid van de voorlezer, die gedeelten uit de Schrift voorleest, gehoord wordt.
                • Opleiding: Het toetredingsproces tot de orde is hetzelfde als bij andere kloosterordes, zoals dat wordt beschreven in hoofdstuk 4. Bij de kartuizers wordt met unanimiteit gestemd of een kandidaat aan het noviciaat kan beginnen. Bij deze gelegenheid wordt de kandidaat 'ingekleed', en betrekt hij zijn cel. Met name dit laatste is voor kartuizers van groot belang omdat het de plaats is waar hij de rest van zijn leven zal doorbrengen.

                 

                In 1090 werd de stichter van de karthuizerorde, Bruno van Keulen, door paus Urbanus II als adviseur naar Rome geroepen, waar hij in de ruïnes van de Thermen van Diocletianus leefde. Daarna leefde hij nog in het kartuizerklooster Santa Maria degli Angeli. Later vertrok hij naar het kartuizerklooster nabij Squillace in Calabrië, waar hij in 1101 stierf. Het klooster draag zijn naam: Certosa di Serra San Bruno

                De kloosters die onder zijn naam werden gesticht, zijn niet talrijk, maar worden alom bewonderd om hun vasthoudendheid aan de observantie: de strikte naleving van de regels en gebruiken.

                 

                De mannelijke kartuizergemeenschappen bestaan uit monniken en broeders. De broeders wonen apart. Zij doen mee met de diensten en gebeden, maar hebben verder niet zo’n streng contemplatief leven als de monniken. De broeders zorgen voor de tuin en het schoonhouden en het eten, dus voor de hele huishouding.

                In 1145 ontstond de vrouwelijke tak van de orde, toen vrouwelijke kloosterlingen die in Prébayon in de Provence in een strikt afgesloten klooster leefden (monialen) zich aan de kartuizersregels wilden onderwerpen. Zij werden door de generale prior aanvaard en sindsdien vormen kartuizers en kartuizerinnen één orde. Paus Alexander III gaf in 1177 zijn goedkeuring aan de ordestatuten.

                 

                Kartuizers voorzien in hun eigen levensonderhoud door ambachtelijke activiteiten die in hun cel kunnen uitgevoerd worden.

                Een belangrijke bron van inkomsten voor de hele orde is de productie van de beroemde likeur Chartreuse die in en in de buurt van hun hoofdklooster La Grande Chartreuse wordt gemaakt. De sterk alcoholische drank (55%) wordt onder de supervisie van monniken geproduceerd volgens een geheim proces dat ze in 1605 kregen van Maarschalk François Hannibal d'Estrées in de vorm van een mysterieus manuscript met een recept van 130 kruiden voor een 'elixir van een lang leven'. Pas in 1737 begonnen de monniken deze drank daadwerkelijk te produceren.

                De kruiden worden gemengd en voorbereid in het klooster Grande Chartreuse. Het distillatieproces en de rijping vinden plaats in gebouwen in de nabijgelegen stad Voiron. De likeur is wereldwijd geliefd en staat bekend om zijn intens smaakprofiel.

                 

                Het tegenwoordige gebouwencomplex van La Grande Chartreuse dateert uit ca. 1676. Het klooster werd in de loop der eeuwen meerdere malen verwoest door branden en lawines en in beslaggenomen. Zo werden de monniken tijdens de Franse Revolutie verdreven en de distilleerderij geconfisqueerd en op 29 april 1903 werden de monniken gewapenderhand uit hun klooster verjaagd door het antiklerikale en autoritaire regime van Emile Combes. De gemeenschap moest naar Italië vluchten en kon pas in 1940 terugkeren en op 21 juni van dat jaar opnieuw bezitnemen van de gebouwen.

                 

                Van 1997 tot 2012 was de Nederlander Dom Marcellin Theeuwes prior van het klooster. Bij hoge uitzondering liet hij af en toe een camera toe in het meestal hermetisch afgesloten klooster. Zo liet hij zich in 2004 interviewen door Leo Fijen in de Kloosterserie van de KRO en verscheen in 2005 de indrukwekkende documentairefilm Die große Stille van de Duitse regisseur Philip Gröning, over het leven van de monniken in het klooster.

                 

















                 

                5.5 Franciscanen en kapucijnen.

                 

                Op een van de websites van de Minderbroeders Franciscanen staat het volgende:

                 

                ‘Welkom op de website van de Nederlandse en Vlaamse minderbroeders franciscanen.

                Wij maken deel uit van een wereldwijde broederschap binnen de Rooms-Katholieke Kerk, gesticht door Franciscus van Assisi (1182-1226). De officiële naam is ‘Orde van de Minderbroeders’. Franciscus koos hiervoor vanwege het ideaal om als broeders van de armen, de ‘minderen’, bezitloos te leven en er helemaal te zijn voor God en behoeftige medemensen. Naar onze ordestichter worden wij ook wel ‘franciscanen’ genoemd.

                Minderbroeders franciscanen laten zich inspireren door het evangelie van Jezus Christus, zoals Franciscus dat heeft gedaan. In alle eenvoud willen zij een bijdrage leveren aan de opbouw van het Rijk van God.

                Franciscanen delen meestal hun leven met elkaar in plaatselijke gemeenschappen. Broederschap en gebed zijn de pijlers van hun bestaan. In hun werk voor kerk en samenleving en binnen de orde kiezen ze steeds de zijde van de kansarmen. Ze bieden hulp aan mensen in nood, komen op voor gerechtigheid en vrede en eerbiedigen de schepping.’

                 

                Franciscus van Assisi, ook wel Franciscus van Assisië genoemd, was een zoon van Petrus van Bernardone, een welgestelde lakenkoopman uit Italiaanse Assisi. Volgens zijn eerste biograaf Thomas van Celano  leefde Franciscus in zijn jeugdjaren als een wildebras: hij zwierf met zijn vrienden door de stad en gaf veel geld uit aan vertier en kleding. Of dit echt het geval was, valt te betwijfelen en is wellicht een manier om zijn latere deugdzame leven meer glans te geven.

                Tijdens een veldslag tussen zijn geboorteplaats Assisi en de stad Perugia in 1202 werd Franciscus rond zijn 20ste krijgsgevangen. Na een jaar kwam hij vrij maar was daarop lang ernstig ziek. Toen hij weer aan de beterende hand was, werd hij bijzonder getroffen door het leed van de melaatsen, die in zijn tijd volledig uit de samenleving werden verstoten. In zijn ‘Testament’ schrijft Franciscus dat God hem in hun midden bracht. Naar aanleiding daarvan bekeerde hij zich tot een leven van armoede, gebed en dienstbaarheid aan de armen omdat hij ontevreden was over de leegheid van zijn leven.

                 

                 In 1205 kreeg Franciscus in het kerkje San Damiano, even buiten het historistische centrum van Assisi, een visioen, waarin hij zich voelde aangesproken door de daar afgebeelde gekruisigde Christus met de woorden: “Franciscus, ga en herstel mijn huis”. Hierop trok hij zich als kluizenaar terug in eenzaamheid, wijdde zich aan gebed en de melaatsen en herstelde het kerkje. Hij wilde de allerarmste zijn, bedelde zijn dagelijks voedsel bij elkaar en deelde het met anderen die het nog minder hadden dan hij. Zijn enige geliefde was ‘Vrouwe Armoede’.  

                 

                Zijn vader, die van mening was dat zijn zoon tot de rang van dorpsgek was vervallen, probeerde hem met dreiging en verleiding terug te laten keren naar een werelds leven. Maar Franciscus bleef trouw aan zichzelf en legde in de lente van 1205 tijdens een scène op het plein bij het verblijf van de bisschop zijn door zijn vader betaalde kleren aan de voeten van zijn vader en wijdde zijn leven toe aan God met de woorden: "Nu kan ik werkelijk zeggen: Onze Vader in de hemel", waarop de bisschop zijn mantel om hem heen sloeg.

                Toen Bernardus van Quintavalle en Petrus Catani zich in 1208 bij Franciscus wilden aansluiten, zochten ze hoe hun leven eruit zou moeten zien. Tijdens deze zoektocht vonden ze de volgende evangelieteksten uit de bijbel die de basis zouden vormen voor hun gezamenlijk Franciscaanse beweging:

                 

                ‘Als je dat wilt, volmaakt zijn, ga heen, verkoop al je eigendom en geef het aan de armen en je zult een schat in de hemelen hebben. Kom dan hierheen en volg mij.’ (Mattheus 19:21).

                 

                ‘Hij zegt tot hen: neemt niets mee voor onderweg, geen staf, geen reiszak, geen brood en geen geld, en ook moet u geen twee hemden hebben.’ (Lukas 9:3).

                 

                ‘Als iemand dat echt wil, achter mij aan komen, moet hij zichzelf verloochenen en zijn kruis dragen, en zó mij volgen!’ (Mattheus 16:24).

                 

                Kort nadien sloot Egidius van Assisi zich bij hen aan. In hetzelfde jaar 1208 gaf de abt van het Benedictusklooster op de Monte-Subasio  het kerkje van Portiuncula in het dal bij Assisi in bruikleen aan Franciscus om het tot het centrum van zijn nieuwe beweging te maken.

                Zij gingen gekleed in de eenvoudige kleding van de boeren uit die tijd, gemaakt van ruwe, ongeverfde stof en trokken rond om de boodschap van ‘boetvaardigheid en vrede’ te preken. Ze hielpen mensen op het land en hadden geen vast onderkomen of klooster. Franciscus zelf omschreef zijn levenswijze als ‘het model van het heilig evangelie’ dat hij van God zelf ontvangen had. Daaronder verstond hij het leven volgens de zendingsboodschap van Jezus aan zijn leerlingen uit Lucas 9 en 10: ‘Niets onderweg meenemen, overal het evangelie verkondigen en iedereen de vrede wensen’. De basis van hun leven werd gevormd door ‘broederschap’ en ‘nederigheid’ en aan de top ‘vrede’.

                 

                Toen er twaalf broeders waren, gingen ze samen naar Rome (1209 of 1210) om de paus toestemming te vragen voor hun levenswijze. Waarschijnlijk was het motief dat ze ook buiten het kleine bisdom Assisi wilden kunnen optreden. Het was tegelijk een verstandige daad omdat er veel verwante evangelische bewegingen waren die door de kerkelijke overheid vaak met wantrouwen bejegend werden. Ze namen een korte tekst mee die hun leven beschreef en voornamelijk uit Bijbelcitaten bestond. De paus gaf hun mondeling toestemming.

                 

                Deze zogeheten ‘oerregel’ is in de jarenlange levenspraktijk van de broederschap uitgegroeid tot de Regel van 1221. In deze ontwikkeling speelden de kapittels een belangrijke rol. De broeders, twee aan twee uitgezonden om te prediken, kwamen eenmaal in het jaar bijeen om hun ervaringen te delen en aan het Evangelie te toetsen. Hierdoor ontwikkelde de ‘oerregel’ van 1209 zich democratisch tot de voorlopige regelredactie uit 1221 die in het Latijn de ‘regula non bullata’ heet ofwel ‘de niet goedgekeurde regel, omdat ze niet met een pauselijk zegel goedgekeurde was, omdat de monniken dat niet nodig vonden, omdat ze de goedkeuring al in 1209 ontvangen hadden. In 1223 maakte Franciscus met hulp van deskundige een definitieve versie die in 1223 door de paus werd goedgekeurd

                 

                De leefregel is specifiek gericht is op:


                • Radicale armoede: Leven in pure armoede en onthechting, zonder bezittingen of rijkdom.
                • Missie en dialoog: Gedetailleerde richtlijnen over hoe de broeders zich moesten gedragen te midden van niet-christenen en moslims, gebaseerd op nederigheid en vreedzaam getuigenis in plaats van dwang.

