Over democratie en macht.

Over democratie en macht.

Lessen uit de tijd van het ontstaan en de ondergang van de Griekse democratie.


Inhoud.

 

Voorwoord.                                                                                      

1. Over democratie en ochlocratie, monarchie en autocratie, aristocratie en oligarchie.                  

    1.1 Democratie.                                                            

    1.2 Ochlocratie.                                                                       

    1.3 Monarchie.                                                                  

    1.4 Autocratie.                                                 

    1.5 Aristocratie.                                                 

    1.6 Oligarchie.                                                  

2. Over Socrates.

3. Over Alkibiades.

4. Over Perikles. 

5. Over macht. 

6. Over staatsvormen. 

7. Over de macht en onmacht van Alkibiades en de democratie.                                                                             

    7.1   Over oorlog en vrede.                

    7.2   Over waarom spreken over het verleden?    

    7.3   Over hoe moeilijk het is om koerst te houden. 

    7.4   Over de bedreiging van de democratie door populisme.       

    7.5   Over machtsstrijd.                

    7.6   Over het verschil tussen de cultuur van Athene en Sparta.   

    7.7   Over hoe bedreiging leidt tot gemeenschapsgevoel. 

    7.8   Over beweegredenen van macht.    

    7.9   Over monarchie en democratie.         

    7.10 Over de noodzaak van het behoud van onafhankelijkheid en flexibel handelen.  

    7.11 Over staatsgrepen. 

    7.12 Over het proces van oligarchie naar democratie. 

    7.13 Over de moeilijke weg van dromen naar werkelijkheid.  

    7.14 Over de drang om te worden liefgehad.

    7.15 Over dat woorden makkelijker zijn dan daden. 

    7.16 Over de kracht van pleidooien. 

    7.17 Over de gevaren van overwinning. 

    7.18 Over vrijheid die zich niet laat knechten. 

    7.19 Over de terugkeer na een lange afwezigheid. 

    7.20 Over wat is waarheid. 

    7.21 Over het belang van vertrouwen en de gevolgen van wantrouwen. 

    7.22 Over de democratie en haar ondergang. 

Nawoord.                                                                           

Voorwoord.

 

‘Het volk is verdeeld. Het lijkt wel alsof er elke dag meer fracties en partijen met verontwaardigde deelbelangen bij komen, die meer energie investeren in het bestrijden van elkaar dan in het dienen van het collectieve belang. Wanneer zich geen belangrijke kwestie aandient waarover men van mening kan verschillen, worden willekeurige alledaagse zaken aangegrepen om haat en vijandigheid uit te diepen en te benadrukken wat het volk verdeelt in plaats van wat het volk zou moeten verbinden. Ieder is overtuigd van zijn eigen gelijk en de waarheid wordt onder de immense hoeveelheid waarheden bedolven. Hiermee is de democratie verworden tot een ochlocratie (heerschappij van de massa), waarin de turbulentie van opvliegendheid en oncontroleerbare verontwaardiging de macht hebben gegrepen en waarin het staatsbelang dagelijks wordt geofferd op het altaar van de deelbelangen van doelgroepen.’

 

Bovenstaande tekst beschrijft de toestand van de democratie in de stadsstaat Athene van 2500 jaar geleden en komt uit het boek Alkibiades van Ilja Pfeijffer dat de gang van zaken in de democratie van het toenmalige Athene beschrijft en de rol van een aantal belangrijke politieke spelers, met als hoofdpersoon Alkibiades, een Atheense politicus en veldheer die een sleutelrol speelde in de Peloponnesiche oorlog.

 

Het wonderbaarlijke of beter het verontrustende is dat deze tekst voor honderd procent van toepassing is op de huidige politieke situatie in Nederland en vele andere landen in de westerse wereld, waar het politieke klimaat steeds meer naar rechts verschuift en populisten, autocraten en oligarchen steeds meer aan invloed winnen.

Dit is de rede dat ik het zinnig vond om na het lezen van het boek Alkibiades de belangrijkste teksten uit dit boek in het voorliggende boekje weer te geven om mijzelf en de lezer meer inzicht te geven in de processen die kunnen leiden tot de afbraak van de democratie en zo handvaten te krijgen om de democratie te stutten, omdat deze staatsvorm, ondanks alle tekortkomingen, uiteindelijke de meest menselijke is, zoals ook blijkt uit de uitgebreide analyse van de gang van zaken in de Atheense tijd van 2500 jaar geleden.

 

Net zoals de democratie een ingewikkelde staatsvorm is die veel inzet vergt, vereisen ook de filosofische teksten uit het boek Alkibiades vaak intense aandacht om tot de uiteindelijke betekenis ervan door te dringen, met als beloning inzichten die hoop geven.

 

Alvorens echter 2500 jaar terug te keren naar Athene, eerst even een korte beschrijving van wat de staatsvorm democratie en de ontspoorde vorm ervan, de ochlocratie, precies inhouden en een tweetal andere staatsvormen die in en rond Athene bestonden en ook nu nog voorkomen, namelijk de monarchie en haar ontspoorde vorm, de autocratie, en de aristocratie en haar ontspoorde vorm, de oligarchie.

1. Over democratie en ochlocratie, monarchie en autocratie, aristocratie en oligarchie.

 

1.1 Democratie.

 

Het woord democratie stamt af van het Oudgriekse δῆμος (dèmos) en κρατειν (kratein), die respectievelijk ‘volk’ en ‘heersen’ betekenen. Democratie betekent dus letterlijk ‘volksheerschap’ en is een bestuursvorm waarin de wil van het volk de bron is van een legitieme, wettelijke machtsuitoefening.

 

We kennen een directe en indirecte democratie.

In een directe democratie stemmen burgers persoonlijk over wetten, besluiten en benoemingen. Zuivere vormen van directe democratie zijn zeldzaam, wel zijn er mengvormen van een indirecte en directe democratie, waarin regelmatig volksraadplegingen of referenda worden gehouden, zoals in Zwitserland dat een half-indirecte democratie kent waarin burgers in zogenoemde Volksvergaderingen, de Landsgemeinden, samenkomen om te vergaderen over wetsvoorstellen en vervolgens te stemmen.

In een indirecte democratie laat het volk zich vertegenwoordigen door een gekozen orgaan, zoals een raad of parlement, wat het geval is in de meeste Westerse landen. De meeste van deze landen kennen een parlementaire democratie, waarbij de burgers via gekozen vertegenwoordigers in het parlement het regeringsbeleid bepalen en controleren.

 

Het hoogste bestuursorgaan in Nederland is De Staten-Generaal, die bestaat uit de Eerste en Tweede Kamer en samen het parlement van Nederland vormen.

De Staten-Generaal hebben samen met de regering de wetgevende macht. De regering wordt gevormd door het kabinet met aan het hoofd de minister-president. Het kabinet bestaat uit een aantal ministers die ieder de verantwoordelijkheid hebben voor een bepaald beleidsgebied. De bevoegdheden van de Staten-Generaal liggen vast in de Grondwet.

Het parlement ofwel De Staten Generaal bestaat uit volksvertegenwoordigers die door de bevolking worden gekozen via verkiezingen en wel volgens het principe van evenredige vertegenwoordiging: een kiessysteem waarbij het aantal zetels in het parlement evenredig is met het percentage behaalde stemmen. Een politieke partij die 20% van de stemmen behaalt, heeft dus recht op 20% van het aantal zetels in het parlement.

De leden van De Tweede Kamer worden gekozen tijdens de Tweede Kamerverkiezingen. De verkiezing van de leden van de Eerste Kamer, ook wel senaat genoemd, vindt om de vier jaar plaats. De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van Provinciale Staten en de kiescolleges van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba, en het kiescollege niet-ingezetenen: Nederlanders die buiten Nederland wonen.

De leden van de Provinciale Staten worden om de vier jaar gekozen op basis van evenredige vertegenwoordiging. Naast de landelijke politieke partijen kunnen ook provinciale partijen meedoen.

 

De Staten-Generaal ofwel het parlement heeft twee functies, namelijk het (mede)creëren van de wetgeving en het controleren van de regering. Als de regering de wetten niet goed uitvoert kan het parlement het vertrouwen in de regering opzeggen en de regering wegsturen via een motie van wantrouwen.

 

Een wetsvoorstel moet door beide kamers worden goedgekeurd, eerst door de Tweede Kamer en vervolgens door de Eerste Kamer. De bevoegdheden van beide kamers zijn niet gelijk. De Tweede Kamer heeft meer macht dan de Eerste Kamer. De Tweede Kamer heeft het recht van amendement en het recht van initiatief, de Eerste Kamer kan een wetsvoorstel enkel goed- of afkeuren.

Een amendement is een formele wijziging van een (officieel) document. Het recht van initiatief of het initiatiefrecht houdt in het recht om een wetsvoorstel in te dienen.

 

Elk van de kamers van de Staten-Generaal heeft een zelfgekozen voorzitter. Op sommige momenten moeten beide kamers van de Staten-Generaal samenkomen in een verenigde vergadering. In dit geval is de voorzitter van de Eerste Kamer de voorzitter van de verenigde vergadering. Redenen om samen te vergaderen zijn Prinsjesdag, troonopvolging en een noodtoestand.

 

Het Nederlandse parlementaire stelsel is in theorie dualistisch, wat wil zeggen dat er een taakverdeling bestaat tussen bestuur en volksvertegenwoordigers. Het bestuur/ kabinet/regering is er om te besturen en de volksvertegenwoordigers dienen het bestuur te controleren.

Een duaal stelsel wordt vaak gezien als een methode om de politiek opener te maken, transparanter en daarmee aantrekkelijker. Idealiter hoort daarbij dat de volksvertegenwoordiging, ook de regeringspartijen, zich kritisch en onafhankelijk opstellen ten opzichte van het kabinet.

In de praktijk is het parlementaire stelsel in Nederland echter niet dualistisch en bestaat er een zeer sterke verwevenheid van het parlement en de regering doordat het regeringsbeleid vooraf doorgaans al in grote lijnen wordt vastgelegd in een regeerakkoord dat tot stand komt in ‘torentjes- en achterkamertjesoverleg’ door de partijen die zitting hebben in het kabinet.

 

In een democratie is de voltallige bevolking soeverein, wat wil zeggen dat die het hoogste gezag heeft, direct of indirect en is alle autoriteit gebaseerd op de instemming van het volk. Deze bestuursvorm heeft als basis het beginsel van vrijheid en gelijkheid. Als iedereen vrij en gelijk is, zoals vermeld in het eerste artikel van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, dan heeft niemand méér recht dan een ander om bepaalde wetten vast te stellen of beslissingen te nemen. 

Het toepassen van deze theorie in de politieke praktijk is doorgaans niet eenvoudig omdat, zoals de Franse filosoof, socioloog en staatsman Alexis de Tocqueville (1801-1859) zei, vrijheid en gelijkheid op gespannen voet met elkaar staan. Een te grote vrijheid gaat ten koste van gelijkheid en een te grote gelijkheid ten koste van vrijheid. Ook waarschuwde hij voor de tirannie van de meerderheid omdat hierdoor minderheden in de verdrukking kunnen komen. Op de gevaren die de democratie kunnen ondermijnen, wordt verderop uitgebreid teruggekomen.

 

1.2 Ochlocratie.

 

Het woord ochlocratie komt van het Griekse ὀχλοκρατία en κρατία die respectievelijk ‘menigte/massa’ en ‘heerschappij’ betekenen. Ochlocratie betekent dus ‘heerschappij van de massa’ en wordt door de Griekse historicus en politicus Polybius (ca. 203 –120 v.Chr.) omschreven als een ontaarde vorm van democratie, omdat een ochlocratie een vorm van bestuur is waarin de macht feitelijk in handen is van de massa en wel via massale en vaak ongecontroleerde opstanden, demonstraties, volksbewegingen die vooral gericht zijn op eigenbelang. In een ochlocratie worden beslissingen doorgaans genomen op basis van wat de meerderheid wil en wordt hiertegen onvoldoende tegenwicht geboden door de besturende partijen als het algemene belang in het geding is.

Een democratie kan ontaarden in een ochlocratie zoals de monarchie kan ontaarden in tirannie en een aristocratie in een oligarchie en dat gebeurt als het eigenbelang van een groep boven het algemeen belang wordt gesteld. Vanwege de ontaarde vorm van democratie wordt ochlocratie in het Nederlands ook wel ‘heerschappij van het gepeupel’ genoemd.

 

Ilja Pfeijffer zegt in een interview over zijn boek ‘Alkibiades’ dat wij ons in Nederland in een ochlocratie bevinden.

 

‘Een belangrijk symptoom hiervan is dat politici bang zijn voor de publieke opinie. Er is nauwelijks nog een politicus die de moed heeft om een lange termijnvisie te ontwikkelen; niemand durft verder te kijken dan de volgende opiniepeiling. Bij de bestrijding van de coronapandemie hebben we hier de gevolgen van gezien. Er was toen sprake van een medische noodsituatie waarvoor een beleid werd uitgestippeld op basis van wetenschappelijke inzichten. Maar dat beleid werd voortdurend aangepast onder druk van de publieke opinie.

Een ander symptoom is een afnemend respect voor de instituties. Dat zie je vooral bij populisten. Het eerste wat zij doen is zich afzetten tegen de instituties door te spreken van “Haags gedoe”, of een “nepparlement”. Ten slotte is er in een ochlocratie sprake van versnippering, waarbij de politiek een soort gevecht wordt tussen verschillende deelbelangen. De politiek is dan een spel om te winnen voor je eigen achterban – ten koste van anderen. Dat zie je duidelijk terug in de stikstofcrisis, die een strijd is geworden tussen verschillende groeperingen. Dit alles heeft geleid tot een kortademig, bijziend beleid zonder lange termijnvisie. Er is sprake van een totale systeemcrisis van allerlei samenhangende fundamentele problemen. En de overheid heeft geen oplossend vermogen, omdat niemand buiten het systeem durft te kijken.’

 

1.3 De monarchie.

 

Het woord monarchie komt van de Griekse woorden μόνος (monos) en ἄρχειν (arkhein), die respectievelijk ‘één’ en ‘heersen’ betekenen. De monarchie is dan ook van oorsprong een regeringsvorm waarbij één persoon, de monarch, heerst en dus de macht heeft. Dit kan een koning, keizer, paus, farao, sultan of nog wat anders zijn. Vaak is deze macht erfelijk en is er dus sprake van een dynastie. Een dynastie is de opeenvolging van heersers die tot dezelfde familie behoren.

 

We kennen een constitutionele en absolute monarchie. Een constitutionele monarchie is de aanduiding voor een bestuursvorm waarin de monarchie berust op een constitutie of grondwet, waardoor de macht van het hoofd van de staat, de monarch, beperkt is.

Landen met een constitutionele monarchie zijn onder andere Nederland, Belgje, Luxenburg, Engeland, Noorwegen, Spanje en Japan. De macht en dus de taken van de monarch zijn in deze landen doorgaans alleen nog ceremonieel van aard.

 

1.4 Autocratie.

 

In een autocratie, ofwel absolute monarchie, regeert de monarch met absolute en totale macht, wat wil zeggen dat deze een onbeperkte regeermacht heeft. Landen met een autocratie of absolute monarchie zijn Brunei, Oman, Saoedi-Arabië, Eswatini, de Verenigde Arabische Emiraten, Qatar en Vaticaanstad.

Het woord autocratie komt van het Oudgriekse ὐτός (auto) en κράτος (kratos) die respectievelijk ‘zelf’ en ‘macht’ betekenen.

 

Landen als Liechtenstein, Monaco, Marokko, Jordanië, Koeweit, Bahrein en Bhutan zijn landen waar de grondwet de monarch aanzienlijke bevoegdheden verleent. De monarchie in deze landen is dan ook een vorm tussen een constitutionele en absolute monarchie.

 

1.5 Aristocratie.

 

Het woord aristocratie is afkomstig van het Oudgrieks ἄριστος en κρατεῖν die respectievelijk ‘beste’ en ‘heersen’ en betekenen ofwel ‘geregeerd door de besten’. De macht binnen een aristocratische regeringsvorm zou dus eigenlijk niet gebaseerd moeten zijn op geld of afkomst, maar op kennis, inzicht en intellectuele, militaire of andere capaciteiten. In de praktijk was en is de macht binnen een aristocratisch bestel echter doorgaans in handen van een groep rijke, vooraanstaande families die vaak tot de adel behoren en waarvan het ‘lidmaatschap’ erfelijk is. 

Ook kan het lidmaatschap van een partij, zoals in Syrië onder Asad, in Irak onder Saddam Hoessein en in de Sovjet-Unie, China en Cuba een voorwaarde zijn voor het bekleden van bepaalde hogere posten en kan het partijlidmaatschap tot een positie leiden die gelijk is aan die van de adel.

 

1.6 Oligarchie.

 

Het woord oligarchie stamt af van het Oudgriekse ὀλίγος (oligos) en ἄρχειν (archein) die respectievelijk ‘weinig’ en ‘heersen’ betekenen. Een oligarchie kan dan ook omschreven worden als een staatsvorm waarin een selecte groep mensen de macht heeft en die macht voornamelijk gebruikt voor hun eigenbelang, wat in de praktijk inhoudt dat een groepje rijken de touwtjes in handen heeft en haar macht gebruikt om hun rijkdom te vergroten of in ieder geval te behouden.

 

De term oligarchie komt van de Griekse filosoof Aristoteles. Hij schrijft dat er sprake is van een oligarchie wanneer een groep mensen regeert op grond van hun rijkdom. Aristoteles zag de oligarchie als de perverse, ontspoorde vorm van de aristocratie, zoals de tirannie of dictatuur de ontspoorde vorm is van de monarchie. Een oligarchie wordt, evenals een dictatuur, doorgaans gekenmerkt door het afdwingen van publieke gehoorzaamheid.

 

Saoedi-Arabië is hierboven aangeduid als een absolute monarchie, omdat er sprake is van een koning die aan het hoofd van de regering staat. Toch kan dit land ook als een oligarchie worden bestempeld omdat het op microniveau wordt geregeerd door talloze prinsen die alleen door hun afkomst in die positie staan en omdat het land veel restricties kent op het gebied van mensenrechten.

 

Vanuit het begrip oligarchie is ook het woord oligarchen ontstaan. Dit zijn personen die door hun rijkdom de regering zodanig kunnen beïnvloeden dat ze directe invloed hebben op het regeringsbeleid. Het Rusland onder Poetin is hier een sprekend voorbeeld van. Maar ook in de Verenigde Staten van Amerika zijn onder Trump oligarchische invloeden te bespeuren nu een groot aantal miljardairs, zoals Musk, Trump hebben gesteund in zijn verkiezingscampagne en dat zeker vooral gedaan hebben uit eigenbelang en wel omdat ze van Trump verwachten dat hij hun zakelijke belangen dient of in ieder geval beschermt. Sprekend in deze context is dat de CEO van Meta, Mark Zuckerberg, die voorheen een felle tegenstander van Trump was, maar zijn zijde koos toen bleek dat Trump de nieuwe president zou worden. Zuckerberg deed dit vast en zeker om steun te krijgen voor zijn strijd tegen wetten van Europa om bepaalde informatie op zijn social platform Facebook en Instagram te verbieden. Controle van wat op deze platforms wordt geplaats kost veel mankracht en dus veel geld en dat past niet in het straatje van een onderneming die alleen maar uit is op winst.

Nieuw is dat de steun van miljardairs aan de regering in Amerika in alle openbaarheid gebeurt, maar al eeuwen wordt achter de schermen grote invloed uitgeoefend door bepaalde groepen en grote bedrijven op het regeringsbeleid van de meeste landen, onder andere door een leger van lobbyisten die er vaak niet voor terugschrikken om bestuurders en ambtenaren op alle niveaus om te kopen.

 

De oligarchie kan gezien worden als een ontspoorde vorm van de aristocratie, waarbij een bepaalde groep mensen de macht vooral gebruikt voor hun eigen persoonlijke belangen.

 

Bovenstaande staatsvormen zullen we uitgebreid tegenkomen in de volgende hoofdstukken over de politieke praktijk van de stadsstaat Athene, 2500 jaren geleden, te beginnen met een aantal belangrijke personen die een belangrijke rol speelde in die tijd, met als leidraad het leven van Alkibiades, zoals dat door Ilja Pfeijffer in zijn gelijknamige boek wordt beschreven.

 

In de volgende hoofdstukken gaan we naar de stadstaat Athene van ongeveer 450 tot 400 voor Christus en haar turbulente strijd om het behoud van de democratie en een aantal belangrijke personen die daar een rol in speelden. 


2. Over Socrates.

 

Het zijn de laatste dagen voor de verkiezingen van 29 oktober 2025, de dag waarop wij als burgers de nieuwe volksvertegenwoordigers voor de Tweede Kamer kiezen. Een uiterst belangrijke gebeurtenis in onze democratie: een bestuursvorm waarbij het volk de macht heeft en het land bestuurt via gekozen vertegenwoordigers. Die vertegenwoordigers worden naar voren geschoven door politieke partijen die zich vooraf moeten laten registreren als een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid en statuten die vastgelegd zijn door een notaris. Politieke partijen maken voor de verkiezingen hun partijprogramma bekend zodat burgers zich kunnen verdiepen in de politieke koers die zij de komende vier jaar willen varen om zich zo een mening te vormen over wie zij geschikt vinden om hen te vertegenwoordigen in de Tweede Kamer. Althans, zo zou het moeten gaan. In de praktijk verdiepen velen zich niet in partijprogramma’s maar laten zich meeslepen door emotionele retoriek, onderbuikgevoelens, de aantrekkingskracht van politieke leiders en vaak door  waar ze tegen zijn in plaats van voor.

Ik miste daarom in deze tijd mensen als Socrates, een Griekse filosoof die in de stadstaat Athene leefde van ongeveer 470 tot 399 voor Christus. Socrates wordt beschouwd als de aartsvader, de stichter van de westerse filosofie. Zijn ‘werkplek’ was de markt, het centrale plein van Athene. Hij vroeg daar zijn stadsgenoten naar wijsheid, bestookte ze met vragen en vroeg ze hun opvattingen helder te verwoorden. 

Hij wilde bijvoorbeeld weten wat 'rechtvaardigheid' was en vroeg een rechter om het hem uit te leggen, want die oordeelde dagelijks over goed en kwaad, over recht en onrecht. Hij wilde niet alleen weten wat mensen van die kwestie vonden, maar ook hoe ze er zelf feitelijk mee omgingen. Daardoor bracht hij zijn gesprekspartners ertoe niet alleen hun ideeën, maar ook hun gedrag, houding en manier van leven te onderzoeken.

Na een gesprek met Socrates wisten mensen, ook rechters, vaak niet meer wat ze dachten zeker te weten. Socrates was de 'luis in de pels' omdat mensen er niet per se op zaten te wachten geconfronteerd te worden met eigen onwaarheden, denkfouten, drogredenen en tegenstellingen in het denken. Hij wilde de mensen vooral kritisch leren denken en geloofde dat we door het opdoen van (zelf)kennis deugdzame mensen zouden kunnen worden. De gesprekken gingen dan ook over allerlei deugden, zoals vroomheid, dapperheid en rechtvaardigheid.

 

Tijdens het leven van Socrates ontwikkelde de democratie in Athene zich steeds verder. Burgers konden het volk toespreken en kregen een stem in de volksvergaderingen. Daardoor moesten zij in staat zijn om wetten te lezen en te spreken in het openbaar. Deze behoefte aan democratische vaardigheden trok de zogenaamde sofisten naar de stad Athene. Dit waren rondtrekkende leraren die tegen betaling onderwijs gaven in onder andere welsprekendheid. Hoewel Socrates zich in eerste instantie door hen liet inspireren, keerde hij zich later tegen hen omdat hij vond dat sofisten denken dat zij wat weten en een filosoof weet dat hij juist heel weinig weet en probeert meer te weten te komen. 

 

Tijdens het ontwikkelingsproces van de democratie ontstond er op een gegeven moment een bittere strijd tussen de democraten en de aristocraten, die voorstanders waren van een regering van rijke en voorname personen met een zeer hoge maatschappelijke positie. Socrates werd ervan beschuldigd dat hij te veel partij koos voor de aristocraten. Hij had bijvoorbeeld gesteld dat het proces van het willekeurig kiezen van bestuurders door het volk geen garantie was voor een rechtvaardige uitkomst. Dat hij daar gelijk in had, is in de loop van de tijd bewezen. Verkiezingsfraude en het onjuist informeren van burgers is veelvuldig voorgekomen in de tijd van en de eeuwen na Socrates.