                 

                De basis van de levenswijze die Franciscus voorstond wordt gevormd door broederschap, nederigheid, armoede en vrede.

                Kenmerkend voor de broederschap die Franciscus beleefde en voorstond, was het besef dat de andere mensen hem door God gegeven zijn als broeders en zusters. Hij heeft hen niet uitgezocht en hij hoeft hen niet te beoordelen. Hij is met hen verbonden omdat iedereen een kind is van de almachtige Vader.

                Tot zijn broederschap behoorden dan ook niet alleen de gelijkgezinden maar ook niet-christenen, zoals de moslims, met wie hij in vrede wilde leven. Dat was ongebruikelijk in zijn tijd. Immers de Saracenen, zoals moslims toen heetten, werden gezien als vijanden die in de kruistochten bestreden werden door de Kerk samen met de adel.

                Ook de dieren beschouwde hij als zijn broeders en zusters. In zijn tijd werd al snel doorverteld dat Franciscus tot de vogels gepreekt had. In zijn ‘Zonnelied’ sprak Franciscus alle schepselen zonder uitzondering als zuster of broeder aan. Hij vond dat er een alles overschrijdende verbondenheid bestond tussen alles wat geschapen is.

                Hij probeerde een leven te leiden waarin hij niemand of niets uitsloot. De beste manier om dat te doen vond hij bij Christus: een houding van hoogachting voor iedereen, van dienstvaardigheid oftewel nederigheid. Christus was aan het kruis de minste dienstknecht van allen geworden. Diens voetstappen wilde Franciscus volgen in de bereidheid om anderen te dienen in armoede en eenvoud. Wie niets heeft, hoeft niets te verdedigen en kan anderen ontwapend en ontwapenend tegemoet treden.

                 

                De armoede waar Franciscus zo van hield, heeft diverse dimensies:


                • In sociaal opzicht in lotsverbondenheid met de minsten en uitgestotenen.
                • In religieus opzicht bestaat ze uit de navolging van Christus.
                • In materieel opzicht wilde Franciscus dat hij met zo min mogelijk toe kon.


                Deze drie elementen horen in Franciscus’ visie onlosmakelijk bijeen.

                 

                Franciscus gebruikte ‘broederschap’ en ‘armoede’ in de naamgeving van zijn broeders. Zij heten minderbroeders, de broeders van de minsten. De bekroning van broederschap en armoede is volgens Franciscus het vinden van vrede. Franciscus had ervaren dat het leven als minderbroeders niet alleen vrede opleverde voor henzelf, maar ook voor de samenleving als zodanig. Dat was ook zijn hartsverlangen. Daarom gebruikte hij als groet: ‘De Heer geve u vrede’ en kon hij vaak als vredestichter optreden.

                Naarmate Franciscus ouder werd en zijn fysieke krachten afnamen, legde hij een grotere nadruk op contemplatie en had hij meer de neiging om zich wekenlang terug te trekken in gebed.

                 

                De beweging rond Franciscus was zeer succesvol. De twaalf broeders uit 1210 werden er drieduizend in 1221. Dit vereiste nieuwen structuren met ambten met bepaalde taken. Zo ontstonden uiteindelijk afzonderlijke huizen, die werden geleid door een gardiaan. Regiogroepen gingen custodieën heten en stonden onder leiding van een custos. Die werden in provincies gegroepeerd waarbij een provinciale minister aan het hoofd stond. De hele orde werd geleid door de generale minister.

                 

                De termen binnen het broederschap verraden de betekenis die Franciscus aan leiderschap hechtte. ‘Gardiaan’ en ‘custos’ betekenen hoeder of bewaker van de levenswijze en het zielenheil van de afzonderlijke broeders. ‘Minister’ betekent dienaar. ‘Want zó moet het zijn: een minister is dienaar van alle broeders,’ zegt Franciscus in de definitieve regel.

                 

                 













                De kleding van de broeders leek aanvankelijk erg op de kleding van eenvoudige mensen op het land: een onderbroek, een habijt van ongeverfde stof met een kap tegen de regen en geen riem, maar een eenvoudig touw om het middel. Dat werd steeds meer een onderscheidend kenmerk. De kastanjebruine kleur die tegenwoordig karakteristiek is voor de minderbroederspij werd pas in latere eeuwen gebruikelijk.

                 

                In 1217 en 1219 besloten de minderbroeders eropuit te trekken naar Duitsland, Frankrijk en Spanje. Al snel werd de orde ook populair onder universiteitsstudenten in Parijs en Bologna. Deze waren hoog opgeleid en hadden moeite met het eenvoudige leven van de broeders, dat ze misschien wel romantisch, maar ook erg onpraktisch vonden. Wie studeert heeft rust en boeken nodig die niet in de verlaten kerken of hutten te vinden zijn waarin de eerste broeders hun onderdak zochten. Boeken en regelmaat zijn gemakkelijker aan te treffen in grote huizen. De broeders die hoog opgeleid waren, pleitten daarom voor aanpassing van de minderbroeders aan het model van andere kloosterorden, zoals de dominicanen die in kloosters woonden.

                Zo ontstonden er binnen het franciscaanse broederschap twee partijen: een groep die pleitte voor aanpassing van de minderbroeders aan het model van andere kloosterorden en voor bijzondere aandacht voor de zielzorg, en een groep die zichzelf spiritualen noemde, ijverde voor het geestelijke onderhouden van de regel van Franciscus en afkerig was van de ‘moderne’ wetenschap.

                Omdat de kloof steeds groter werd tussen beide groepen nam de paus in 1517 het besluit beide groepen van elkaar te scheiden. Zo ontstonden er twee aparte orden: de conventuelen die zich toelegde op de zielzorg en de observanten die vasthielden aan de oorspronkelijke, strenge leefregels en armoede. Voor een deel van de observanten ging deze hervorming evenwel niet ver genoeg. In 1525 kreeg een groep broeders onder leiding van Mattheüs van Bascio toestemming voor een nog strengere leefwijze. Ze werden een geheel zelfstandige orde, die vanwege hun opvallende, lange slappe puntkap, cappuccio in het Italiaans, de naam kapucijnen kreeg. 

                 

                De kapucijnen, officieel ‘Orde der Minderbroeders Kapucijnen’ genoemd, leven volgens de Regel van Sint Franciscus.

                De leefwijze van de kapucijnen onderscheidt zich daarnaast door een aantal specifieke kenmerken:

                 

                • Contemplatie in actie. Gebed en bezinning vormen de basis van hun dag, maar deze spiritualiteit is altijd gekoppeld aan concrete actie en naastenliefde. Zij staan erom bekend dat zij zich inzetten voor armen, zieken en behoeftigen.
                • Extreme eenvoud. De orde wilden terug naar de oorspronkelijke, strenge eenvoud en radicale armoede zoals Franciscus die ooit had bedoeld.
                • Gebedsleven en de kap. Het dagelijks leven is sterk gestructureerd door vaste gebedstijden in het klooster. Daarnaast staat het dragen van de traditionele bruine monnikspij met een lange, spitse kap centraal.














                 


                                                                                              Kapucijnen             Clarissen.


                Toen Clara Sciffi (1104-1253) en haar zus Agnes zich in 1211 aansloten bij de leefwijze van Franciscus, kreeg het franciscanerbroederschap ook een tak van zusters: de Clarissen.

                Clara Sciffi werd geboren als dochter van de edelman Favarone di Offreduccio di Bernadino. Ze had een religieuze roeping en weigerde een door haar familie voorgesteld huwelijk. In 1211 hoorde ze Rufino, haar neef en een van de eerste gezellen van Franciscus van Assisi, preken. Een jaar later verliet ze met hulp van Franciscus van Assisi het ouderlijk huis en legde zich toe op de navolging van Christus in radicale armoede. Ze vestigde zich in San Damiano. Daar stichtte ze samen met haar zus Agnes en met steun van Franciscus de Arme Vrouwen van San Damiano, de latere clarissen.

                 

                De later door Clara Sciffi, later bekend als Clara van Assisi, geformuleerde leefregels 'Levensvorm' zijn gebaseerd op de regels van Franciscus, met als pijlers radicale armoede, stilte, zusterschap, gebed en teruggetrokkenheid. Het was de eerste keer in de kerkgeschiedenis dat een regel die door een vrouw geschreven was, door de paus werd goedgekeurd.

                De hoofdthema’s van de regel waren:

                 

                • Radicale Armoede: Zusters bezitten geen persoonlijke of gemeenschappelijke goederen en leven volledig van wat hun door de voorzienigheid en eigen arbeid toekomt.
                • Gebed: Het leven is strak ingedeeld met vaste tijden voor gezamenlijk gebed (het getijdengebed) en contemplatie. Daarnaast verrichten ze handenarbeid in het klooster.
                • Stilte en teruggetrokkenheid: Er gelden strenge regels rondom stilte, vooral in de kapel, slaapzalen en tijdens de maaltijden. Het contact met de buitenwereld is beperkt: ze leven in een slotklooster.
                • Zusterschap: Beslissingen worden genomen in zusterschap. Iedereen is gelijkwaardig en de abdis dient de anderen te dienen.

                 

                Paus Urbanus IV gaf in 1263 een nieuwe regel uit die door de meeste clarissenkloosters werd gevolgd, urbanisten of rijke claren genoemd. Een pleidooi van de Heilige Coleta om terug te keren naar de regel van Clara leidde rond 1410 tot het ontstaan van de clarissen coletienen als afscheiding van de 'rijke' clarissen, hoewel die ook zo rijk niet waren. Later ontstonden weer nieuwe groeperingen, namelijk de kapucinessen en recollectinen. In 1953 keerden vele clarissenkloosters wereldwijd terug naar de oorspronkelijke regel van Clara, ook de clarissen in Nederland deden dat. Daarmee verdween het onderscheid tussen 'arme en rijke claren'.

                 

                Vermeld moet worden dat de strenge kloosterregels van zusters sterk beïnvloed werden door het kerkelijke gezag van Rome. Zo werd geëist dat alle vrouwelijke religieuzen in beslotenheid leefden: ze mochten het kloosterterrein niet af en anderen mochten daar zonder pauselijke toestemming niet komen. In het begin waren alle kloosters arm. Dat duurde niet heel lang omdat het lastig en soms zelfs levensbedreigend bleek.

                 

                Naast de clarissen vormde zich een groot aantal congregaties voor vrouwen die de regel van Franciscus volgen, maar geen contemplatief leven leiden zoals de clarissen dat doen, maar meestal ‘wereldlijke activiteiten’ verrichten in bijvoorbeeld de zorg en het onderwijs. Ze leven onder de noemer van Zusters Franciscanessen of met een moderne term: franciscaanse seculieren. Deze ‘Reguliere Derde Orde van de heilige Franciscus’, kreeg in 1982 een nieuwe en goedgekeurde versie en statuten van de eerdere regel uit de veertiende eeuw, waarin de geloften van gehoorzaamheid, kuisheid en armoede waren opgenomen.