 

Socrates had in de loop van zijn leven bepaalde medeburgers tegen zich in het harnas gejaagd door het stellen van kritische vragen. Op een bepaald moment werd hij formeel beschuldigd van goddeloosheid en het bederven van de jeugd. Door het voortdurend stellen van kritische vragen zou hij de jeugd aansporen om ongehoorzaam te zijn.

Vrijwel alle juryleden stonden aan het begin van het proces vijandig tegenover hem. Hij dreef hen echter zo in het nauw dat een groot deel van de jury aan het eind van zijn dialoog niets anders kon dan de onjuistheid van de aanklacht te erkennen. Het verschil tussen het aantal juryleden pro en contra bestraffing was zo klein dat de rechters Socrates toestonden zelf zijn strafmaat te bepleiten.

In plaats van te proberen de laatste twijfelaars te overreden, gooide Socrates het echter over een totaal andere boeg: die van de spot. Hij stelde eerst een beloning voor in plaats van een straf en lachte rechters en juryleden uit. Vervolgens stelde hij een lage boete en vervolgens een hoge boete voor. De hele gang van zaken joeg de jury zo tegen hem in het harnas dat hij uiteindelijk de doodstraf kreeg door het verplicht drinken van een langzaam werkend dodelijk gif.

De mogelijkheid om te ontsnappen uit Athene en zo de uitvoering van het doodvonnis te ontlopen, liet Socrates voorbijgaan. Hij vond dat het onjuist zou zijn om, na jaren als burger van Athene de Atheense wetten te hebben onderschreven, zich nu te onttrekken aan een op die wetten gebaseerd oordeel, hoe onrechtvaardig dit oordeel ook was. Socrates koos ervoor het gif in te nemen te midden van zijn leerlingen en vrienden. De dag dat het vonnis zou worden voltrokken, besprak hij nog allerlei filosofische kwesties en sprak hij over zijn geloof in de onsterfelijkheid van de ziel. Volgens hem kon een goed mens niets slechts overkomen, niet bij leven en niet na de dood.

 

Over Socrates schrijft Ilja Pfeijffer in zijn boek Alkibiades:

 

‘Socrates’ is geen redenaar. Hij is iemand die luistert, vragen stelt en het gesprek aangaat. Wat men ervaart als men naar zijn woorden luistert, is niet de sensatie die een virtuoze redenaar teweegbrengt, namelijk dat wat krom was recht lijkt te zijn, dat boven en onder van plaats zijn verwisseld en dat verstandig schijnt wat eerder uiterst onverstandig werd geacht. Het effect dat een gesprek met Socrates op iemand heeft, is veel ernstiger dan dat, want het is een confrontatie met de waarheid. En de waarheid is, dat je niet blijkt te weten wat je dacht te weten. Dat is de magie van Socrates’ woorden, die schuilgaat achter schijnbaar naïeve vraagjes, ogenschijnlijk onschuldige grapjes en kreetjes van gespeelde verbazing: hij dringt door tot je ziel, ontdoet hem van alle eretekenen, ambtskleden, cosmetica, pretenties, gewoonten, aannames en meningen en toont je hem naakt in al zijn ontredderende onwetendheid. Als wijsheid eruit bestaat niet te denken dat je weet wat je niet weet, dan is dat de wijsheid die Socrates gul en ruimharig schenkt aan iedereen die maar op zijn pad komt.’ Pag. 29.

 

‘Wij (Alkibiades en Socrates) praatten daar aan de oever van de Ilissos nog tot het vallen van de avond verder over de vraag of er een verschil is tussen doen wat juist is en doen wat voordelig is voor jezelf of voor de stad (hij, Socrates, vond van niet), over de vraag of een democratisch bestuur door middel van meerderheidsbesluiten per definitie de beste besluiten neemt (hij vond van niet), over de vraag of het niet beter zou zijn de wijste mensen te laten beslissen in plaats van de meerderheid van alle mensen (hij vond van wel), over de vraag wie in dat geval zou moeten beslissen wie de wijste mensen zijn (dat vond hij een ongeldige vraag, maar ik ben vergeten waarom), over de vraag of een ochlocratie, die ook wel populisme wordt genoemd, het tegenovergesteld is van een democratie (hij vond dat het ene in het verlengde lag van het andere) en over de vraag of populisme het einde van de democratie zou kunnen inluiden (hij was ervan overtuigd dat dat zo was). Het gesprek mondde uit in de conclusie dat ik ongelijk had te denken dat ik zonder kennis van het goede de politiek in zou kunnen gaan en dat het voor de verwezenlijking van mijn ambities essentieel was dat ik van hem zou leren wat rechtvaardigheid was.’ Pag. 62.

 

Wie was Alkibiades die praatte met Socrates aan de oever van Ilissos en waaraan Ilja Pfeijffer een dik boek wijdde?

 

3. Over Alkibiades.

 

ALkibiades  was een volgeling en intieme vriend van Socrates en een omstreden Atheense politicus en veldheer die een sleutelrol speelde in de Peloponnesiche oorlog die woede van 431 tot 404 v.Chr. en die gevoerd werd tussen de stadsstaat Athene en de Elische bond onder leiding van de machtige stadstaat Sparta.

Alcibiades werd geboren rond 450 v.Chr. in Athene uit een zeer rijke en aanzienlijke familie. Na de dood van zijn vader Clinias werd de vijfjarige Alkibiades opgenomen en verder opgevoed in het huis van zijn oom Pericles, die zijn voogd werd. Als jongeman was hij zo bijzonder knap van uiterlijk dat hij zowel op vrouwen als mannen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefende.

Alkibiades en Socrates redden elkaars leven in verschillende oorlogen waaraan ze deelnamen. Socrates beklaagde zich erover dat hij Alkibiades' ongebonden en lichtzinnige aard onmogelijk kon beteugelen. Alcibiades en zijn vrienden behoorden tot de beruchte ‘vergulde jeugd’ van Athene, verwende rijkeluiszoontjes die, onder invloed van de sofistenbeweging door allerlei baldadig gedrag hun misprijzen uitten over alle gevestigde waarden.

Overeenkomstig zijn aard en eerzuchtige bedoelingen trad hij rond 420 v.Chr. na de Vrede van Micias in de Peloponnesische oorlog op de voorgrond als leider en ideoloog van de radicaaldemocratische stroming en koos de zijde van de Atheense imperialisten die hun macht en welvaart wilden uitbreiden door gebieden te veroveren en te beheersen.

Hij bracht een anti-Spartaanse coalitie tot stand die niet veel succes kende en trad vervolgens op als strateeg bij de aanvalsoorlog tegen het eiland Melos. In 416 v.Chr. werd hij olympisch kampioen wagenrennen. Daarna wist hij de Atheners te bewegen tot hun grootste imperialistische avontuur, een expeditie naar Sicilië om daar de machtige en rijke stad Syracuse te onderwerpen. Tijdens een uitbundige afscheidsviering aan de vooravond van het vertrek van deze expeditie deed zich een geval van ergerlijke heiligschennis voor, waaraan Alcibiades en zijn vrienden medeplichtig geacht werden. Hij wilde zich eerst wel verantwoorden voor de rechtbank, maar zijn tegenstanders lieten hem, om meer effect te hebben, liever terugroepen om hem te veroordelen toen hij al met vele medestanders op Sicilië was. Alcibiades vluchtte na dit bericht te hebben ontvangen naar aartsvijand Sparta en gaf daar waardevolle adviezen, die dodelijk waren voor de Atheense militaire macht.

Maar ook in Sparta werkte hij zich in nesten, naar verluidt wegens een slippertje met Timaea, de vrouw van koning Agis II,  en stelde zich toen in Klein-Azië onder Perzische bescherming. Van daaruit zocht hij weer contact met Athene, eerst met de oligarchische regering van 411 v.Chr. Toen deze echter al snel ten val werd gebracht, probeerde hij het, ditmaal met succes, bij de gerehabiliteerde democraten.

Als Atheens vlootcommandant behaalde hij vervolgens opmerkelijke successen tegen Sparta en hield in 407 v.Chr. een triomfantelijke intocht in Athene. Alles was vergeten en vergeven, tot een militaire blunder van een van zijn naaste medewerkers hem opnieuw in diskrediet bracht. Uit angst voor een nieuwe vervolging vluchtte hij in vrijwillige ballingschap naar zijn familiebezittingen op het schiereiland Thracische Chersonesus. Na de capitulatie van Athene in 404 v.Chr. in de oorlog met Sparta werd hij in de zelfverkozen ballingschapsoord vermoord in opdracht van de Spaanse machthebbers.

 

Alcibiades is de geschiedenis ingegaan als het schoolvoorbeeld van de geniale, gefortuneerde en briljante jongeman die, zonder de rem van een geweten, de leer der sofisten in praktijk bracht en alles en allen ondergeschikt maakte aan de bevrediging van zijn eigen tomeloze eerzucht en machtsdrift. Er is veel gespeculeerd over de mogelijke afloop van de Siciliaanse Expeditie, die uiteindelijk voor de Atheners op een smadelijke nederlaag uitdraaide, als hij die had kunnen voltooien en niet steeds gedwarsboomd was door zijn tegenpool, de aristocratische Nicias.

 

4. Over Perikles.

 

Een persoon die als voogd een belangrijke rol speelde in het leven van Alkibiades en in de ontwikkeling van de democratie in Athene en zijn politieke macht op een eigen manier vorm gaf, was Perikles. Hij leefde in Athene van 461 tot 429 voor onze jaartelling en was de onbetwiste leider van Athene. Onder zijn bwind groeide de cultuur, kunst, filosofie en de democratie uit tot waar wij haar nu nog om roemen. Door zijn charismatisch optreden en verbale daadkracht wordt die bloeitijd van Athene ook wel ‘de Gouden Eeuw van Perikles’ genoemd.

 

Perikles betrad het politieke toneel in 463 voor onze jaartelling als opponent van de toen machtige Cimon, die ondanks dat de Atheense democratie al ruim honderd jaar bestond, als leider van de aristocratische beweging nog veel persoonlijke invloed genoot. Door een nederlaag van Athene was de positie van Cimon verzwakt en moest hij de verkiezingsstrijd aangaan met de democratische beweging in de persoon van de verbaal begaafde Perikles die deze politieke strijd won.

Als begenadigd generaal in de Perzische oorlogen en kundig redenaar genoot hij veel aanzien onder de Atheners. Perikles begreep goed dat de Grieken door de overheersing van tirannen in het verleden grote weerstand hadden opgebouwd voor een al te grote persoonlijke macht. Toch lukte het hem door zijn ideologische kijk op de staatsinrichting een politieke volmacht te krijgen om de leiding van Athene op zich te nemen.

In de dertig jaar die volgden, zou Perikles zijn invloed gebruiken voor aanzienlijke veranderingen, zoals de invoering van het dagloon voor politieke ambtsdragers. Voor Perikles’ tijd werden zij die door verkiezingen of loting tot het politieke ambt geroepen, waarvoor ze geen geldelijk vergoeding kregen, wat het voor boeren, ambachtslui en andere leden van de middenklasse onmogelijk maakte om deel te nemen aan het politieke bedrijf. Ook schafte hij de regel af dat men alleen aan het politieke debat mocht meedoen als men voldoende belasting betaalde, wat de mogelijkheid voor lagere sociale en economische klassen om mee te doen aan politiek, bestuur en rechtspraak aanzienlijk vergrootte, ondanks het feit dat deelname aan het politieke bedrijf alleen voorbehouden was aan mannen wiens ouders ook Athener waren. Vrouwen en ‘allochtonen’ werden eveneens in Athene van deelname uitgesloten, alsook slaven die talrijk waren in Athene.

Ook lang niet alle stemgerechtigden deden mee aan de democratie. Wel werden alle burgers uitgenodigd voor de politieke vergadering, maar niet iedereen kwam daarbij opdagen. Op de Pnyx, de vergaderplaats van de volksvergadering, was plaats voor hooguit tienduizend van de ruim veertigduizend kiezers. Een quorum van zesduizend kiezers werd al genoeg geacht wat maar vijftien procent is van het aantal potentiële kiezers.

Wel werd er tussen de vergaderingen door over politieke besluitvorming gesproken. Er werd, gedebatteerd, niet alleen in de Boulè, de Raad van 500 dat het centrale wetgevende orgaan was in Athene, of op de agora, het centrale plein, maar ook in de straten, tussen de zuilengalerijen en tijdens de symposia: sociale bijeenkomsten van mannen, waarbij werd gegeten, gedronken, muziek gemaakt en gediscussieerd over filosofische of andere onderwerpen. Er was kort gezegd, een politieke cultuur waar meningen van buiten de politieke besluitvorming een aanwijsbare plaats in het debat kregen.

Verbaal vaardige sprekers moesten overleggen, beraadslagen en zorgvuldig nadenken over een beslissing of kwestie en tijdens openbare vergaderingen debatteerde een deel van de bevolking om tot een gelegitimeerd besluit te komen.

De belangrijkste aanwijzing voor het aanmoedigen door Perikles  voor de democratie is de lofrede die hij in 431 voor onze jaartelling moet hebben gehouden. Perikles prijst daarin hen die vielen in de strijd tegen Sparta, maar maakt van de gelegenheid gebruik de Atheners te wijzen op het belang van de strijd, namelijk het verdedigen van de meest bijzondere staatsvorm van de klassieke wereld, de democratie. Deze toespraak leest als een hoogst actuele verdediging van de staatsvorm van het volk, voor het volk en door het volk en spoort aan te werken aan een debat, waar zonder gêne, last of bezwaar aansprekende en begrijpbare argumenten worden uitgewisseld en gewogen door vaardige sprekers.

 

In het boek Alkibiades staan onder andere de volgende redevoeringen en uitspraken van Perikles te lezen waaruit blijkt wat hij dacht en dat hij als democraat ook moeite had met bepaalde aspecten van de democratie.

 

‘Het probleem met de democratie is dat iemand het moet doen. Het volk beslist, verwacht en eist van alles, maar kan dat zelf allemaal niet waarmaken en uitvoeren en vervolgens roept het degene die de tekortkomingen verhelpt om de haverklap ter verantwoording. Bovendien beslist, verwacht en eist het volk ook vaak de verkeerde dingen, zonder dat het daarvoor rekenschap hoeft af te leggen aan de bestuurder die zich in alle bochten moeten wringen om de schade te beperken. Om die redenen noemt men de democratie het beste politieke systeem ter wereld.’ Pag. 32.

 

‘Een democratisch bestuur verschilt niet zoveel van een feodaal systeem. Zoals een dagloner en horigen niet blijven gehoorzamen zonder fatsoenlijke betaling, zo kan de democratie uitsluitend functioneren wanneer de stemgerechtigden het idee hebben dat hun welstand afhangt van het systeem. Alles gaat om geld. Maar sommige dingen gaan om iets hogers.’ Pag. 35.

 

‘Dit is mijn antwoord op jouw vraag van gisteren. Jij vroeg hoe ik erin slaag het volk tevreden te houden zonder mij al te veel aan te trekken van wat het volk wil. Ik maak de bevolking onderdeel van iets wat groter is dan zijzelf. De tempel op de Akropolis, die vanuit elke uithoek van de stad te zien is, is het symbool van mijn droom van de glorie van Athene, die alle steden in Hellas en in de uitgestrekte rijken van de barbaren zal overvleugelen. Door de mensen van nu af te beelden op deze tempel maak ik duidelijk dat de roem en het aanzien van Athene niet zijn gebaseerd op vroegere daden, maar dat onze huidige daden het fundament vormen voor onze toekomstige glorie. Tot in de verre toekomst zulle reizigers uit alle delen van de wereld het aanschouwen en zij zullen met hun eigen ongelovige ogen zien dat wij dit monument hebben gebouwd voor de eeuwigheid en dat onze generatie tot stand heeft gebracht wat zowel in het verleden als in de toekomst ongeëvenaard is. Ik maak het volk deelgenoot van mijn droom en daarom staat het volk uit marmer gehouwen afgebeeld op het symbool van deze droom. Dit is iets hogers dan geld of eigenbelang of pietluttigheden waarover eindeloos wordt gedebatteerd op de heuvel van de Pnyx. Dit is het geheim van de democratie. Het volk, dat zijn soms net mensen. Ze hebben dromen nodig. Ik geeft hun een gemeenschappelijk ideaal dat zin geeft aan dit leven.‘ Pag. 37.

 

Alkibiades: ‘De situatie was explosief, dat wist hij (Perikles) uiteraard ook. En juist daarom riep hij geen volksvergadering bij elkaar. Boos volk is volatief (onvoorspelbaar) en loopt een serieus risico om in de koorts van het moment precies de verkeerde beslissingen te nemen. Ik herinner mij wat Sokrates mij ooit had gezegd: mensen hebben misschien verstand, althans dat mogen we in sommige individuele gevallen hopen, maar de massa zeker niet. De massa kent geen logica en handelt naar de bevlieging van het ogenblik. Op momenten van grote opwinding kan dat fataal uitpakken. In gevaarlijke tijden kan democratie gevaarlijk zijn.’ Pag. 47.

 

Perikles: ‘Niet de belangen van enkelen staan ons voor ogen, maar de behoeften van allen. Daarom noemen we onze staat een democratie en vanwege het unieke experiment van ons democratisch bestuur zijn wij een voorbeeld voor de wereld en zullen wij tot in de verre toekomst, in tijden en landen waarvan wij ons geen voorstelling kunnen maken, als een baken van vrijheid hoop verschaffen aan onderdrukten. Iedereen is gelijk voor onze wetten. Afkomst en rijkdom worden niet hoger aangeslagen dan verdienste. Voor hen die de staat willen dienen, mag armoede geen obstakel vormen. Armoede is voor ons geen schande, wel de onwil om zich eraan te ontworstelen. Rijkdom beschouwen we niet als iets om mee te pronken maar als een gelegenheid om iets tot stand te brengen.

Wij gunnen anderen het recht hun leven in te richten zoals hun goeddunkt, omdat wij geloof hechten aan de grenzen die de wet stelt aan allen. Al onze publieke beambten hebben private aangelegenheden te behartigen en al onze gewone burgers bekommeren zich, naast hun drukke werkzaamheden, om de publieke zaak. Waar iemand die zich niet voor politiek interesseert in ander landen gezien wordt als weinig ambitieus, beoordelen wij zo iemand als nutteloos. Wij beschouwen woorden niet als een zwak alternatief voor daden, maar als voorwaarde voor de juistheid ervan, want wij zien debat niet als uitstel van actie, maar als noodzakelijk middel om de juiste beslissingen te nemen omtrent de actie die van ons wordt verlangd. Overleg en durf gaan bij ons hand in hand.

 

Onze stad is open voor de wereld. Wij zijn niet bang om vreemdelingen toe te staan zich over ons te verwonderen, ons te observeren en van ons te leren. Juist dankzij onze openheid naar de wereld zijn wij zelfvoorzienend, want onze macht en glorie brengen vruchten van overal ter aarde naar onze haven. Wij kunnen over alles wat de landen van de wereld te bieden hebben vrijelijk beschikken als over ons eigendom. Voor ons zijn niet zij onze vrienden die ons een gunst hebben bewezen, maar wij maken vrienden door gunsten te verlenen. Wij verplichten onze bondgenoten aan ons door grootmoedigheid, niet door iets van hen te verlangen en daarmee zijn wij van beide partijen de standvastigere handlanger, want een vrijgevige vriend blijft geven om zich van blijvende dankbaarheid te verzekeren, terwijl een begunstigde de neiging heeft zich voor zijn weldoener te verstoppen in de wetenschap dat wat hij voor hem doet als wederdienst zal gelden en niet als spontane vrijgevigheid. Geen berekening maar geloof in vrijheid ligt aan de basis van onze relatie met onze bondgenoten.

 

Anders dan onze buurstaten drillen we onze kinderen niet met discipline om hen in de ijzeren mal van manhaftigheid te dwingen. Wij laten hen vrij om te worden wie ze willen zijn, maar wanneer de noodzaak een beroep op hen zal doen, zullen zij zich niet minder moedig betonen dan onze buren, omdat zij weten dat het precies de vrijheid is die zij verdedigen.

 

Wij cultiveren pracht met efficiëntie en wijsheid zonder slapte. Wij houden van schoonheid zonder doelloosheid te idealiseren en wij filosoferen zonder te vervallen tot krachteloze aarzeling en broosheid. Athene is de school van Hellas. Nergens anders kan een mens zich zo vrij en autonoom ontwikkelen. De macht van onze staat vormt het tastbare bewijs voor het succes van ons model. Wij hebben geen Homeros nodig om ons te vereeuwigen, want wij hebben de zeeën geplaveid tot een snelweg voor onze bravoure en laten dagelijks in heel de wereld onuitwisbare herinneringen achter aan onze glorie. Zo is Athene.’ Pag. 49-51.

 

In 429 v.Chr moest Perikles zijn beide zonen bij zijn eerste vrouw, Paralos en Xanthippos, aan een epidemie verliezen. Hijzelf zou in de herfst van 429 v.Chr. aan diezelfde plaag komen te sterven.

 

5. Over macht.

 

In het boek Alkibiades staat over Perikles en de periode na hem nog het volgende te lezen, wat enig inzicht geeft in de eeuwenlange strijd om de macht en de strategieën die daarvoor worden gebruikt, met name door populisten.

 

‘Wat voor Perikles op het spel stond, was niet minder dan de eeuwige glorie van Athene, die naar zijn mening gebouwd was met de middelen die de vloot in de vorm van een uitgestrekt overzees imperium had verworven en zeker gesteld.

’De glorie van de publieke zaak is voordeliger voor burgers dan individueel welzijn in een vernederde staat’ zei hij. ‘Iemand kan persoonlijk in goeden doen zijn, maar als de staat ten onder gaat, gaat noodzakelijkerwijs ook hij ten onder. Wanneer de staat daarentegen bloeit, verschaft dat zelfs aan de minst gefortuneerde burgers een kans om zich aan hun ongeluk te ontworstelen. Ik vraag jullie daarom om jullie individuele zorgen ondergeschikt te maken aan het staatsbelang, om Athene vastberaden te verdedigen en om mij niet de schuld te geven van een oorlog waar jullie zelf voor hebben gestemd.’

Perikles was op zijn best wanneer hij de bevolking, wier democratische besluiten hij zo veel mogelijk negeerde, aansprak op hun verantwoordelijkheid voor haar democratische besluiten.’ Pag. 64.

 

‘Door zijn dood kreeg Perikles nog meer gelijk dan hij bij leven had. Zijn obsessie voor de publieke zaak, het nationale belang en de glorie van Athene kreeg door de schaamteloosheid en eigenzucht in de jaren die volgden op zijn dood met terugwerkende kracht het gewicht van een zeldzame wijsheid. Privébelangen, eerzucht, egoïsme inspireerden beleid dat schadelijk was voor de stad en het bondgenootschap. Er werden besluiten genomen die, als ze succesvol waren, tot eer en voordeel zouden strekken van bepaalde individuen en die, als ze mislukten, nadelig zouden zijn voor de collectieve zaak en het verloop van de oorlog. Geen van Perikles’ opvolgers had de statuur en het overwicht van Perikles en omdat niemand zich met natuurlijk gezag van de anderen wist te onderscheiden, waren ze in voortdurende strijd met elkaar verwikkeld om de macht. Omdat alle politici even wanhopig dongen naar de gunst van het volk, werd de staat in feite bestuurd door de grillen van de publieke opinie.’ Pag. 73.

 

‘Degene die het chaotische politieke klimaat dat het gevolg was van Perikles’ dood het handigst productief wist te maken voor zijn eigen ambities, niet in de laatste plaats door de chaos die hem aan de macht had gebracht te koesteren en te vergroten, was Kleon.

Mijn vriend Aristophanes heeft Kleon ooit vergeleken met een palingvisser. In stil helder water vangen palingvissers niets, maar als zij het water troebel maken door flink in de modder op de bodem te gaan peuren, hebben zij kans op een goede vangst. Precies zo profiteerde Kleon van de troebele tijden en wist hij macht uit te oefenen en zijn zakken te vullen zolang hij erin slaagde om de stad op te schudden met onrust en wanorde.