                 

                Na het overlijden in 1226 werd Franciscus in 1228 heilig verklaard. Zijn verering werd bevorderd door de paus en de kardinalen. Paus Gregorius IX zag hem als een bruikbaar model in de bestrijding van ketters en andere vijanden van de kerk omdat veel franciscaner priesters als predikant werkten. Ze werden vaak ingezet in de inquisitie, met name in Italië. Daarentegen verloren de lekenbroeders hun bewegingsvrijheid en werkten voornamelijk binnenshuis in hun kloosters. 

                 

                Doordat de pausen de minderbroeders en de andere bedelordes bevorderden en veel privileges gaven, voelden de wereldse parochiepriesters zich in hun rechten en positie aangetast, wat ook gold voor de theologieprofessoren in Parijs die niet tot de bedelordes behoorden. Dit leidde tot de zogeheten bedelordestrijd in het midden van de dertiende eeuw die aan de universiteit van Parijs in grote lijnen door de bedelordes werd gewonnen.

                 

                Tegelijkertijd ontstond er binnen de minderbroedersorde ook discussie over de evangelische waarde van de armoede en hoe arm de minderbroeders moesten zijn. De pausen hadden het eigendomsrecht over de eigendommen van de minderbroeders, zodat de laatsten juridisch geen bezit hadden. Paus Johannes XXII maakte hieraan in 1322 een einde door al het bezit aan de minderbroedersorde te geven, zeer tot ongenoegen van een groep broeders die volledige materiële armoede voorstond.

                 

                Het is minder gebruikelijk geworden dat mensen die door de oproep en levenswijze van Franciscus geïnspireerd zijn zich aan een orde of congregatie verbinden. Zij worden in Nederland veelal lid van ‘de Franciscaanse Beweging’, een vereniging voor mensen met interesse voor het gedachtengoed en de spiritualiteit van Franciscus en Clara van Assisi. Ze proberen hun waarden op een laagdrempelige manier te verspreiden in de maatschappij. Ze zetten zich in voor een samenleving waarin iedereen een plaats heeft, waarin men op elkaar betrokken is en waarin men kwetsbaar en eerlijk durft te zijn. Een samenleving waarin niet macht, bezit en succes leidend is, maar dat we allemaal gelijk zijn. De leden leven graag eenvoudig en vredelievend.

                5.6 Dominicanen.

                 

                De orde van dominicanen werd in 1215 in Frankrijk opgericht door de in het Spaanse Castilië geboren priester Dominicus de Gusmàn (1170-1221). Rond 1195 werd hij kanunnik van de kathedraal van het Spaanse Osma, het huidige Burgo de Osma.

                  In 1203 en 1205 begeleidde Dominicus als subprior van het kathedraalkapittel de bisschop Diego van Osma op reizen naar Scandinavië in opdracht van de koning van Castilië. Dominicus vatte hierdoor het idee op om in Scandinavië te gaan missioneren. In 1206 kreeg hij echter van de paus een missietaak in de Languedoc in Frankrijk om daar samen met de cisterciënzers de kathaarse ketters te bestrijden. De cisterciënzermonniken bereikten daar weinig door hun hooghartige optreden en luxueuze uitstraling. Dominicus richtte in Toulouse een orde op voor deze missietaak en begon de prediking in alle eenvoud. Volgens hem moest ketterij bestreden worden door predikers die met een eenvoudige leefstijl hun woorden geloofwaardigheid en autoriteit geven. Hierdoor staan de dominicanen als ‘predikbroeders’ of ‘predikheren’ bekend. De orde van de dominicanen werd op 22 december 1216 goedgekeurd door paus Honorius III.

                Eind 1206 stichtte hij in Prouille in het Franse departement Aude een toevluchtsoord en klooster voor bekeerde vrouwen en meisjes. Het klooster diende tevens als uitvalsbasis voor zijn predikingen tegen de katharen. Het werd het eerste klooster van de latere  dominicanessen.

                 

                Dominicus stuurde de eerste leden van de orde naar de universiteit van Parijs en Bologna om daar theologie te studeren. Zelf predikte Dominicus vooral in Noord-Italië. Hij staat bekend om de promotie van het rozenkransgebed. Nog in leven deed hij afstand van de leiding van de orde. Uitgeput door de vele reizen, stierf hij in 1221 in het klooster van San Niccolé delle Vigne in het Italiaanse Bologna, de huidige Basiliek San Domeneco.
















                                                                                                                                    Dominicaans habijt.

                 

                Dominicus inspireerde mensen door zijn opgewekte aard, praktische instelling en een scherp oog voor de tekenen van de tijd. Hij richtte een dynamische orde op die wordt gekenmerkt door intellectuele inspanningen, grondige studie, actieve interesse in de stedelijke samenleving, prediking en missionaire activiteiten.

                De 'domini canes' oftewel 'honden van de heer' speelden vanuit hun oorspronkelijke opdracht van de paus een belangrijke rol in de inquisitie: het onderzoek naar en het opleggen van straffen aan ketters ofwel aan mensen met geloofsopvattingen die afwijken van de kerkelijke geloofsleer.

                 

                De dominicanen behoren met onder andere de franciscanen tot de bedelorden, volgen de Regel van Augustinus en eigen constituties en verbinden contemplatie beschouwing met actie.

                De Regel van Sint-Augustinus is de oudst bewaarde kloosterregel van het westerse christendom, geschreven door de kerkvader Augustinus van Hippo (354-430). De kern van deze leefregel is samen te vatten als: één van hart en één van ziel op weg naar God, waarbij diepe vriendschap, naastenliefde en nederigheid centraal staan. 

                 

                De regel kent een aantal belangrijke pijlers:

                 

                • Gemeenschapsleven: De overtuiging dat alles gedeeld moet worden. Persoonlijk bezit wordt afgezworen. Alle bezittingen worden eerlijk verdeeld onder de gemeenschap naar ieders behoefte. 
                • Relaties en naastenliefde: Aandacht voor harmonie. Conflicten moeten direct worden uitgepraat en men dient elkaar oprecht te vergeven. Dienstbaarheid aan elkaar is belangrijker dan het blindelings opvolgen van strenge wetten.
                • Gehoorzaamheid en gezag: De overste (prior) regeert niet als een dictator, maar dient door zijn medebroeders of zusters geliefd te worden. Hij of zij draagt de verantwoordelijkheid voor de groep tegenover God. 
                • Dagelijks leven: Instructies omtrent gematigdheid, zoals vasten naar vermogen, gezamenlijk gebed, lichamelijke verzorging, en het zorgvuldig omgaan met elkaar tijdens de maaltijden, waarbij men luistert naar de Schrift in plaats van te praten. 

                 

                Omdat Augustinus niet uitging van strenge, kille versterving, maar van de liefde, is zijn Regel relatief toegankelijk. Het document vormt tot op de dag van vandaag de spirituele basis voor vele kloosterorden en congregaties, waaronder de Augustijnen, Dominicanen, Norbertijnen en Kruisheren.

                 

                Zoals bij vele ordes verslapte op den duur de discipline om zich te houden aan de regel. Tegelijk bloeide de dominicaanse mystiek, met name door dominicaanse monniken als Meester Eckhart (1260-1328).

                Mystiek stamt af van het Griekse mystikós, wat 'verborgen' of 'geheim' betekent en verwijst in brede zin naar het streven om direct, persoonlijk contact te ervaren met het goddelijke of het allerhoogste. Het gaat om een innerlijke reis waarbij men voorbij het verstandelijke probeert te kijken om de ultieme werkelijkheid te voelen.

                 

                Eind veertiende eeuw ontstond er als reactie op de verslapping van het naleven van de oorspronkelijke regel een observantiebeweging: een beweging die een strikte naleving, het in acht nemen van regels, of een gewoonte nastreefde. Deze kreeg vooral vorm in kloosters in Noord-Nederland.

                 

                Maar ook was er de Spaanse dominicaan Vincent Ferrer (1350–1419) die bekend stond om zijn felle antisemitische prediking. Hoewel zijn intentie was om Joden over te halen zich tot het christendom te bekeren, ging dit gepaard met agressieve dwang:

                 

                • Infiltratie en Dwang: Vanaf 1412 reisde hij als boetepredikant door Spanje. Hij drong synagogen binnen en eiste dat ze werden omgebouwd tot kerken.
                • Geweld en Oproer: Zijn vurige preken zetten de plaatselijke bevolking vaak aan tot zware gewelddadigheden en rellen tegen Joodse gemeenschappen, wat resulteerde in plunderingen en moordpartijen.
                • Discriminatoire Wetgeving: Hij beïnvloedde koningen en autoriteiten om strenge anti-Joodse wetten en segregatiemaatregelen in te voeren.
                • Gedwongen Bekeringen: Hoewel hij duizenden Joden wist te bekeren, gebeurde dit vaak onder extreme maatschappelijke en fysieke dreiging.

                 

                Ondanks deze acties tegen de Joden die in die middeleeuwse context door de kerk werden goedgekeurd, staat hij binnen het katholicisme bekend als een wonderdoener en werd hij in 1455 heilig verklaard.

                Ook de beruchte vijftiende-eeuwse Spaanse grootinquisiteur Tomás de Torquemada was een dominicaan.  

                 

                Begin zestiende eeuw komt er van de dominicanen een ander beeld naar voren. Maarten Luther raakte als augustijn juist met dominicanen in conflict. In Spanje becommentarieerden dominicaanse theologen de theologische en juridische gevolgen van de veroveringen in de Nieuwe Wereld en staan daarmee tot op zekere hoogte mede aan de oorsprong van het volkenrecht en de mensenrechten.

                 

                Vele dominicaanse bisschoppen en theologen namen deel aan het Concilie van Trente dat de Contrareformatie inluidde. Paus Pius V stelde de traditie in dat de pausen het witte gewaad van de dominicanen dragen, echter zonder de zwarte mantel. Aan de dominicanen is sinds eeuwen de functie van magister palatii toevertrouwd, de huistheoloog van de paus.

                 

                De dominicanen waren ook al snel in Latijns-Amerika aanwezig. De dominicanes Rosa van Lima werd in de zeventiende eeuw zelfs de eerste heilige van dit continent. De dominicaanse heilige Martinus van Porres doorbrak als mulat (iemand die geboren is uit één blanke Europese en één zwarte Afrikaanse ouder) de grenzen van een blanke Europese orde.

                 

                De naam van het land met de naam 'Dominicaanse Republiek' is afgeleid van de hoofdstad Santo Domingo.  De Spaanse ontdekkingsreiziger Bartholomeus Columbus, broer van Christoffel Columbus, stichtte in 1496 de eerste stad in Amerika. Hij noemde de stad Santo Domingo de Guzmán, als eerbetoon aan de heilige Dominicus, de stichter van de orde van de dominicanen. Omdat de belangrijkste kolonie en het Spaanse deel van het eiland rond Santo Domingo lagen, werden de inwoners en het gebied in de volksmond al snel 'Dominicaans' genoemd. Toen het land in 1844 onafhankelijk werd, werd deze benaming officieel vastgelegd.

                5.7 Augustijnen.

                 

                Onder de naam augustijnen vallen twee families van kloosterordes die beide leven volgens de regels van Sint Augustinus en daarmee streven naar een innerlijke harmonie met God. De augustijnse familie wordt gevormd door de orde van Augustijner koorheren en de orde van Sint Augustinus.

                 

                Augustijner koorheren.