Gedurende de laatste jaren van de regering van Perikles had Kleo zich steeds nadrukkelijker geprofileerd als leider van de oppositie, hetgeen hem, ondanks verre van nobele afkomst en stijl, tot een natuurlijke bondgenoot had gemaakt van de aristocraten en de oude adel. Na Perikles’ dood begreep hij dat de democratische meerderheid bij ontstentenis van haar leider voor het oprapen lag en ontpopte hij zich als een extremistische volksjongen, vriend van het gepeupel, zonder zich erom te bekreunen dat hij de steun van aristocraten daarmee verspeelde. Hij was een onbehouwen en grofgebekte, maar charismatische spreker, die het voordeel genoot van een zeer luide stem. Hij schaamde zich er niet voor om beledigingen te schreeuwen en schortte zijn mantel op om daar vrijelijk woest bij te gebaren. Het minder verfijnde deel van de stemgerechtigden, dat veruit het grootste deel van de stemgerechtigden vertegenwoordigde en dat van nature geneigd is de elite te wantrouwen, smulde van de volkse directheid waarmee hij hun verontwaardiging tot de zijne maakte. Hij had het talent om net zo veranderlijk en net zo uitgesproken te zijn in zijn opvattingen als de publieke opinie. Hij was een lasteraar met een rijk repertoire aan ongepastheden, zoals Thersites, maar helaas ontbeerde het volk van Athene de waardigheid van Odysseus, die Thersites de scepter uit de hand rukte en hem ermee van langs gaf. Het volk van Athene applaudisseerde en droeg de nieuwe Thersites op handen.’ Pag. 74.

 

‘Op het moment dat een politicus ervan wordt verdacht dat zijn adviezen aan het volk zijn ingegeven door corrupte motieven, wordt het advies gewantrouwd, ongeacht de kwaliteit van zijn oordeel, vanwege hypothetisch (veronderstelde) geldelijk gewin dat op geen enkele manier is aangetoond. Een dergelijk wantrouwen berooft de stad van goede raadgevers en creëert een klimmaat van angst en achterdocht, waarbij politici zich eerder zorgen maken om hun reputatie dan om de kwestie van hun oordelen. Democratische besluitvorming moet zijn gebaseerd op een open en eerlijke uitwisseling van argumenten. Wanneer zij plaatsvindt in een sfeer van verdachtmakingen en pogingen om tegenstanders te intimideren met aanslagen op hun goede naam, worden zij een farce. Wanneer het persoonlijke het wint van het zakelijke en reputaties bepalender worden dan argumenten, worden politici willoze slaven van de publieke opinie en een speelbal van de emoties van het moment. Athene is het zijn stand verplicht zich ervoor te behoeden om af te glijden naar een dergelijke karikatuur van democratie.’ Pag. 88-89.

 

‘Zodra er eenmaal een klimaat is ontstaan waarin extreme standpunten uitsluitend nog overschreeuwd worden kunnen worden door nog extremere stellingnamen, wordt het steeds lastiger om de weg terug te vinden naar redelijkheid en een doordachte visie.’ Pag. 72.

6. Over staatsvormen.

 

Door de eeuwen zijn er een groot aantal staatsvormen ontwikkeld, met ieder zijn eigen ideologie en vormgevers.

In de voorafgaande hoofdstukken zijn er een aantal de revue gepasseerd. In Alkibiades zijn de opvattingen van de Griekse filosoof Protagoras (490-420 v.Chr.) over een aantal van deze manieren van bestuur op een heldere manier beschreven en geanalyseerd en wel zodanig dat ze ook een duidelijke zicht geven op de huidige politieke ontwikkelingen in ons land en de wereld.

 

‘Er zijn drie verschillende staatsvormen mogelijk, zei Protagoras, omdat de verantwoordelijkheid voor het staatsbestuur kan worden toevertrouwd aan één, aan enkelen of aan allen. Andere mogelijkheden zijn er niet, want ofwel iedereen is uitgesloten van de macht behalve één persoon, ofwel een deel van de bevolking is uitgesloten door een ander deel, ofwel niemand is uitgesloten van staatsmacht en bestuur.

Het is niet zo dat een van deze drie mogelijke staatsvormen inherent beter of slechter is dan de beide andere, maar elk van de drie hebben een positieve en een negatieve pendant. De positieve verschijningsvorm kenmerkt zich in alle drie de gevallen door een besef van verantwoordelijkheid bij de machthebber of machthebbers en door een als een urgentie gevoeld streven om het algemene belang te dienen, terwijl de negatieve pendant van de drie staatsvormen zich manifesteert wanneer eigenbelang het staatsbelang verdringt en wanneer de machthebber of machthebbers eerder geneigd zijn om rechten te eisen dan om plichten te vervullen.

 

Het bestuur door een enkele persoon kunnen we een monarchie noemen zolang de machthebber verantwoordelijkheid en plichtsbesef betoont en het staatsbelang dient. Zodra de machthebber meer oog krijgt voor de bevrediging van zijn eigen belangen en behoeften dan voor het welzijn van de staat en het volk, treedt de negatieve pendant in, die we tirannie noemen.

 

Het bestuur van een geprivilegieerde groep noemen we aristocratie zoals de groep die bestaat uit de vaardigste en deskundigste bestuurders en zolang die bestuurlijke elite het algemeen belang voor ogen houdt. Zodra deze groep machthebbers meer oog begint te krijgen voor zijn privileges dan voor de publieke zaak, ontaardt de aristocratie in een oligarchie.

 

Het zelfbestuur van alle burgers noemen we democratie.  Maar ook de democratie kent een negatieve pendant, die in werking treedt zodra de bevolking de democratie niet langer beschouwt als een institutie die haar in de gelegenheid stelt om haar plichten jegens het algemeen belang te vervullen, maar in plaats daarvan haar constitutioneel gewaarborgde positie begint te misbruiken om individuele rechten op te eisen. Politici zullen zich gaan opstellen als vertegenwoordigers van deelbelangen en omdat ze hun eigenbelang boven het staatsbelang stellen, laten ze zich eerder leiden door publieke opinie dan door visie. Deze negatieve verschijningsvorm van de democratie kunnen we ochlocratie noemen, de dictatuur van de massa.

 

Deze drie staatsvormen vormen een cyclus. Het optreden van de negatieve verschijningsvorm van het vigerende (huidige) staatsbestel is een symptoom van crisis, dat de overgang naar de volgende staatsvorm aankondigt en noodzakelijk maakt. Deze rotatie van staatsvormen is een natuurlijk proces.

 

Het is volgens mij niet moeilijk om zich voor te stellen hoe dit proces werkt, als we ons om te beginnen een primitieve samenleving voorstellen. De mens is een zwak dier. In zijn eentje maakt hij weinig kans om de gevaren van de woeste natuur het hoofd te bieden. Om te overleven vormen mensen groepsverbanden, die een betere bescherming bieden tegen wilde dieren en vijandelijke stammen. Omdat de collectieve veiligheid het primaire doel is van deze samenlevingsverbanden, ligt het voor de hand dat het individu dat zich in kracht, moed en intelligentie van de anderen onderscheidt en dat de beste garantie biedt voor de veiligheid van de groep, als leider wordt gezien, geaccepteerd en gevolgd.

Wanneer een samenleving evolueert, kan dit leiderschap erfelijk worden, omdat de verwachting gerechtvaardigd is dat de zonen van goede leiders door hun afstamming en opvoeding vergelijkbare kwaliteiten vertonen als de vaders. Zo komt de monarchie tot stand. De eerste monarchen zullen zich door het bouwen van forten, muren en versterkingen en door het optimaliseren van hun strijdmachten inspannen voor de veiligheid van hun volk en hun grondgebied, omdat dat ook in hun eigen belang is. Om dezelfde reden zullen zij de staat trachten in te richten op de manier waarop deze het beste functioneert. Maar vroeg of laat wordt de troon geërfd door een nakomeling die de noodzaak om zich in te spannen voor het algemeen belang niet meer ziet, omdat door zijn voorvaderen reeds in de veiligheid en stabiliteit van het rijk en zijn positie is voorzien. In plaats van zijn machtspositie als een verplichting jegens de samenleving te beschouwen begint hij haar te misbruiken voor het bevredigen van steeds extravagantere persoonlijke behoeften. Op dat moment is de monarchie ontaard in een tirannie.

Deze tirannie roept verzet op. De natuurlijke gang van zaken is dat een groep vooraanstaande en verantwoordelijke burgers dit verzet organiseert. Nadat zij erin zijn geslaagd om de tiran af te zetten, zullen zij het staatsbestuur als vanzelfsprekend ter hand nemen. Dit is de manier waarop een monarchie, na tot een tirannie te zijn ontaard, overgaat in een aristocratie.

De eerste generatie van de aristocraten zal geneigd zijn het staatsbelang met groot gevoel van verantwoordelijkheid te dienen, omdat de schade die de tiran aan de publieke zaak heeft toegebracht hersteld moet worden en omdat de herinnering aan de verschikkingen van zijn bewind nog levend is.

Maar op een gegeven moment komt er een generatie aan de macht die deze herinneringen niet meer heeft, die een herstelde en functionerende staat in handen heeft gekregen, die derhalve de urgentie van het algemene belang te dienen minder voelt en die haar privileges begint te misbruiken voor zelfverrijking en onderdrukking van het volk. Op dat moment is de aristocratie ontaard in een oligarchie.

 

Het verzet tegen de oligarchie kan alleen komen van het volk zelf. Dus nadat de aristocratie verworden is tot een oligarchie, zal het volk de ontaarde elite afzetten en een democratie instellen. Op dezelfde manier zoals bij de vorige transitie zal de eerste generatie het democratisch zelfbestuur uiterst serieus nemen om eerder aan de staat toegebrachte schade te herstellen. De eerste generaties democraten zijn verantwoordelijk en, indachtig de verschrikkingen uit het recente verleden, doordrongen van het belang van de publieke zaak.

Maar de democratie is geen definitieve lotsbestemming van de mensheid. Anders dan iemand die op dit moment in het trotse, democratische Athene woont wellicht geneigd is te denken, is de democratie geen eindbestemming, maar ook slechts een tijdelijk fase in de natuurlijke cyclus van de staatsvormen. Ook de democratie zal uiteindelijk met zekerheid in verval raken, want evenals het geval was bij de voorafgaande transities in de cyclus, zal de democratie op een gegeven moment geërfd worden door een generatie die vergeten is dat het democratisch zelfbestuur met bloed en tranen op andere staatsvormen is bevochten en die de democratie als een vanzelfsprekend privilege beschouwt.

Net als bij de vorige transitiestadia zal de democratische staatsvorm door de nieuwe generaties in toenemende mate begrepen worden als een vrijgeleide om het eigenbelang na te streven. Democratische grondrechten worden niet langer opgevat als het voorrecht om de publieke zaak te mogen dienen, maar als een reden om individuele rechten op te eisen. Het volk wil steeds meer in ruil voor steeds minder verplichtingen en inspanningen. De politici, die voor hun machtspositie afhankelijk zijn van de gunst van het volk, beginnen allerlei vormen van verontwaardiging te mobiliseren om zichzelf vervolgens te kunnen presenteren als voorvechters van gekrenkte waardigheid en verkwanselde belangen.

Omdat politici niet meer primair geïnteresseerd zijn in het staatsbelang maar vooral uit zijn op invloed en macht die hen in staat stellen hun eigenbelang te dienen, ontwikkelen ze geen visie en beleid ten faveure van de staat, maar zoeken ze slecht de gunst van het volk, waardoor de politieke koers van de staat een hulpeloze prooi wordt van de grillen van de publieke opinie. Op dat moment is de democratie ontaard in een ochlocratie, het schrikbewind van de massa.

De ochlocratie is een crisisstadium, dat wordt gekenmerkt door de volatiliteit (de neiging om snel en onvoorspelbaar te veranderen) van het politieke klimaat, het daaruit voortkomend wantrouwen jegens de instituties en de politiek, schandalen die dit wantrouwen dagelijks nog meer voeden, inefficiëntie van het openbaar bestuur en onvermogen om met toekomstvisies en langetermijnstrategieën de waan van de dag te overstijgen.

De enige uitweg uit deze crisis is de roep om een sterke man, die op een gegeven moment onder het volk steeds luider zal gaan klinken. Zo zal de democratie, nadat zij is ontaard in een ochlocratie, omvergeworpen worden door het volk zelf, dat de macht vervolgens opnieuw in handen zal geven van één enkel persoon, waarmee de cyclus weer van voren af aan begint.’

 

Zo sprak Protagoras. Toen er door omstanders op werd aangedrongen dat hij zich toch zou uitspreken over de vraag welke staatsvorm de beste is, zei hij: ‘De alleenheerschappij is de efficiëntste vorm van bestuur en daarmee de meest repressieve (onderdrukkende) wanneer zij omslaat in haar negatieve verschijningsvorm. De democratie is het minst efficiënte model, maar het voordeel daarvan is dat de negatieve pendant ervan van alle drie de ontaarde staatsvormen het minst schadelijk is voor de individuele burgers. De aristocratie en oligarchie zitten daartussen in.’ Pag. 102-106.

7. Over de macht en onmacht van Alkibiades en de democratie.

 

Toen Alkibiades rond 420 v.Chr. tot generaal van het Atheense leger werd benoemd, startte hij als aanhanger van de democratische imperialistische beweging een groot aantal oorlogen. Imperialisten streven na het uitbreiden van grondgebied en macht door andere landen of gebieden te veroveren, afhankelijk te maken of te beheersen. De volgende teksten uit Alkibiades geven enig inzicht in zijn denkwereld en ervaringen in de periode waarin de democratie van Athene voortdurend zowel van buiten als van binnenuit werd bedreigd en uiteindelijk ten onder ging.

 

7.1 Over oorlog en vrede.

 

‘Ik ben ervan overtuigd, mannen van Athene, dat ware oorzaak van de grote oorlog gelegen was in onze macht, grandeur en luister. Athene was zo dominant aan het worden dat Sparta zich tot een oorlog gedwongen voelde.’ Pag. 41.

 

‘Na in toenemende mate geplaagd te weten door het steeds luider knagend besef van een gemis aan een doel dat groter was dan wij en na er steeds meer moeite mee te hebben gehad om het vuur van ons geloof in een betekenisvolle toekomst brandend te houden, werden we dan eindelijk beloond met oorlog waarin de stad en de geschiedenis ons nodig zouden hebben. We kenden Homerus allemaal uit ons hoofd en nu kregen we ons eigen Troje. Opeen waren we allen Achilles in het diepst van onze gedachte. Daar kwam voor mij persoonlijk bij dat ik hunkerde naar een gelegenheid om te revancheren voor mijn teleurstellende optrede bij de stad Potaeidaia.’ Pag. 41.

 

Achilles is een belangrijk figuur in de Griekse mythologie zoals vastgelegd door de Griekse schrijver Homerus in het boek Ilias. Hij is de belangrijkste held uit de Trojaanse Oorlog die volgens de mythe ontstond uit een twist tussen de godinnen Hera, Athene en Aphrodite, nadat de godin van de twist, Eris, op het huwelijksfeest van Peleus en Thetis, een gouden appel naar binnen had geworpen waar "voor de mooiste" in gesneden was. De oppergod Zeus zond de vrouwen naar de Trojaanse koningszoon Paris, die oordeelde dat Aphrodite de mooiste was. In ruil daarvoor liet Aphrodite de prachtige Helena, de vrouw van de Spartaanse koning Menelaos, verliefd worden op Paris. Nadat Paris Helena mee had genomen naar Troje, trokken alle Grieken gezamenlijk ten strijde tegen Troje. Na een tienjarige strijd verloren de Trojanen de oorlog van de Grieken door de list met het paard van Troje. 

 

Homerus beschrijft Achilles als de schoonste, de dapperste, sterkste en verhevenste van alle helden. Latere legenden beschrijven dat Achilles alleen kwetsbaar was in zijn hiel. Dit werd dan ook zijn dood, hij stierf door een giftige pijl die hem raakte in zijn hiel. De term achilleshiel is te herleiden tot dit verhaal.

 

‘Achilles mocht kiezen tussen een lang, vredig, maar roemloos leven en een vroege, roemvolle dood en koos het laatste, zoals een held betaamt. Hij is een lichtend voorbeeld voor iedere man. Maar tegelijkertijd zijn alle dichters het erover eens dat de zachte zaligheid van de vrede verre te verkiezen is boven de destructieve onomkeerbaarheid die gepaard gaat met oorlog. Vrede brengt rijkdom, zang en dans. In vredestijd word je gewekt door hanengekraai en niet door trompetten. Vrede is de tweelingzus van recht, zegt Pindaros, en schenkster van welvaart. Laat mijn speer ongebruikt en bedekt met spinrag in de hoek staan, zegt Euripides.

Natuurlijk verkiezen we de vrede, wij zijn niet achterlijk, maar wanneer de noodzaak zich voordoet, zullen wij voor de oorlog niet terugschrikken. Zo zou iedere Griek zich onder het dilemma uit praten. En natuurlijk, zo is het ook, maar wat is noodzaak?

De noodzaak voor de Spaanse veldheer Brasidas was dat hij de oorlog nodig had on zijn persoonlijke kwaliteiten ten volle tot hun recht te laten komen. Zijn uitmuntendheid werd weerspiegeld in de glans van kurassen (harnassen) en zou in vredestijd onopgemerkt in het duister van een wapendepot wegschimmeren.

De noodzaak voor de Atheense legeraanvoerder Kleon was dat hij de oorlog nodig had om zijn ontoereikendheid aan het zicht te onttrekken. Zijn opvliegende zelfzuchtigheid kon oog in oog met de vijand doorgaan voor dadendrang ten bate van de gemeenschap. In vredestijd zou hij op elk moment van de dag panisch naar vijanden op zoek zijn gegaan, hetgeen hij overigens zelfs in oorlogstijd niet naliet. De noodzaak voor Athene is glorie en de noodzaak van Sparta is de glorie van Athene.

 

Als ik aan Sokrates zou vragen wat beter is, oorlog of vrede, zou hij mij met een cascade van korte, onschuldige vraagjes over een reeks verschillende omstandigheden naar de conclusie leiden dat het goede beter is. Maar wat is het goede? We moeten onze vrienden helpen en onze vijanden schaden. Dat is de definitie van het goede die iedere Griek vanaf zijn jongste jaren wordt bijgebracht. Daarom zijn Grieken niet goed in vrede, want er is altijd een noodzaak tot oorlog. Daarom is vrede voor ons een onwerkelijke, idealistische uitzonderingstoestand, waarin bijen zoemen en herdersfluiten kwinkeleren en waarnaar wij hunkeren als naar de gouden tijd toen wij nog eikels aten en de goden nog onder ons verkeerden, maar na onze mijmeringen over rijkdom, zang, dans en hanengekraai zijn we trots op ons grimmige realisme dat ons noopt zonder een moment van aarzeling de wapenen op te nemen en de vijand vastberaden tegemoet te treden.

 

De ervaringen in mijn leven hebben mij op een punt gebracht dat ik denk te begrijpen dat oorlog en vrede de keerzijden zijn van dezelfde munt. Op de ene kant staat het gehelmde hoofd van Athene Promachos, de stadsgodin in haar gedaante van strijdster in de voorhoede, en op de andere kant is een olijftak afgebeeld naast de uil, het symbool van haar wijsheid, die wij nastreven door in de schaduw van de Stoa van Peisianax of onder een wilg en een plataan bij het gezang van cicaden aan de met zacht gras overgroeide oever van de gemoedelijk kabbelende Ilissos te filosoferen over het begin en het doel van alle dingen. Maar het ene kan niet bestaan zonder het andere, en dat bedoel ik niet filosofisch, maar politiek. De Stoa, de oever van de Ilissos, de olijfbomen en de droom van de uil moeten gewapenderhand worden verdedigd. Evenzo is de oorlog zinloos als de vrede niet heeft onderwezen hoe waardevol de vrijheid is die gewapenderhand bevochten wordt. Elke oorlog belooft een betere vrede en de vrede vormt de motivatie voor strijdlust in de volgende oorlog. Oorlog kan niet eeuwig duren, maar vrede evenmin. Hoe succesvoller de vrede, hoe waarschijnlijker de volgende oorlog, omdat succes afgunst oproept bij anderen en verzadiging van het eigen volk, die de eensgezindheid aantast. Iemand die niets meer hoeft te bevechten, wordt gezapig en prikkelbaar. Oorlog is destructie, maar vrede is stilstand. Als het ene te lang duurt, begint men naar het andere te verlangen. Een politicus maakt gebruik van deze tendensen door de onderhuidse irritaties te lezen en de gewenste veranderingen teweeg te brengen.

 

De politicus die na de dood van politicus en generaal Kleon het best begreep dat het volk na tien jaar oorlog toe was aan vrede, was Mikias. Hij was al die jaren Kleons voornaamste tegenstander geweest en alleen daarom al was hij de meest geloofwaardige initiatiefnemer voor de vrede die Kleon nooit had gewild. De rol van vredestichter paste bij zijn temperament, want hij was een fatsoenlijk, maar verlegen man, geboren om voorzichtig door het leven te gaan. Hij genoot respect van het volk, omdat hij de indruk nooit helemaal kon verbergen dat hij bang voor hen was. Het volk vindt dit prachtig, want het is er niet aan gewend om door zijn meerderen niet te worden veracht.’ Pag. 143-145.

 

‘Verdragen beëindigen oorlog, maar niet de argwaan. Vrede kan wantrouwen voeden, omdat vrede, anders dan oorlog, aan afspraken is gebonden en omdat afspraken geschonden kunnen worden.’ Pag. 169.

 

7.2 Over waarom spreken over het verleden?

 

‘Waarom spreken we over het verleden? Het antwoord op die vraag heeft mijn echtgenote Hipparete mij gegeven. Door met mij te spreken over Achilles, Agamemnon, Briseïs en Chryseïs heeft ze me geleerd in te zien dat het verleden een spiegel is waarin we onze eigen dilemma’s kunnen herkennen. Door de afstand in de tijd kunnen we zonder afgeleid te worden door betrokkenheid begrip opbrengen voor de complexiteit van conflicterende belangen en inzien dat het in sommige situaties averechts uitpakt om de held te willen zijn die men geleerd heeft te willen zijn. Onder die omstandigheden wordt het onmogelijk om het goede te doen en is een keuze voor het minste kwaad het hoogst haalbare. Schuld is een irrelevant concept, evenals het noodlot, omdat niets menselijker is dan het eeuwige conflict tussen hoe het had moeten zijn en hoe het is.

In de politiek en op het slagveld heb ik vaak in situaties verkeerd waarin alle mogelijke keuzes tot funeste gevolgen zouden leiden en waarin alleen het onmogelijke als mogelijkheid overbleef. Met heeft mij vaak verweten dat ik de politiek nooit heb begrepen als de kunst van het mogelijke. Daarop ben ik trots. Het verleden heeft mij geleerd dat het verleden ook anders had kunnen lopen als men toen reeds het verleden voor ogen zou hebben gehad om vanaf te wijken. Dit heeft Hipparete mij geleerd.’ Pag. 168.

 

7.3 Over hoe moeilijk het is koers te houden.

 

‘Athene is een democratie’, zei ik, ‘en het nadeel van een democratie is dat het evenwichtige oordeel van weldenkende mannen als jullie en ik niet altijd doorslaggevend is. Jullie hebben minder ervaring met processen van democratische besluitvorming dan ik, en ik zou jullie daar gelukkig om moeten prijzen, maar ik hoop dat jullie mij toestaan om jullie erop te wijzen dat emoties en groepsdynamiek dikwijls een grotere invloed hebben op het stemgedrag van het volk dat rationele argumenten. Dat hoeft geen probleem te zijn, maar het is verstandig om er rekening mee te houden. In dit concrete geval voorzie ik niet dat het volkssentiment zich tegen jullie redelijkheid zal keren, begrijp me niet verkeerd. Het gevaar is eerder het tegenovergestelde. Het risico is dat het volk morgen zo enthousiast zal zijn over jullie toegeeflijkheid dat het van de weeromstuit nog meer eisen gaat stellen. Als je ze één vinger geeft, nemen ze je hand, zoals de dichter zegt. Snappen jullie wat ik bedoel?’ Pag. 173.