                De geschiedenis van de Augustijner koorheren, ook aangeduid als ‘reguliere kanunniken’, gaat terug naar de tijd na het Edict van Milaan in 313, waarin er godsdienstvrijheid werd gegeven aan het Christendom en de er structuren ontstonden om het Christelijke geloof te verbreiden en beschermen. Zo ontstonden er kerkprovincies, bisdommen en parochies als bestuurlijke onderdelen binnen de Katholieke Kerk. Aan het hoofd van een bisdom stond een bisschop. Rondom hem ontstond een groep priesters die de bisschop bijstond in het bestuur van het bisdom en in het apostolaat: de taak van de kerk om het geloof te verspreiden in de wereld. Zij worden kanunniken genoemd.

                Deze kanunniken moesten leven volgens bepaalde regels die het leven in gemeenschap regelden. Vanaf de 11de eeuw is dit de regel van Augustinus, zoals die in het vorige hoofdstuk is beschreven.

                Vanaf de 11de eeuw werden kanunniken aangemoedigd om zich te groeperen in congregaties, kloostergemeenschappen onder leiding van een abt of proost.

                Zo ontstond in Italië rond 1244 de orde van augustijnen die zich baseerde op de geschriften en de leefregel van de kerkvader Sint-Augustinus van Hippo (354–430 n.Chr.), vandaar de naamgeving augustijnen. Omdat Augustinus zelf een groot filosoof en theoloog was, hechten augustijnen veel waarde aan de studie van theologie, filosofie, onderwijs en pastoraal werk en hebben ze zich tot doel gesteld om vanuit een leven in gemeenschap, werkzaam te zijn in parochies, onderwijs, permanente vorming en geestelijke begeleiding, met gemeenschapsleven, naastenliefde en gebed als centrale thema’s.

                 

                De orde bestaat zowel uit priesters en broeders en ook is er een vrouwelijke tak binnen deze orde, namelijk de Augustijner Koorvrouwen, oftewel Reguliere Kanunnikessen. Vaak stonden deze vrouwenkloosters onder toezicht van een klooster van augustijner koorheren en bij die gelegenheid namen de zusters de naam c.q. titel aan van de mannengemeenschap en vaak ook het ordekleed, de heiligenkalender en de spiritualiteit.

                Daarnaast is er een uitgebreide Familia Augustiana, die vooral uit leken bestaan die zich verbonden voelen met de leefregel van Augustinus en de augustijnse spiritualiteit. Ook bestaan er augustijnse jongerengroepen in de diverse landen waar augustijnen wonen. De huidige paus Leo XIV is een augustijn.

                 

                 

                 













                Bekende historische augustijner centra in Nederland zijn onder andere het klooster Rolduc in Kerkrade en het klooster van de Kruisheren (een verwante congregatie) in Maastricht, waarin nu een 5sterrenhotel is gevestigd. Het abdijcomplex van Rolduc is het grootste kloostercomplex van de Benelux en herbergt momenteel een hotel, conferentiecentrum en een grootseminarie en staat op de UNESCO-lijst van belangrijkste Nederlandse monumenten. Beide kloosters zijn hierboven afgebeeld.

                 

                De orde van Sint Augustinus (OSA) ofwel de Orde der Augustijnen.

                In de twaalfde eeuw ontstond een nieuwe religieuze beweging in Noord- en Midden-Italië, die zich eveneens naar de regel van Sint-Augustinus richtte. Paus Alexander IV voegde in 1256 een aantal afzonderlijke congregaties van heremieten (kluizenaars) samen tot de nieuwe kloosterorde: de orde van de augustijner heremieten. Deze eenwording staat bekend als de grote vereniging (Magna Unio). Lange tijd heette de orde dan ook officieel Ordo Eremitarum Sancti Augustini, afgekort OESA. De augustijner heremieten behoren tot de bedelorden. Zij stellen zich ten dienste van de armen en verrichten pastorale werken. De augustijner heremieten zijn in 1968 opgegaan in de Orde van Sint-Augustinus (Ordo Fratrum Sancti Augustini, OSA).

                 

                Het generalaat, het algemene bestuur van de orde, is gevestigd in Rome. De orde wordt geleid door een prior generaal, bijgestaan door een vicaris generaal en het generaal bestuur. De leden van het generaal bestuur komen uit de provincies (provincialaat) van de orde. Vervolgens zijn er federaties van de orde, die grote gebieden van de wereld bestrijken. De federaties zijn vaak 'losse' samenwerkingsverbanden van lokale provincies. De federatie Noordwest-Europa omvat bijvoorbeeld de augustijnse provincies van Duitsland, Oostenrijk, Nederland en België. Naast provincies bestaan er nog, kleinere, vicariaten. Daarnaast is er een uitgebreide Familia Augustiana, die vooral uit leken bestaan die zich verbonden voelen met de leefregel van Augustinus en de augustijnse spiritualiteit. Ook bestaan er augustijnse jongerengroepen in de diverse landen waar augustijnen wonen.

                 

                5.7 Jezuïeten.

                 

                De orde van de Jezuïeten heeft als officiële naam ‘Sociëteit van Jezus’, in het Latijn: ‘Societas Jesu’. De leden van deze rooms-katholieke kloosterorde gebruiken hierdoor vaak de afkorting 'sj' of 'S.J.' achter hun naam.

                De orde werd in 1534 opgericht door een groep studievrienden rond Iñigo López de Loyola, beter bekend als Ignatius van Loyola (1491-1556).

                 

                 Íñigo López de Loyola was de zoon van een Spaanse, Baskische edelman. Hij zou tijdens zijn jonge jaren een losbandig leven hebben geleid en ging in 1517 onder de wapenen bij de onderkoning van Navarra. Zijn leven kreeg een ommekeer toen hij in 1521 als aanvoerder van de Spaanse troepen tijdens de Franse belegering van Pamplona zwaar verwond raakte aan zijn beide benen. Tijdens zijn ziekbed kwam hij in aanraking met christelijke literatuur. Hij ontdekte een soort ‘spirituele ridderlijkheid’ en koos een weg ‘als soldaat van Christus’.

                In 1522 ging hij naar het Benedictijner klooster van Santa Maria de Montserrat  Daar dacht hij na over zijn vroegere zonden, gaf zijn mooie kleren aan de armen, droeg kleding van jute en hing vervolgens zijn zwaard en dolk aan het altaar van Maria.

                Van Montserrat ging hij naar het bijgelegen Manresa waar hij een jaar in armoede leefde, bedelde voor zijn levensonderhoud en uiteindelijk klusjes deed in een plaatselijk ziekenhuis in ruil voor eten en onderdak.

                Hij bracht veel van zijn tijd door met bidden in een grot in de buurt, waar hij in rigoureuze ascese leefde en ontwikkelde daar voor zichzelf een bepaalde manier van spirituele oefeningen die hij vervolgens vastlegde in een document met als titel ‘Geestelijke oefeningen’. Deze kenmerkende 'ignatiaanse spiritualiteit' werd een van de indrukwekkendste en duurzaamste bijdragen aan de rooms-katholieke traditie van gebed en meditatie.

                 

                De ‘Geestelijke Oefeningen’ van Ignatius van Loyola bestaan uit een intensief programma van vier weken vol gebed, meditatie en gewetensonderzoek. Ze zijn ontworpen om los te komen van belemmerende gewoontes en om de wil van God te leren verstaan om zo betere en bewuste levenskeuzes te maken.

                De methode is modulair opgebouwd in vier zogeheten 'weken', die qua thematiek in elkaar overlopen:

                 

                - Week 1: Reiniging (Zonde en vergeving).

                Stilstaan bij de eigen kwetsbaarheid en tekortkomingen. Door barmhartigheid en vergeving te ervaren, ontstaat er innerlijke vrijheid om het eigen leven opnieuw vorm te geven.

                - Week 2: Verlichting (Het leven van Jezus).

                Beschouwen van het leven, de woorden en de daden van Jezus Christus. Dit helpt om Hem beter te leren kennen en te ontdekken wat jouw persoonlijke roeping of missie is.

                - Week 3: Vereniging (Lijden en sterven).

                Meelopen met Jezus in zijn lijdensweg. Het gaat hier om innerlijke verbondenheid en solidariteit met Christus in moeilijke tijden.

                - Week 4: Glorie (Verrijzenis en liefde).

                Stilstaan bij de verrijzenis van Jezus en zijn liefde voor de wereld. Het is een fase van vreugde, dankbaarheid en het leren vinden van 'God in alle dingen'.

                 

                Traditioneel worden de oefeningen gedaan tijdens een dertig dagen durende stilteretraite. ‘Retraite’ betekent 'terugtrekking' en is een periode waarin je bewust afstand neemt van je dagelijkse leven en verplichtingen om tot rust te komen, te reflecteren en aan persoonlijke of spirituele groei te werken.

                Een kernonderdeel is leren luisteren naar je eigen innerlijke bewegingen: welke gedachten en gevoelens geven vrede en vreugde en welke brengen onrust en twijfel?

                 

                Rond 1523 bezocht Loyola de heilige plaatsen rond Jerusalem, maar keerde terug naar Europa toen het daar te gevaarlijk werd. Hij ging Latijn en theologie studeren aan de universiteit in Barcelona. Zijn theologie en preken trokken aandacht en hij kreeg vijf discipelen, volgelingen. De autoriteiten namen hem echter tweemaal in hechtenis en verboden hem religieus te prediken, waarna hij naar Frankrijk vertrok, waar hij in 1528 in Parijs aankwam en daar zes jaar bleef. Hij leefde er onder uiterst armoedige omstandigheden.

                 

                In 1534 ontstonden er conflicten tussen aanhangers van het Rooms-Katholieke gedachtengoed en dat van protestanten. Op zaterdag 15 augustus 1534 werden beelden van de Maagd Maria vernield en ketters gevangen en gedood. Enkele weken daarvoor waren in de universiteitswijk zes brandstapels geweest waarop onder andere verboden werken van de protestantse Martin Luther werden verbrand.

                In de ochtend van Maria-Tenhemelopneming, 15 augustus 1534, gingen zeven vrienden, waaronder Loyola en Franciscus Xaverius naar Montmartre en verzamelden zich in een kapel die was gewijd aan Saint-Denis, de patroonheilige van de stad. Ze legden daar de plechtige beloften van armoede af en beloofde om naar het Heilige Land te gaan om aan de ‘ongelovigen’ het evangelie te prediken. Petrus Faber, die als enige van hen al tot priester was gewijd, droeg er een eenvoudige mis op. 

                Simon Rodriguez, die erbij was, herinnerde zich de gebeurtenis veertig jaar later als een 'niet te vatten wonderbaarlijke gebeurtenis'. Daar werd de basis gelegd voor de orde van de Jezuïeten, de Sociëteit van Jezus.

                In 1581 zou paus Gregorius XIII tegen een lid van de Sociëteit van Jezus zeggen:


                ‘Er is vandaag de dag geen krachtiger wapen tegen ketters door God beschikbaar gesteld dan uw heilige orde. Zij is ontstaan op precies hetzelfde moment dat de nieuwe dwaling zich begon te verspreiden.'

                 

                Loyola trok in december 1535 naar Venetië waar hij Pierre Caraffa leerde kennen die de religieuze orde van de Theatijnen had gesticht. Loyola werd Caraffa's intieme vriend en legde hem een plan voor om de orde te hervormen. Toen Caraffa het plan afwees, maar hem aanbood lid te worden, was Loyola vastbesloten om zelf een nieuwe religieuze gemeenschap op te richten.