 

‘Elke vorm van heerschappij roept afgunst op en zoals in iedere democratie antidemocratische elementen loeren op hun kans, zo verbergt zich een democratische fractie in de kieren van iedere oligarchie. De kunst is om deze hoop te geven.’ Pag. 177.

 

‘Grandeur is een deugd. Spilzucht van welvaart ten bate van de luister van de stad is wat de grootste steden groot heeft gemaakt. Rijkdom kan een man verweten worden als hij zijn zilverlingen angstig verbergt voor begerige blikken, maar wie zijn fortuin royaal, kwistig en onbekrompen spendeert aan de praal, staatsie en roem van de stad, geeft blijk van vrijgevigheid, groothartigheid en klasse. Een man die in weelde leeft, heeft de plicht zich te buiten te gaan aan magnificentie (pracht en praal) en heerlijke grote werken en ik was er trots op dat ik mij met allure van die plicht gekweten had. Maar natuurlijk begreep ik dat de democratie niet de gewoonte heeft om uitzonderlijkheid met dankbaarheid te bejegenen. Het volk toont de neiging om ruimhartigheid met hooghartigheid te verwarren en loyaliteit te wantrouwen als een symptoom van koninklijke ambities. Glorie wordt betaald met scheve ogen. Democratie is geïnstitutionaliseerde afgunst.’ Pag. 205-206.

 

‘Terwijl ik uit alle macht trachtte ons schip te behoeden voor de vijandige aanvallen  van wind en water, dacht ik er niet aan dat het merkwaardige zou zijn om ons behoud te onderwerpen aan een democratische besluitvorming, waarbij iedere roeier uitgebreid in de gelegenheid zou worden gesteld om persoonlijke voorkeuren of aversies tegens andere opvarenden in stemming te brengen en omwille van motieven van persoonlijk gewin wantrouwen aan te wakkeren jegens de roerganger, die louter op grond van het feit dat hij het roer in handen had verdacht moest worden van  tirannieke  ambities. Ik ondervond aan den lijve hoe lastig het is koers te houden wanneer men bij voortduring gedwongen is te reageren op zwellende en zinkende golven en op dat moment kwam het niet in mij op dat dit een adequate metafoor was voor de onmogelijkheid een consistent beleid te voeren met een politiek bestel dat wordt geregeerd door de woest klotsende golfbewegingen van de publieke opinie.

Het gaat niet om de stuurman, maar om het schip. Het was niet uit ambitie geweest dat ik het roer had overgenomen, maar de overtuiging dat er een toekomst bestond en een bestemming die bereikt moest worden. Wanneer iedere matroos zijn afgunst laat inkoken tot wrok en loert op mogelijkheden om de stuurman af te zetten omdat hij zelf de ambitie koestert om aan het roer te staan, is het schip verloren.

Wanneer het soevereine volk van Athene op de ene dag jubelend van enthousiasme bij acclamatie besluit het grootste leger uit zijn geschiedenis naar Sicilië te zenden om de wereld te veroveren en de dag daarna, tot nog groter enthousiasme opgezweept door lieden die daar belang bij hebben, bij acclamatie de bevelhebber van dat leger bij verstek ter dood veroordeelt, is Athene bij de gratie van zijn zogenaamde democratie tot zinken gebracht. Van deze en dergelijke gedachten was ik, zoals gezegd, gedurende mijn inspanningen om de kwetsbare galei over de ruwe Ionische zee van Italië naar Hellas te sturen, worstelend met de werkelijkheid, tijdelijk verlost.’ Pag. 264.

 

‘Ik was te verbitterd en cynisch genoeg geworden over het politieke bedrijf om te beseffen dat het gehele proces van democratische besluitvorming gereduceerd kon worden tot drie principes die ik aan boord van Amyntias’ galei had toegepast.

Ten eerste dient men uitsluitend die kwesties aan een democratische stemming te onderwerpen die zich in een gegarandeerde meerderheid kunnen verheugen. Ten tweede moet men het voorspelbare verzet van tegenstanders in zijn voordeel ombuigen door het tegenovergestelde voor te stellen van wat men wil en hun de overwinning gunnen. Ten derde lukt het alleen dan om koers te houden en niet door de golven te worden verzwolgen wanneer met tijdens de tocht niet aan politiek denkt.’ Pag. 266.

 

7.4 Over de bedreiging van de democratie door populisme.

 

‘Aangezien jullie geen directe ervaring hebben met democratische processen, waarvoor ik inmiddels in staat zou zijn jullie gelukkig te prijzen, willen jullie mij wellicht toestaan dat ik met de gewenste uitvoerigheid toelicht op welke wijze ik de democratie als zodanig als oorzaak beschouw van mijn lot en van de uiteindelijke ondergang van de Athene.

Omdat democratie per definitie stoelt op het collectieve oordeel van het volk, is zij onderworpen aan de turbulentie van opvliegendheid en oncontroleerbare emoties. Om de democratie naar behoren te laten functioneren is het derhalve essentieel om mechanismen in te bouwen die afstand scheppen, vertragen en gevoelens afkoelen. Dit vergt leiders als Themistokles en Perikles, die zich niet lieten leiden door de angst voor bevliegingen van de veranderlijke volksgunst, die een visie hebben en de moed om het volk daarvan te overtuigen en die het debat durven te sturen in plaats van zich door de publieke opinie te laten regeren. Dit vergt een volk dat bereid is tot compromissen ten bate van het gemeenschappelijk belang. Maar de Atheense democratie is inmiddels, zoals iedere democratie mettertijd, een parodie op zichzelf geworden, waarin de leiders dagelijks ter verantwoording worden geroepen en waarin het beleid elke dag opnieuw ter discussie staat. De democratie wordt geregeerd door de angst voor volksgerichten en de volatiliteit (beweeglijkheid) van de publieke opinie. De bijval en het gejoel in het theater op de Pnyx overstemmen argumenten en maken reflecties over beleid voor de lange termijn onmogelijk.

Het volk is verdeeld. Het lijkt wel alsof er elke dag meer fracties en partijen met verontwaardigde deelbelangen bij komen, die meer energie investeren in het bestrijden van elkaar dan in het dienen van het collectieve belang. Wanneer zich geen substantiële kwestie aandient waarover men van mening kan verschillen, worden willekeurige trivialiteiten aangegrepen om haat en vijandigheid uit te diepen en te benadrukken wat het volk verdeelt in plaats van wat het volk zou moeten verbinden. Ieder is overtuigd van zijn eigen gelijk en de waarheid wordt onder de immense hoeveelheid waarheden bedolven. Hiermee is de democratie verworden tot een ochlocratie (heerschappij van de massa), waarin de turbulentie van opvliegendheid en oncontroleerbare verontwaardiging de macht hebben gegrepen en waarin het staatsbelang dagelijks wordt geofferd op het altaar van de deelbelangen van doelgroepen. Wantrouwend en verdeeld volk kan leiders afzetten en beleid saboteren, maar het kan geen staat besturen.

De democratie erodeert onder de obsessie van pietluttigheden en details. Achterdocht knaagt onophoudelijk en de metselspecie van vertrouwen in de collectieve zaak wordt met elk incident verder afgebikt tot zij verpulvert en het bouwwerk instort dat ooit solide leek. Een autocratie kan maatschappelijke coherentie goedschiks of kwaadschiks afdwingen, maar een democratie functioneert uitsluitend bij gratie van het breekbare vertrouwen in haar wetten en instituties.

Dit vertrouwen wordt doelbewust verder ondermijnd door politici die in naam van de democratie het wantrouwen in de democratie voeden. Hoe verdeeld het volk ook is, er staan om de haverklap leiders op die de uiteenlopende vormen van onvrede mobiliseren en pretenderen dat zijn namens het gehele volk spreken. Zij spiegelen het volk voor dat het een monopolie heeft op het gezonde verstand en dat het homogeen is in zoverre het wordt verraden door de politieke elite. Zij presenteren het als een vanzelfsprekendheid dat de gezonde volkswil, die door de heersende klasse wordt genegeerd, naadloos samenvalt met hun eigen standpunten en elke mening die afwijkt van die van hen, beschouwen zij als een verloochening van het soevereine volk en een verkrachting van de democratie. Zij doen een beroep op emotie en presenteren rationaliteit als een instrument van het establishment. Het volk heeft geen behoefte aan feiten en argumenten, omdat het volk donders goed weet dat argumentatie een onderdeel is van het complot om het volk te onderwerpen en dat dat de feiten zijn. Met de insinuatie dat de democratische instituten het werktuig zijn waarmee een politieke elite het volk knecht en kleineert, zetten zij het volk in naam van de democratie op tegen de democratie, die in hun visie geen democratie mag heten als zij niet neerkomt op een compromisloze alleenheerschappij van hun eigen gelijk.’ Pag. 287-288.

 

7.5 Over machtsstrijd.

 

Toen Alkibiades Athene was ontvlucht en naar Sparta was uitggeweken, schreef hij in zijn ‘dagboek’ het volgende:

 

‘Het volk adoreerde mij, totdat iemand het volk wijsmaakte dat het meer verdiende dat het had, hetgeen iets is waarvan het volk op ieder willekeurig moment gemakkelijk te overtuigen is, en dat het de schuld was van de elite dat het volk onthouden werd waarop het recht had. Toen de elite eenmaal als collectieve vijand was aangewezen, had het mijn gezicht.

De ironie hierbij was dat de demagogen geen ongelijk hadden. Er was sprake van een complot van de elite tegen instituties van de democratie. De oligarchische fractie ondernam voorbereidingen om de democratie omver te werpen. Ik zou geen enkele reden hebben de betrokkenheid bij deze couppoging ten overstaan van jullie te ontkennen, mannen van Sparta, tenzij mijn liefde voor de waarheid de reden is. De logica zou het op zijn zachts gezegd ook onaannemelijk maken dat ik het systeem zou willen ontmantelen waaraan ik al mijn macht te danken had. Maar logica betekent weinig in een democratie. De antidemocratische opstand was juist in de eerste plaats tegen mij gericht. De oligarchen beschouwden mij als de voornaamste democratische leider en daarmee als hun voornaamste tegenstander en bovendien voerde ik een agressief maritiem beleid dat de behoudende, oorlogsschuwe belangen van de oude landadel ondergeschikt maakte aan de wensen van de roeiers, matrozen en berooid gepeupel dat voor zijn inkomsten afhankelijk was van soldij die op de roeibanken van oorlogsbodems kon worden verdiend.

Omdat er een complot tegen mij in gang was gezet door de oligarchische elite, dat zich manifesteerde in geruchten over heiligschennis, was het wantrouwende volk, dat sowieso eenvoudig van complotten tegen het volk te overtuigen is, gevoelig geworden voor de gedachte dat er sprake was van een complot tegen het volk. Demagogen die het gemunt hadden op mijn positie als democratisch leider profiteerden hiervan door het wantrouwen van het volk jegens de elite te mobiliseren en mij als vermeend kampioen van die elite tot vijand van het volk te verklaren en uit te schakelen. Omdat dergelijke besluiten in een democratie worden genomen op basis van opzwepende redevoeringen en niet op basis van de naakte feiten, was mijn absentie (afwezigheid) hun grootste wapen en omdat een democratie het principe huldigt dat getalsmatige meerderheden waarheid en opportunisme nietig verklaren, was het relevant dat mijn vurigste aanhang met mij ver van de Pnyx aan het strijden was voor de glorie van Athene.

Ik was een overtuigd democraat, dat kan en wil ik niet ontkennen, maar het feit dat de democratie is staat is gebleken de belangen van mijn vaderland willens en wetens uit overwegingen van ongegeneerd eigenbelang te verkwanselen, maakt het voor mij onmogelijk nog langer in de democratie te geloven.

 

Maar de volledige waarheid, waarvan ik jullie conform mijn zelfopgelegde plicht en mijn oprecht verlangen op deze papyrus deelgenoot te maken, mannen van Athene, maar die ik voor de Spartanen moest verzwijgen, was dat ik mijn geloof in Athene en in de democratie niet had verloren maar dat ik de oligarchen en de demagogen die op mijn positie uit waren als de twee vijanden van de democratie en van Athene had geïdentificeerd die ik met Spartaanse hulp wilde bestrijden teneinde Athene en de democratie te behouden.’ Pag. 298-291.