                 

                In 1537 werd Layola tot priester gewijd. In datzelfde jaar ging hij samen met drie vrienden naar Rome dat het centrum werd van hun prediking en onderricht en waar ook kardinaal Gasparo Contarini een medestander werd en vertrouwd raakte met ‘de geestelijke oefeningen’ van Layola.

                In 1539 kon de voorgenomen reis naar Jerusalem doorgaan, met toestemming van paus Paulus III en door fondsen die door hem beschikbaar werden gesteld.

                 

                De Sociëteit van Jezus, waarvan in 1534 de basis was gelegd in Parijs, kreeg pas in september 1540 officiële erkenning in de pauselijke bul ‘Regimini militantis ecclesiae’ (Aan het bestuur van de strijdende Kerk) van paus Paulus III. In 1541 werd Loyola tot eerste generale overste van de jezuïeten benoemd.

                 

                De ‘Formula Instituti’ vormde de basis voor de stichtingsakte van de sociëteit, waarin als een van de belangrijkste plichten van de jezuïeten werd genoemd: ‘De verdediging en voortplanting van het geloof’.

                In een tijd waarin er veel kritiek werd geuit door zowel protestanten als katholieken op de Rooms-Katholieke Kerk was het doel van de sociëteit: ‘spirituele vernieuwing, het zuiveren van de ziel, het corrigeren van dogmatische onkunde, het uitbannen van zonde en bijgeloof.'

                 

                Verschil van mening en vrije uitoefening van de individuele wil werden in Loyola's nieuwe orde niet op prijs gesteld. Nieuwe leden werden pas na een proeftijd toegelaten, waarbij ze nauwkeurig werden begeleid en beoordeeld. De generale overste moest worden gezien ‘als Christus de Heer zelf’ en de leden dienden hun eigen wil en oordeel aan hem ondergeschikt te maken ‘als waren ze een dood lichaam, dat in elke richting bewogen en geleid kon worden’.

                Het proces dat nieuwe leden moeten doorlopen om uiteindelijk te kunnen toetreden tot de orde van de Jezuïeten, komt in grote lijnen overeen met het algemeen geldende opleidingsproces binnen kloosterordes, zoals dat in hoofdstuk 4 is beschreven.

                Er was eerst een tweejarig noviciaat, een periode van zelfonderzoek en spirituele instructie. Dan kwam het moment om de drie geloften van reinheid, armoede en gehoorzaamheid af te leggen. Bij die gelegenheid werd besloten of een individu broeder of 'scholastiek' werd.

                Een scholastiek was bestemd voor het priesterschap en studeerde gewoonlijk drie jaar filosofie en meestal vier jaar theologie. Deze studietijd werd onderbroken door de 'interstitie', doorgaans een periode van lesgeven.

                Tijdens een laatste periode van bezinning, 'tertiaat' genoemd, werd de persoon in kwestie spiritueel getoetst, waarbij de ‘Geestelijke oefeningen’ volledig werden doorlopen. Dan werden de drie geloften herhaald en werd besloten of de inmiddels volledig gevormde jezuïet 'Geestelijk Helper' of een 'geprofest' jezuïet werd. Een spiritueel helper is iemand die je begeleidt in je persoonlijke geloofs- en levensvragen. Een geprofeste jezuïet is een volwaardig lid van de jezuïetenorde die aanvullend de gelofte van gehoorzaamheid aflegt aan de paus voor het uitdragen van het geloof.

                De banden met familie en vrienden moesten worden verbroken. Bezittingen moesten binnen een jaar worden afgestoten, nog beter was het ze aan de Sociëteit te vermaken. De leden moesten arm zijn, maar de Sociëteit mocht wel schenkingen aannemen, en 13 jaar na de stichting waren er al 100 rijke colleges gesticht.

                 

                De spiritualiteit die de jezuïeten steunden, zou niet bedoeld zijn als 'een soort agressieve reactie tegen de protestantse ketterij', maar stevig geworteld zijn in de middeleeuwse traditie van de Moderne Devotie. Het vernietigen van de protestantse ketters was nooit onderdeel van Loyola's plan geweest. Toch wilden de jezuïeten het protestantisme zo snel en doelmatig mogelijk vernietigen. 

                 

                De nieuwe sociëteit organiseerde zich op efficiënte wijze door nieuwe leden te ronselen en op te leiden en begunstigers te vinden. Door een snelgroeiend ledental, met totaal verschillende maatschappelijke achtergronden, begon men zich te verspreiden over de preekstoelen en klaslokalen van Europa en de missiegebieden van Azië en Noord- en Zuid-Amerika.

                Bezigheden van de jezuïeten waren onder andere het begeleiden van ‘geestelijke oefeningen’, catechese, het geven van onderwijs, geestelijke begeleiding, werken op het raakvlak van geloof, cultuur, wetenschap en gerechtigheid.

                 

                Jezuïeten dragen in tegenstelling tot traditionele monniken geen klassiek habijt. Hun kleding bestaat doorgaans uit moderne, alledaagse burgerkleding, vaak een broek met een overhemd of colbert, aangepast aan de cultuur en regio waarin zij werken. Ze proberen zo min mogelijk op te vallen en zich te mengen onder de mensen in de maatschappij.

                Historisch gezien droegen vroege jezuïeten wel een standaard zwarte soutane (toog) met een riem, vergelijkbaar met de traditionele kleding van seculiere priesters, maar dit is in de moderne tijd afgeschaft.

                 

                Ignatius van Loyola overleed in 1556 op vijfenzestigjarige leeftijd, na jarenlang ziek te zijn geweest. Na zijn heiligverklaring in 1622 werd hij begraven in de jezuïetenkerk il Gesù  in Rome en werd voor hem de kerk Sant'Ignazio opgericht, eveneens in Rome.

                 

                Van de verschillende instellingen die aan Ignatius van Loyola gewijd zijn is een van de meest bekende de Sint-Ignatiusbasiliek, gebouwd naast zijn geboortehuis in  Azpeitia in Spaans Baskenland. Het huis zelf is als museum opgenomen in de basiliek.

                 

                 











                 

                                                                                                                   Il Gesù in Rome.

                 

                                                      

                 












                                                                           SantÍgnazio in Rome.                                 De Sint-Ignatiusbasiliek in Azpeitia.  

                          

                De nalatenschap van Ignatius omvat talrijke onderwijsinstellingen over de hele wereld. Daarnaast zijn er ook tal van bezinningscentra, sociale centra, uitgeverijen, onderzoeksinstellingen, parochies, enzovoort.

                Jezuïeten zijn vrijwel zonder uitzondering kritische intellectuelen, die als individu geen blad voor de mond nemen en ook hun leerlingen opvoeden tot kritische individuen. De vaak maatschappelijk toonaangevende ordeleden waren in veel landen, zeker die met totalitaire regimes, ongeliefd. Zelfs werden de jezuïeten, onder wie Pierre Teilhard de Chardin, in 1904 uit het toch liberale Frankrijk verbannen, omdat zij naar de smaak van de antiklerikale regering van die dagen te veel invloed wilden uitoefenen.

                Tegelijk hebben de jezuïeten paradoxaal van oudsher de reputatie gehoorzaamheid te praktiseren. Hun bijzondere band met de paus (sommige jezuïeten leggen een vierde gelofte af van gehoorzaamheid aan de paus) heeft ze in bepaalde perioden in conflict gebracht met andere stromingen binnen de Kerk. Zo heeft een hoogoplopend conflict met de apostolische vicaris Codde van Utrecht in de 17de geresulteerd in het Schisma van Utrecht en het ontstaan van de Oudkatholieke Kerk: een katholieke kerk die zich buiten het kerkelijk gezag van Rome stelde.

                Met paus Franciscus kreeg de Katholieke Kerk in 2013 voor het eerst in haar geschiedenis een jezuïet als paus.

                 

                *

                Naast de hierboven besproken ordes zijn er nog vele tientallen andere ordes in loop van de tijd gesticht en goedgekeurd door de paus, zoals de norbertijnen, redemptoristen, karmelieten, kruisheren en de orde waarbij ik tien jaar de priesteropleiding volgde aan het klein- en grootseminarie, namelijk de Missionarissen Oblaten van de Onbevlekte Maagd Maria, afgekort als OMI, Oblati Mariae Immaculatae: een internationale rooms-katholieke congregatie van priesters en broeders. De orde werd in 1816 in Frankrijk gesticht door de heilige Eugène de Mazenod met als missie het ondersteunen van de armen, de minstbedeelden en zendingsmissies wereldwijd.

                 

                Het bespreken van al deze ordes is binnen de doelstelling van dit boekje niet zinnig. In het begin van dit boekje schreef ik dat ik nieuwsgierig was hoe het kloosterleven in haar verschillende verschijningsvormen is ontstaan, zich heeft ontwikkeld en hoe het wellicht een rol kan spelen in een samenleving die is verdwaald in het materiele en haar verbinding met het hogere, met ons verleden en onze toekomst is kwijtgeraakt en alleen de huidige werkelijkheid erkent, zonder verbinding met ‘verder’ en daardoor uitzichtloos en dus zinloos is geworden en als zodanig door velen wordt ervaren.

                 

                *

                 

                Het voorafgaande heeft naar mijn mening enig inzicht gegeven in hoe het kloosterleven in haar verschillende verschijningsvormen is ontstaan en zich heeft ontwikkeld. Rest de vraag hoe elementen uit het kloosterleven een rol kunnen spelen in een tijd waarin velen het zicht zijn kwijtgeraakt op de zin, het ‘verder’ van dit leven en zich daardoor verdwaald voelen in dit leven, niet goed weten wat ze ermee en erin moeten doen. In het volgende hoofdstuk wordt geprobeerd aan te geven welke elementen van het kloosterleven we kunnen gebruiken om weer uit deze verdwaasdheid te geraken.

                6. Op zoek naar richtingaanwijzers.

                 

                Het antwoord op de vraag die ik me had voorgenomen te beantwoorden in dit hoofdstuk, namelijk welke elementen van het kloosterleven we zouden kunnen gebruiken om uit de verdwaasdheid van deze tijd te geraken, had enige tijd nodig om in me op te komen. Na het afsluiten van de zoektocht naar het hoe en wat van kloosterordes, moest ik even omschakelen van buiten naar binnen, van het opnemen van een stuk geschiedenis via allerlei kanalen, naar de verwerking, de vertering ervan om zicht te krijgen op haar mogelijk bijdrage aan de kwaliteit van het leven in de huidige tijd. En dat blijken, zo ervoer ik voor de zoveelste maal, twee totaal verschillende processen te zijn: opnemen en verteren/verwerken. Het zijn natuurlijke en samenhangende processen zoals we die dagelijks ervaren bij alles wat we doen, zoals eten, studeren en het verwerken van allerlei opgedane indrukken. Ze zorgen ervoor dat we letterlijk en figuurlijk voedingsstoffen halen uit dat wat we allemaal letterlijk en figuurlijk in ons opnemen en zijn als zodanig een essentieel onderdeel van wat in essentie leven is: groei en ontwikkeling. 

                 

                Na een week dubben en de voorafgaande teksten nog eens rustig doorlezend, kwam er opeens het woord ‘verinnerlijken’ in me op. Het was niet alleen het vinden van woorden voor een belangrijk onderdeel van het voorafgaande proces van ‘opnemen en verwerken’, maar ook van de gestructureerde afwisseling van ‘ora et labora’ (arbeid en gebed) in het leven van kloosterlingen. Gebed en meditatie zijn vormen van verinnerlijking waarin ‘het zijn en werken in de wereld’ niet alleen wordt geëvalueerd maar ook ondersteund en gevoed door wat kloosterlingen aan diepe overtuigingen hebben over de zin van het leven. En dat is niet alleen voor kloosterlingen van belang maar voor ons allemaal en wel om bij onszelf te blijven, onszelf niet te verliezen in de materiële wereld, vanuit de neiging om daar volledig in op te gaan. En dat vraagt om verinnerlijking, om ons naar binnen te keren, aandacht te besteden wat er diep in onszelf leeft, om aandacht vraagt, om ruimte te krijgen en ontwikkeld te worden.  

                 

                De diepe behoefte om bij onszelf te willen blijven ligt volgens mijn diepste overtuiging in het gegeven dat daar onze levensenergie ligt, onze eigen specifieke dromen, datgene wat we ons hadden voorgenomen om in dit leven te realiseren op de voortdurende weg van onze groei en ontwikkeling: de essentie van leven. Een tulp wil en kan alleen een tulp worden, een eikenboom alleen een eikenboom en een grassprietje alleen een grassprietje, met ieder hun eigen specifieke kwaliteiten waarmee ze een belangrijke bijdrage leveren aan het functioneren van de wereld.

                 

                Groei en ontwikkeling vragen, zoals Robert Pirsig schrijft in het boek 'Lila: Een onderzoek naar moraal', om perioden van dynamiek en stabiliteit, van activiteit en rust, van doen en laten. We zien deze afwisseling overal, in de processen van de jaargetijden, in onze behoefte aan het ritme van waken en slapen en werken en rusten, in het ritme van dag en nacht, licht en donker dat ons aanzet tot actie en rust.

                Die natuurlijke processen hebben we ook overgenomen in visies over management- en levensprocessen, waarin we regelmatig stilstaan en reflecteren over wat we hebben gedaan en doen, nagaan of dat wat we doen overeenkomt met wat we ons hadden voorgenomen en of nog past bij ons en bij de voortdurend veranderende omstandigheden, zodat we ons denken en handelen eventueel kunnen veranderen, aanpassen. Verinnerlijken is herbronnen.

                 

                Reflectie, stil staan, ons denken en gedrag overzien en toetsen aan onze dromen, doelen en normen en waarden, is een van de belangrijkste eigenschappen die ons onderscheiden van dieren. En die eigenschap hebben we niet voor niets gekregen. We hebben ze gekregen omdat we de vormgevers zijn van ons leven en medescheppers van de wereld. We zijn immers, zoals ik in het eerste hoofdstuk schreef, geschapen door het Al, God of andere benamingen voor de schepper van alles, en dragen daardoor een goddelijke vonk in ons, een scheppende vonk. Verinnerlijken en het daarbij horende reflecteren, helpt om ons met die goddelijke vonk te verbinden en om te ontdekken, te weten van wat goed is om te denken en te doen, want ‘God’ omvat de oerenergie die alles voortstuw naar een hoger niveau, naar volmaaktheid.

                Soms mogen we iets van die volmaaktheid voelen als alles klopt aan een situatie, een schilderij, beeld, gebouw, inrichting of een landschap. Er is eenheid, verbinding, harmonie tussen alle elementen die er deel van uitmaken. Die momenten vergeten we nooit. Ze raken aan ons diepste verlangen en streven naar volmaaktheid, naar een situatie waarin alles en allen in verbinding met elkaar een glanzende eenheid vormen.

                Dit diepe verlangen en streven zou de basis moeten vormen voor de ethiek: de normen en waarden die ons helpen om te groeien naar deze glanzende eenheid.

                 

                De Chinese filosoof Lao-Tze omschreef in de 6de eeuw voor Christus het leven als ‘De weg’ (Dao) die we creëren terwijl we hem gaan. Alles wat we doen en de wijze waarop we ons leven leven, beïnvloedt onszelf en alles om ons heen. Volgens Lao-Tze is er een goede en een verkeerde weg. 'Goed' betekent dat we afgestemd zijn op de wereld om ons heen, ermee in contact staan en er op de juiste manier op reageren zodat we een weg scheppen en lopen waarop wij en alle mensen om ons heen kunnen floreren. Een verkeerde weg is omgekeerd: alleen maar mikken op ons eigen succes en macht, ongeacht hoe het met andere mensen gaat. Dat is ‘verkeerd’ omdat het op de lange duur ons leven en dat van de mensen om ons heen niet ten goede komt. 

                 

                De Griekse filosoof Aristoteles ontwikkelde in de vierde eeuw voor Christus een deugdenethiek die grote invloed zou hebben op de ethiek van het christendom en de leefregels van kloosterordes.

                Aristoteles formuleerde als belangrijkste deugden: rechtvaardigheid, moed, verstandigheid en matigheid. En goed handelen vereiste volgens hem het vinden van het midden tussen verstand en gevoel, altruïsme en egoïsme, rijkdom en armoede en tussen andere uitersten. Zo is moed volgens Aristoteles het midden tussen de uitersten van lafheid en roekeloosheid. Wie te moedig is, is roekeloos, en wie te weinig moed bezit, is laf. Iemand is volgens Aristoteles echt moedig als hij een gulden middenweg vindt tussen twee extremen.

                De middenweg, de balans tussen extremen kan worden gevonden door de middenweg te herkennen en te verkennen. De deugd van moed ontwikkel je bijvoorbeeld door eerst iemand te observeren die de deugd moed goed ontwikkeld heeft. Daarna komt het erop aan de deugd te verfijnen door veel te oefenen.

                Door deugdzaam te leven bereiken we volgens Aristoteles ‘eudaimonia’, grofweg te vertalen als ‘geluk’ of ‘een goed leven’. De vijf dimensies van ‘het goede leven’ zijn volgens Aristoteles:

                 

                1. de relaties met medemensen;
                2. de informele en formele instituties zoals staat, school, gezin, vereniging, rechtspraak;
                3. het lichamelijke welzijn;
                4. de verbinding met de natuur;
                5. de zingeving;
                6. de geest.

                 

                De menselijke geest werkt volgens Aristoteles nauw samen met het lichaam en omvatte de volgende hoofdcomponenten:


                • De waarneming: De geest ontvangt via de zintuigen indrukken uit de buitenwereld en slaat deze op in het geheugen.
                • De actieve rede (nous poietikos): Dit is het zuivere, goddelijke en onsterfelijke deel van de menselijke geest. Het is het abstracte vermogen om de essenties en waarheden achter de waarnemingen te begrijpen.

                 

                Reflectie vereist niet alleen normen en waarden, ijkpunten waaraan we ons denken en handelen toetsen, maar ook rust en stilte en het nemen van de tijd om dit regelmatig te doen. Deze voorwaarden zijn al sinds het einde van de 19de eeuw bekend als de drie-eenheid: rust, reinheid en regelmaat, waarbij reinheid niet alleen staat voor een hygiënische fysieke omgeving, maar ook voor een goede psychische hygiëne, ons geestelijk welzijn, van dat waar we ons in onze dromen en gedachten mee bezig houden, of dat positief/opbouwend of negatief/afbrekend is voor onszelf en onze omgeving.

                De drie R-en hebben hun oorsprong in de Notes on Nursing van de Britse verpleegkundige Florence Nightingale (1820-1910), de grondlegger van de moderne verpleegkunde. De drie R-en werden overgenomen in de aanbevelingen voor de opvoeding van baby’s en kinderen omdat ze hun positieve werking inmiddels niet alleen bewezen hadden in het herstel van zieken maar ook in het scheppen van een goed opvoedings- en leefklimaat voor onze groei en ontwikkeling als mens en maatschappij.

                 

                Als ik de gang van zaken in de huidige maatschappij toets aan de hierboven aangegeven voorwaarden voor ‘de goede weg’ en de normen en waarden die hierbij gehanteerd zouden moeten worden, kan ik daar als exdocent alleen maar een ruime onvoldoende voor geven. Er is namelijk sprake van een duidelijke afname van rust, stilte, regelmaat, denken en handelen volgens duidelijke en goede normen en waarden en tijd en ruimte voor verinnerlijking en reflectie. De aangeprezen middenweg van Aristoteles tussen verinnerlijken en veruiterlijken is niet aanwezig. We zijn volledig veruiterlijkt, bezig met en gericht op de buitenwereld via urenlang scrollen op de sociale media en met hoe we over willen komen in de buitenwereld: we willen gezien worden. Het aantal selfies, het dagelijks posten van ons hele hebben en houden op de sociale media en het bijna ongeremd uiten van ‘geëtaleerde emoties’, zoals de schrijver Adriaan van Dis het noemt, en de enorme aandacht voor ons uiterlijk zijn daarvan een van de vele symptomen. Doordat we voortdurend met ‘de buitenwereld’ bezig zijn, is het logisch dat we verdwalen, de verbinding met ons diepste kern krijtraken en dus onszelf.

                En dat ‘onszelf kwijtraken’ houdt in dat we de verbinding met onze diepste dromen en verlangens verliezen en de energie die daaraan verbonden is. We worden alleen echt gelukkig als we dat wat er in het diepst van ons wezen vraagt om ontwikkeld worden, kunnen ontwikkelen. Een boom die zijn energie aan iets anders besteedt dan aan zijn eigen groei en ontwikkeling, zal op den duur sterven. En dat ‘sterven’ geldt ook voor ons: we raken uitgeblust en ervaren het leven als zinloos. We weten niet goed meer wat we met het leven aanmoeten, we voelen ons verdwaald, hebben geen doel en richting meer. De kans is dan groot dat we ‘opbranden’, dat we te weinig voldoening/energie halen uit ons leven en in een burn-out belanden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat een op de vijf werknemers kampt met serieuze burn-outklachten en dat jongvolwassenen tussen de 25 en 34 jaar hierin het meest kwetsbaar zijn.

                 

                Het gevoel van zinloosheid en verdwaaldheid brengt het gevaar met zich mee dat we vluchten in het pseudogeluk van plezier, vermaak, drugs en andere verslavende activiteiten en middelen, dat we ons ‘ongeluk wegeten’ en onze doelloosheid en verveling opvullen met swipen op de sociale media en met ‘netflixen’, met als gevolg een enorme toename van overgewicht, diabetes en socialemediaverslaving.

                Ook is het gevaar groot dat we ons laten meesleuren door wat ‘de maatschappij’ ons voorspiegelt als ‘dé weg naar geluk’ met de verlokkende beelden van rijkdom, succes en invloed/macht. En die beelden stralen niet alleen ‘de machtigen dezer aarde’ uit maar ook influencers en professionele marketeers via onder andere de alom aanwezige sociale media en door middel van uiterst slimme beïnvloedingstactieken.

                We hebben niet of te weinig in de gaten dat deze beïnvloeding gebeurt door mensen en organisaties die alleen uit zijn op hun eigenbelang door ons op allerlei manieren te verleiden tot het consumeren van een grote variatie aan producten, diensten en vermaak, die niet gericht zijn op ons welzijn, maar op het vermeerderen van hun rijkdom, succes en macht. En zo worden we niet alleen in toenemende mate pionnen in hun drang naar rijkdom, macht en succes, maar worden we ongemerkt meegevoerd op ‘de verkeerde weg’, de weg die op de lange duur ons leven en dat van de mensen om ons heen niet ten goede komt, omdat hij niet gericht is op onze persoonlijke en gemeenschappelijke groei en ontwikkeling: de essentie van alle leven.

                 

                Omdat we de verbinding met onszelf zijn kwijtgeraakt en daardoor enigszins verdwaald, zoeken we, zoals hierboven vermeld, voldoening in plezier en ontspanning en ontstaat er samenleving die de antropoloog en filosoof Ton Lemaire in zijn boek ‘Op weg naar het heden’ een ‘leuk-lekker samenleving’ noemt.

                In hetzelfde boek geeft hij een mooi voorbeeld hoe ons leven is veranderd doordat we niet meer verinnerlijken, niet meer vanuit onze diepste verlangens en dromen leven, een leven dat is gericht op groei en ontwikkeling van onszelf en de maatschappij.

                Het voorbeeld heeft betrekking op het huidige massatoerisme waarin de wereld een galerie is van attracties die afgevinkt moeten worden en toerisme een onderdeel is geworden van het consumentisme met zijn behoefte aan amusement en sensatie en van de angst om niets te missen: FOMO: fear of missing out.

                Toerisme was van oorsprong gericht op het ontdekken van andere landen, streken en culturen en dus op het verbreden van onze horizon en kennis, dus op onze groei en ontwikkeling.

                Ik vroeg een keer aan bekenden die altijd naar Griekenland op vakantie gingen, wat ze daar allemaal hadden ontdekt en als verrijkend hadden ervaren. Niets! Ze hadden in al die jaren nooit echt iets van Griekenland gezien omdat ze altijd in hetzelfde ‘all-in resort’ verbleven en daar nooit buiten waren geweest. Dat was voor mij een schok omdat ik altijd reisde vanuit de nieuwsgierigheid naar nieuwe landschappen en manieren van leven. Ook al verbleef ik soms een aantal keren op dezelfde plek, de wijde omgeving ervan was mijn ontdekkingsgebied met al zijn verschillende landschappen, bouwstijlen, kleuren, sferen, spraken, smaken en culturele uitingen. En daar heb ik enorm van genoten en geleerd. Het heeft mijn letterlijke en figuurlijke horizon verbreed en de verbinding met mensen en ‘de wereld’ versterkt.

                 

                Doordat we niet meer vanuit onze diepste verlangens en dromen leven, niet meer de energie krijgen die dat geeft, niet meer de tijd en rust nemen om te reflecteren over ons denken en doen, worden ook onze reacties steeds ongecontroleerder, reageren we vanuit onze instincten, onze onderbuikgevoelens en doen en zeggen we dingen zonder na te denken over wat de gevolgen ervan zijn voor onszelf en anderen. ‘Onszelf zijn’ houdt in deze tijd dan ook in: kunnen zeggen en doen wat erin ons opkomt, met alle schadelijke gevolgen voor onszelf en anderen, zoals dagelijks is te zien, te horen of te lezen op straat, op de televisie en de sociale media en bij de vele impulsaankopen die we doen, met achteraf: ‘zo had ik het niet bedoeld’ of een hoop spullen die we eigenlijk niet nodig hebben. En dit alles omdat we ons uiterst waardevolle en uniek menselijk vermogen niet gebruiken om te reflecteren, even te verinnerlijken, ons bewust te zijn van het feit dat ons denken, doen en laten invloed heeft op het leven van onszelf, anderen en op het functioneren van de maatschappij als geheel. Doordat we niet meer verinnerlijken, gaan we ons steeds meer gedragen als dieren, die zich in vele gevallen socialer blijken te gedragen dan wij. Een onthutsende conclusie die we serieus moeten nemen, evenals de desastreuse gevolgen van ons mateloos consumptiegedrag, zoals klimaat-, grondstof- en afvalproblemen.

                 

                In dit boekje ging ik op zoek naar het ontstaan, de groei en de wijze van leven van kloosterordes en wat hun manier van leven zou kunnen bijdrage aan het vinden van zingeving in onze tijd. We zagen hoe de eerste monniken in het Oosten en Midden-Oosten zich terugtrokken uit de wereld om in ascese te leven, dat wil zeggen: bewust en vrijwillig afzien van zinnelijke genoegens, materieel comfort en hartstochten, om een eeuwig verblijf in ‘de hemel’ te verwerven.

                De basis hiervan is de opvatting dat de verbinding met de materiele wereld ons verleidt tot slecht gedrag, tot het lopen van ‘de slechte weg’ en we ons daarom tegen haar negatieve invloeden moeten beschermen door er in meer of mindere mate letterlijk afstand van te nemen en vooral te leven volgens leefregels die gebaseerd zijn op de deugdenleer van Aristoteles en de uitspraken in de Bijbel, met als algemene hoofdpunten het leven in armoede/soberheid, gehele of gedeeltelijke teruggetrokkenheid uit de wereld, gebed, gehoorzaamheid aan de leiding en een celibatair leven.

                 

                Soberheid, af en toe afstand nemen van de drukte van alledag en tijd nemen voor rust, stilte, verinnerlijking en reflectie en het formuleren van en ons houden aan algemeen geldende deugden en de democratisch opgestelde regels en wetten, zijn zaken voor ons allemaal zouden moeten gelden, gezien de voorafgaande beschouwingen.

                Persoonlijk heb ik moeite met de verplichting tot een celibatair leven en het strenge kluizenaarschap van kloosterlingen, omdat ze voortkomen uit de eerdergenoemde christelijke opvatting dat de materiële wereld waarin we leven en dus ook ons fysieke lichaam en daaraan verbonden seksualiteit ons verleiden tot slecht gedrag, tot de slechte weg.

                 

                In het boekje ‘Over de katharen, de gnostiek en de teloorgang van het oorspronkelijke christelijke geloof’ heb ik uitgebreid beschreven hoe deze negatieve opvattingen zijn ontstaan en afwijken van de oorspronkelijke christelijke zienswijze.

                Volgens de orthodoxe katholieke leer wordt de mens door het eten van de appel van goed en kwaad door Adam en Eva in een staat van zonde geboren en kan hij alleen verlost worden uit dit zondige bestaan door de genade van God en onder voorwaarden dat hij zich houdt aan de voorschriften en wetten van de Katholieke Kerk, anders is hij verdoemd tot een eeuwig verblijf in de hel of minstens tot een tijdelijk verblijf in het vagevuur omdat niemand perfect is.

                Met deze negatieve en dwingende en van boven opgelegde opvattingen konden en kunnen mensen die hun visie baseren op de oorspronkelijke leer van Jezus, waarin liefde en vrijheid centraal staan, niet leven, waaronder gnostici zoals de katharen.

                Voor gnostici is de mens zelf de enige die zich kan ‘verlossen’ en ‘de hemel verdienen’, omdat ieder mens de vrije keuze heeft om goed of slecht te handelen, om de goede of de slechte weg te bewandelen. Hij kan de goede weg bewandelen en dus de weg vinden naar zijn uiteindelijke bestemming door goed te denken en te handelen vanuit het eigen diepe weten van liefde, ook als dat in strijd is met de leer van welk instituut dan ook. En dat diepe weten heeft de mens omdat hij een schepsel is van ‘God’ en daarom schuilt er in ieder mens een goddelijke vonk en het weten van wat liefde is omdat ‘God’ Liefde is: datgene wat alles verbindt en is. Maar daar zijn de meeste mensen zich doorgaans niet van bewust. Het gnostisch handelen vanuit deze gedachten helpt om ons weer met die goddelijke vonk te verbinden. Als we die verbinding hebben hersteld, beschikken we over gnosis, een persoonlijk weten van wat liefde en ‘de goede weg’ is.

                Om dat weten te bereiken, moeten we ons innerlijk vrijmaken van alle morele slavernij. Alleen wie zich vrij gemaakt heeft van uiterlijke morele dwang, kan de gnosis in zichzelf ontdekken, kan de goddelijke bron van liefde vinden en zijn leven vanuit liefde leven.

                De gnostiek kent dan ook geen centraal leergezag, zoals dat het geval is binnen de Christelijke kerken, omdat de gnostische grondgedachte is dat elk mens zijn eigen weten, zijn eigen geweten heeft, zijn eigen gnosis als hoogste morele toetssteen.

                 

                Een kernthema van de gnostiek is dat de mens van zichzelf vervreemd kan raken. De onverloste mens is zichzelf kwijt, verdwaald, waardoor hij het contact met zijn innerlijke wereld, de gnosis, verliest en leeft als een slaaf van onpersoonlijke machten.

                Door zich weer te verbinden met zijn ware zelf, zich zijn oorspronkelijke goddelijke aard weer te herinneren, wakker te worden, te genezen van blindheid, kan de mens verlost worden uit zijn vervreemding, dwaling.

                 

                Onze aarde is geschapen als een van de vele leerscholen op onze weg van groei en ontwikkeling. Net zoals wij hier op aarde scholen inrichten om hieraan een bijdrage te leveren, is dat ook het geval met de schepping van de aarde als levensschool. De christelijke negatieve opvatting als zou ‘het aardse’ ons verleiden tot het slechte, is dan ook onzin. Wijzelf zijn het die het kwaad op deze aarde brengen door verkeerde manieren van denken en handelen. Wij hebben de keuze om alles wat er op deze aarde aanwezig is en gebeurt wel of niet te gebruiken voor de groei en ontwikkeling van onszelf en de wereld. Door onze keuzes ontwikkelen we ‘de goede of de slechte weg’ en bepalen we mede of deze aarde een ‘goede leerschool’ is voor haar bewoners. We zijn immers medescheppers van ons eigen leven, dat van anderen en gang van zaken op deze aarde.

                 

                Vanuit deze positieve visie op ‘het aardse leven als school’ kunnen we kritisch kijken naar het verplichte celibaat en het kluizenaarsleven.

                Het verplichtte celibaat voor priesters en kloosterlingen werd pas officieel ingesteld in 1123 tijdens het Eerste Lateraans Concilie en in 1139 nogmaals streng bevestigd tijdens het Tweede Laeraans Concilie. Aan deze officiële instelling gingen een aantal stappen vooraf:

                 

                • Op het Concilie van Elvira (306) werden hogere geestelijken, zoals de paus, bisschoppen en dekens, verplicht tot onthouding, maar niet tot celibaat. Onthouding is een tijdelijke keuze om geen seks te hebben, vaak om persoonlijke of praktische redenen. Het celibaat is een levenslange, bewuste gelofte om niet te trouwen en volledig af te zien van alle seksuele handelingen.
                • Op het Concilie van Nicea in 325 stond het onderwerp celibaat’ op de kerkelijke agenda, met als doel om deze in te voeren voor bisschoppen en priesters. Maar ook hier werd geen officiële regel ingesteld. Het celibaat werd overgelaten aan ieders goeddunken.
                • De bisschop Augustinus van Hippo (354-430) betitelde seks in zijn werk Confessiones(Bekentenissen) als ‘vuil’ en zondig. Deze gedachte ontleende Augustinus overigens niet aan de Bijbel, maar was afkomstig uit de opleving van het gedachtegoed van de Griekse filosoof Plato. In zijn denken was een kuis en ascetisch leven een belangrijk ideaal. Het lichamelijke was slecht en verwerpelijk, het geestelijke het hoogste goed.
                • Op de rooms-katholieke synode in Mainz in 1075 maakte paus Gregorius VII bekend dat hij het celibaat instelde voor priesters én ook voor lagere geestelijken zoals diakens. Zij mochten niet huwen en moesten zich onthouden van seksuele handelingen. Was een priester al getrouwd volgens de kerkregels, dan gold een uitzondering. Geestelijken die het celibaat toch overtraden, zagen een zware straf tegemoet. Hij deed dit om ‘de kerk te zuiveren’ en te voorkomen dat kerkelijke bezittingen werden doorgegeven aan de kinderen.
                • Het celibaat was nu wel als disciplinaire regel ingevoerd, maar het werd pas echt opgelegd tijdens het Eerste Lateraanse Concilie in 1123 voor alle katholieke geestelijken. Sinds die tijd is het katholieke standpunt door de Rooms-Katholieke Kerk niet meer ingrijpend gewijzigd. In het Tweede Lateraans Concilie in 1139 werden priesterhuwelijken niet alleen verboden, maar ook direct ongeldig verklaard.
                • Het Tweede Vaticaanse Concilie gaf in 1965 ruimte aan gehuwde mannen om tot diaken gewijd te worden. En, waren ze weduwnaar, dan konden diakenen ook na hun huwelijk nog gewijd worden. Maar de Rooms-Katholieke Kerk wilde het celibaat niet afschaffen. Dat bleek uit een encycliek – een pauselijke brief aan de bisschoppen en gelovigen -van paus Paulus VI (1897-1978) uit 1967: de Sacerdotales Caelibatus.

                 

                Het verplichte celibaat geldt alleen voor Rooms-Katholieken geestelijken. Bij de Protestantse Kerk, de Oosters-orthodoxe Kerk, de Anglicaanse kerk mogen geestelijke wel trouwen, met uitzondering van de bisschoppen en monniken in de Oosters-orthodoxe Kerk.

                 

                Het verplicht stellen van het celibaat komt, gezien het bovenstaande voort uit geldelijk gewin, maar voornamelijk uit opvatting dat lichamelijkheid en de daaraan verbonden seksualiteit door de Kerk als ‘slecht’ wordt gezien en ons afhoudt van een deugdzaam leven. Maar niet ons lichaam is slecht, niet onze seksuele gevoelens zijn slecht, maar de manier waarop we ermee omgaan kan verkeerd zijn, zoals dat ook het geval is met geld en auto’s. We verbieden toch ook niet de productie en het gebruik van auto’s om ongelukken met auto’s te voorkomen of geld omdat we dat verkeerd kunnen gebruiken.

                 

                Ik herinner me nog hoe ik als puber thuis en in de eerste jaren van mijn verblijf in het klooster opgroeide met de algemeen geldende negatieve opvattingen over seksualiteit. Elke seksuele gedachte en handeling werd als zondig bestempeld en moest dus worden gebiecht. Maar ook herinner ik me nog goed het moment waarop mijn nieuwe ‘geestelijke begeleider’, die we nu coach zouden noemen, seksualiteit als iets heel positiefs bestempelde, als iets dat een prachtige rol kan spelen in de verbinding tussen mensen en dat het onze taak is om er op een goede manier mee om te gaan, om het als iets positiefs te zien in plaats van het weg te duwen, te onderdrukken, het te vermijden. Ik kan nu nog het gevoel oproepen dat die zienswijze bij me veroorzaakte. Ik mocht seksuele gevoelens hebben, ik hoefde ze niet meer te onderdrukken, maar kon ze gebruiken op ‘de goede weg’. Toen ik jaren later zag wat liefde tussen twee mensen kon betekenen, zag ik een celibatair leven dan ook niet meer als ‘mijn leven’ en verliet ik het klooster.

                 

                Dat een verplichting tot een celibatair leven in de praktijk niet werkt, blijkt uit onderzoek. Uit de recente geschiedenis weten we dat er binnen de katholieke kerk sprake was en is van seksueel contact en misbruik en dat die variëren van vrijwillige relaties tot structureel en grootschalig misbruik.

                Ook blijkt uit onderzoek dat, hoewel homoseksuele handelingen door de Rooms-Katholieke Kerk als zondig worden beschouwd en de Kerk traditioneel zeer kritisch staat tegenvoer lhbti+-rechten, het percentage homoseksuele mannen binnen de geestelijkheid en het Vaticaan aanzienlijk hoger ligt dan in de algemene bevolking. Uit grootschalig onderzoek van journalist Frédéric Martel, beschreven in zijn boek Sodoma, blijkt dat het aandeel homoseksuele geestelijken op bepaalde plekken kan oplopen tot 70% à 80%. Veel van deze mannen leven celibatair en gebruiken het klooster of de kerk als veilige schuilplaats voor hun geaardheid, zoals dat ook in het verleden het geval was. Historisch gezien trokken kloosters om verschillende redenen homoseksuele mannen en vrouwen aan:

                 

                • Vanwege het celibaat: Omdat van alle kloosterlingen wordt verwacht dat zij ongehuwd blijven en geen seksuele relaties hebben, viel een homoseksuele geaardheid er vroeger minder op.
                • Er was geen sociale druk: Men hoefde zich niet te verantwoorden waarom men niet trouwde of kinderen kreeg.
                • Vanwege de gemeenschap: Het bood een omgeving om samen te leven met gelijkgestemden zonder de maatschappelijke homofobie.

                 

                Ook het argument als zou door het verbieden van het huwelijk geestelijken alle tijd hebben om zich aan hun ‘geestelijke taken’ te wijden, is zeer betwistbaar, immers dat argument zou dan voor alle beroepen moeten gelden.

                 

                De vraag is of we door niet te mogen ingaan op de natuurlijke behoefte om ons met elkaar te verbinden en iemand naast ons te hebben met wie we een intieme band hebben, een essentieel onderdeel van ons menszijn niet ontwikkelen?

                Ik persoonlijk ervaar een intieme relatie als wezenlijk onderdeel van mijn menszijn en als lid van de samenleving, waarmee ik een twee-eenheid vorm. De verplichting tot het celibaat was voor mij en veel van mijn studiegenoten dan ook de reden waarom ik mijn priesteropleiding na tien jaar beëindigde.

                Uit onderzoek blijkt dat het verplichte celibaat een van de zwaarste en meest voorkomende redenen is waarom priesters uittreden uit het priesterambt. Wereldwijd verlaten honderden priesters per jaar het ambt om te trouwen, nadat ze gemiddeld zo'n dertien jaar die ambt hebben bekleed en uitgeoefend. De meeste blijven na hun uittreden als leek werkzaam in de maatschappelijke sector.

                 

                Niet alleen is het verplichte celibaat op negatieve gronden gefundeerd, maar doorgaans ook de keuze voor het kluizenaarschap: je terugtrekken uit de wereld met zijn wereldse afleidingen en verleidingen, om je in rust, stilte en onthechting van de aardse geneugten volledig te kunnen ‘wijden aan God’ door gebed, meditatie en contemplatie: overdenken en beschouwen.

                Naar mijn mening kun je je alleen ‘volledig aan God wijden’ door in verbinding met jezelf, mensen en de aarde een bijdrage te leveren aan hun groei en ontwikkeling: de essentie van het leven. Elke levensschool is opgericht om in specifieke omstandigheden bepaalde lessen te leren. We zijn op deze aardenschool gekomen om in de verbinding met alles wat daar is en gebeurt specifieke dingen te leren. Je volledig terugtrekken uit de wereld is mijns inziens het afwijzen en niet benutten van het scala aan mogelijkheden van groei en ontwikkeling die erin aanwezig zijn.

                 

                Laat het duidelijk zijn: ik ben geen tegenstander van een celibatair leven, maar wel van de verplichting ervan. Ik ben geen tegenstander van een ‘af en toe of regelmatig kluizenaarschap’ maar wel van een ‘volledige kluizenaarschap’. Vrijheid en de gulden middenweg zijn belangrijke deugden die al eeuwenlang zijn aangeprezen als voorwaarden om ‘de goede weg’ te lopen en hun bijdrage daaraan hebben bewezen.

                 

                Door onszelf met de wereld te verbinden, ontdekken wie we zijn, wat erin onszelf leeft en om ontwikkeling vraagt en wat onze bijdrage kan zijn aan het welzijn van ons allen en de aarde. Verbinden geeft antwoorden. Ons verbinden in vrijheid en betrokkenheid/liefde geeft antwoorden op belangrijke vragen. Als we bereid zijn geraakt te worden door het leven, stellen we ons open voor de antwoorden op de vragen die het leven ons dagelijks stelt en verwerven we de kennis, gnosis, die ons leven de juiste richting kan geven.

                Ons verbinden met mensen en de wereld wil niet zeggen dat we ons erin moeten ‘verliezen’, dat wij niet zelf bepalen hoe we ons leven in vrijheid doelgericht inrichten en daardoor onze vrijheid verliezen, verdwalen en de kans lopen om meegevoerd worden door de krachten die leiden naar het lopen van ‘de slechte weg’. En om dat te voorkomen is regelmatig verinnerlijken noodzakelijk om bij onszelf te blijven, bij dat wat in onze kern ligt opgeslagen aan dromen en weten van wat we moeten doen om ‘de goede weg’ te lopen van groei en ontwikkeling.

                 

                In dit boekje ging ik op zoek naar vormen van spiritualiteit die passen in deze tijd, waarbij spiritualiteit kan omschreven worden als onze persoonlijke zoektocht naar zingeving, innerlijke rust en verbinding met onszelf, onze medemens of iets dat groter is dan wijzelf.

                Voor mij was het ‘herkauwen’ van mijn tienjarig verblijf in kloosters en een bredere verkenning van het kloosterleven een waardevolle bijdrage aan mijn zoektocht naar een zinvolle invulling van mijn weg van groei- en ontwikkeling in deze tijd, waarbij, zoals blijkt uit het bovenstaande, regelmatig ‘verinnerlijken’ noodzakelijk blijkt te zijn in een wereld waarin mensen voornamelijk naar buiten zijn gericht en daardoor ze zichzelf verliezen.

                 

                Omdat een persoonlijke zoektocht persoonlijke antwoorden oplevert, hoop ik dat dit boekje ook voor jou een bijdrage heeft geleverd aan het vinden van persoonlijke antwoorden op je levensvragen.

                 

                Ik wil dit boekje graag besluiten met twee citaten uit het boek ‘Discipline is het doel: De kracht van zelfbeheersing’ van Ryan Holiday.

                 

                Ambitie is goed. Ze moet alleen gematigd worden. Net als bij alle onderdelen van zelfdiscipline draait het om evenwicht. De monnik of priester die probeert zijn behoeften tot niets te reduceren, die iedereen en alles afwijst in het najagen van spirituele perfectie, verschilt niet zo heel veel van de miljardair die maar blijft bouwen aan zijn kapitaal. Tegelijkertijd heb je iemand die nergens van droomt, die nergens in gelooft, die niets probeert. Nou, dat is het ook niet. Pag. 193.

                 

                We hebben geen prestaties nodig om ons goed te voelen of goed genoeg te zijn. Wat hebben we wel nodig? De waarheid is: niet veel. Wat eten en water. Werk dat een uitdaging voor ons vormt. Een kalme geest te midden van tegenslag. Slaap. Een degelijke routine. Een doel waaraan we ons willen wijden. Iets waar we steeds beter in worden. Al het andere is bijkomend. Of erger, zoals de geschiedenis talloze keren heeft aangetoond: de bron van onze pijnlijke ondergang. Pag. 194.