 

7.6 Over het verschil tussen de cultuur van Athene en Sparta.

 

Als banneling in Sparta schreef Alkibiades in zijn dagboek over het verschil tussen Sparta en Athene het volgende:

 

‘Wie in Athene ook maar iets voorstelt, heeft op elk moment van de dag wel iets te verhandelen, te scharrelen of te bekonkelen. Dat soort activiteiten, die in Athene ‘werk’ worden genoemd, gelden in Sparta als slavenarbeid. Iemand vertelde mij dat een Spartaan, die Athene bezocht en ambachtslieden, handelaars, reders, redenaars, marskramers, politici en juristen in de weer zag en iedereen druk achter verplichtingen, afspraken en aspiraties zag rennen, zijn gastheer vroeg of er in Athene geen vrije mensen woonden.’ Pag. 299.

 

‘Als ik zou moeten benoemen wat het fundamentele verschil is tussen de Atheense en Spartaanse samenleving, zou ik zeggen dat de Atheense manier van leven gebaseerd is op geloof in het individu, dat wij met een groot woord vrijheid noemen, terwijl de Spartaanse staat uitgaat van het collectief. Spartanen ontberen de mogelijkheid en de wil om voor zichzelf te leven. Net als bijen zien ze zichzelf in de eerste plaats als onvervreemdbare delen van de gemeenschap en net als bijen definiëren zij zelfrealisatie in termen van het voorrecht te mogen samenklonteren rond hun leider en zich met al hun kwaliteiten en ambities te wijden aan het geheel waarmee ze samenvallen.’ Pag. 301.

 

‘Dit zijn verhalen die ik jullie graag vertel, mannen van Athene, omdat ik weet dat ze voor Atheners tot de verbeelding spreken. Ik herinner mij dat mijn stiefvader Perikles onze vrijheid prees in zijn rede voor de gevallenen aan het einde van het eerste jaar van de oorlog. ‘Wij gunnen ieder het recht zijn leven in te richten zoals hem goeddunkt, omdat wij geloof hechten aan de grenzen die de wet stelt aan allen,‘ zei hij. ‘Wij laten onze kinderen vrij om te worden wie ze willen zijn, maar wanneer de noodzaak een beroep op hen zal doen, zullen zij moedig zijn, omdat zij weten dat het precies die vrijheid is die zij verdedigen. Nergens kan een individu zich zo vrij en autonoom ontwikkelen als in Athene.’ Ik herinner me deze woorden nog goed. Zelden heb ik iemand de trots die ik voelde en voel voor Athene zo treffend onder woorden horen brengen.

Maar als ik jullie vraag de grootste zwakte van Athene en van onze democratie aan te wijzen, zal ieder van jullie zonder een moment van aarzeling hetzelfde verschijnsel noemen, al zal hij daar misschien een andere naam aan geven.

De keerzijde van onze vrijheid is ons individualisme. We beschouwen het als een geboorterecht om de collectieve zaak ondergeschikt te maken aan onze persoonlijke vrijheden. Democratie is nu weinig meer dan een strijd tussen deelbelangen. Democratische besluitvorming is een spel waarin de deelnemers van elkaar moeten trachten te winnen ten koste van het algemeen belang. Daarom spreken deze verhalen over Sparta voor ons tot verbeelding, omdat wij intuïtief beseffen dat onze gemeenschapszin is verkruimeld onder het voortdurende gehamer op het aambeeld van de vrijheid.

Een andere keerzijde van onze vrijheid is dat zij ons slaaf heeft gemaakt van onze ambities. Elke vorm van vrijheid verwordt vroeg of laat tot een verplichting. Wanneer iedereen zich vrij en autonoom kan ontwikkelen, kan worden wie hij wil en alle mogelijkheden heeft om zijn leven tot een succes te maken, is er geen excuus meer voor falen en is de nimmer aflatende inzet voor de realisatie van persoonlijke aspiraties een gebod geworden. Omdat Athene iedereen in theorie de gelegenheid biedt om rijk te worden, is iedereen in Athene bij voortduring met weinig anders bezig dan met obsessieve pogingen om zichzelf te verrijken. De dwang die wij ervaren om onze eigen positie te verbeteren ten koste van onze medeburgers, noemen wij vrijheid. Daarom zijn we gefascineerd door het Spartaanse model, omdat wij op slechte dagen gevoelig zijn voor de gedachte dat we van onze vrijheid zouden moeten worden bevrijd.

Rijkdom speelt geen rol in Sparta. De staat voorziet in al het noodzakelijke en er is verder niets noemenswaardigs te koop. Handelaren uit den vreemde komen er niet of nauwelijks, omdat het Spartaanse geld met opzet waardeloos is gemaakt. Schepen met overzeese luxeproducten en snuisterijen doen de Lakonische havens niet aan en geen leraar in welsprekendheid, geen zwervende sterrenwichelaar, geen pooier en geen zilversmid zet voet op Spartaanse bodem, want er valt niets te verdienen. Goud en zilver liggen opgeslagen in de schatkamers van de staat, maar voor binnenlands gebruik is er uitsluitend geld van ijzer in omloop. De gegoten en geslagen munten zijn geblust in azijn om het ijzer broos te maken en waardeloos voor elke vorm van hergebruik. De waarde van deze ijzeren munten is dermate gering dat men een ruimte voorraadkamer nodig zou hebben om het equivalent van tien mina (munteenheid) op te slaan en een juk met lastdieren om het te vervoeren. Diefstal is op deze manier in logistiek opzicht nogal onaantrekkelijk gemaakt en het is tevens zo goed als onmogelijk om in het verborgene onderhands een omkoopsom te betalen. Onze Atheense filosofen proberen ons soms wijs te maken dat rijkdom een last is. In Sparta is dat letterlijk het geval en heeft het geen enkel zin om vermeerdering van rijkdom na te strerven en daar kostbare tijd aan te verspillen, die beter geïnvesteerd kan worden in lichamelijke oefening en militaire training.

Ook op andere manieren is materiële welstand irrelevant gemaakt. De gemeenschappelijke maaltijden in schaftgroepen zijn een verplicht gesteld alternatief voor de verlokkingen van haute cuisine, gourmet en kostbare delicatessen. Omdat niemand toestemming heeft om thuis te dineren met gasten, vervalt de noodzaak om indruk te maken met de luxe en het comfort van een weelderig gedecoreerde woning. Pas na enige tijd begreep ik dat deze bij wet afgedwongen soberheid dient om de bevolking te bevrijden van de voortdurend knagende onrust die voorkomt uit de constatering dat medeburgers met meer geld een mooier en makkelijker leven leiden.

Voorzieningen zijn collectief en bezittingen worden ter beschikking gesteld aan de gemeenschap. Het is gangbaar gebruik te maken van elkaars paarden, honden en slaven. De opvoeding van de kinderen is een collectieve verantwoordelijkheid. Iedere willekeurige, volwassen Spartaan geniet het ouderlijke gezag om ieder willekeurig kind terecht te wijzen. Wanneer een kind zich huilend bij zijn ouders beklaagt dat het door een volwassene is geslagen, moeten het wel heel slechte ouders zijn als zij het vervolgens niet ook zelf nog een duchtig pak rammel geven.’ Pag. 303-304.

 

‘Het voordeel van een bestuurder die niet democratisch gekozen is en geen verantwoording verschuldigd is aan het volk, is dat hij zich geduld kan permitteren. Koning Agis van Sparta dacht niet in ambtstermijnen en voelde geen noodzaak met de demonstatie van zijn gelijk. Zijn beleid hoefde zich niet te richten op zijn herverkiezing en kon daardoor rekening houden met het landsbelang.’ Pag. 322.

 

7.7 Over hoe bedreiging leidt tot gemeenschapsgevoel.

 

Alkibiades beschreef verder hoe mensen in Athene in tijde van bedreigingen plots weer als gemeenschap gaan opereren en eigenbelang opzijzetten.

 

‘In deze staat van wanhoop en gerechtvaardigde paniek nam het volk eenstemmig het onuitgesproken besluit om stand te houden. Er werden bezuinigingsmaatregelen getroffen en alles werd in het werk gesteld om geld vrij te maken en hout te vinden voor de reconstructie van de vloot. Er werden diplomatieke initiatieven ontplooid om de bondgenootschappen veilig te stellen. Er werd een raad van tien experts aangesteld met uitzonderlijke en verregaande bevoegdheden voor de duur van de noodtoestand.

Juist op een van de donkerste momenten van haar bestaan liet de democratie zich van haar meest verlichte kant zien. De algehele ontzetting vertaalde zich in de unaniem gevoelde noodzaak om zich met urgentie te concentreren op het algemene belang. In de consternatie van het moment werd het volk eindelijk prudent (wijs, voorzichtig, omzichtig) en verstandig en vertoonde het een collectieve opofferingsgezindheid en vindingrijkheid die geen enkel autoritair regime ter wereld zou kunnen evenaren.’ Pag. 349.

 

7.8 Over beweegredenen van macht.

 

Alkibiades geeft een voorbeeld van wat de achtergronden kunnen zijn van het verwerven van macht:

 

‘Phrynichos was een voormalige geitenhoeder die met ongekende energie zijn droom van een politieke carrière najoeg. Al in de tijd toen ik nog in Athene was, had hij zich ontpopt tot radicale populist, die zich associeerde met Androkles uit het district Pithos die zijn vurige ambitie om mij van de troon te stoten als leider van de democratische factie combineerde met diep doorvoelde haat jegens mij persoonlijk vanwege mijn afkomst, die opzichtig van de zijne verschilde. Waar andere populisten de rancune jegens de elite uit electorale overwegingen kunstmatig aanwakkeren en opstoken bij het volk, waren het inferioriteitscomplex van Phrynichos en zijn blinde animositeit (afgunst) jegens de bevoorrechte klasse, die uit dit minderwaardigheidsgevoel tevoorschijn was gekropen, angstaanjagend oprecht.

Ik heb geleerd dat politici die lessen in relativering die door weelde worden gegeven nooit hebben geleerd en die werkelijk geloven dat er onrecht bestaat en dat de politiek daarover gaat, in plaats van over macht, in de regel hardnekkige tegenstanders zijn.’ Pag. 368.

 

7.9 Over monarchie en democratie.

 

Na ook in Sparta te zijn veroordeeld tot de dood, vluchtte Alkibiades naar Perzie, waar hij zijn toevlucht naam bij Tessaphernes, de gouverneur en militair bevelhebber van Sardes, een onderdeel van het Perzische rijk. Hij was bevriend geraakt met Tessaphernes in de tijd dat hij als gezand en ambassadeur van Athene meerdere malen in Perzië was. Met hem voerde hij het volgende gesprek over de monarchie van Perzië en de democratie van Athene.

 

‘De eerste koning Dareios, de zoon van Hystapes en de overgrootvader van onze huidige koning Dareios, heeft ooit gezegd dat de superioriteit van de monarchie alleen al blijkt uit het feit dat de beide andere staatsvormen de natuurlijke neiging vertonen om zich in de richting van een alleenheerschappij te ontwikkelen. Als de regering in handen is van een college van vooraanstaande burgers die zich op grond van hun afkomst, opvoeding en opleiding als de elite van de staat mogen beschouwen en geacht moeten worden gezamenlijk in staat te zijn het best denkbare beleid vorm te geven,-‘ ‘Het concept van de oligarchie is mij bekend’, zei ik. ‘Val me niet in de rede’, zie hij. ‘Ik spreek de wijze woorden van Dareios de Grote. Hij voorzag dat een dergelijk collectief van excellentie binnen de kortste keren verscheurd raakt door persoonlijke rivaliteiten en conflicterende belangen en dat de enige remedie hiertegen gelegen is in het scenario waarin een van hen de macht naar zich toe trekt ten koste van de anderen.’

‘De mengdrank gaat schiften’, zei ik, ‘en het gegeven dat de macht gaat samenklonteren rond de persoon die haar het meest begeert, is tegelijkertijd het probleem en de oplossing van het probleem.’ ‘Juist’, zei Tissaphernes. ‘En met de democratie gaat het net zo. Als het staatsbestuur in handen is van het volk, beginnen zich facties te vormen die hun aandacht en energie meer richten op de bestrijding van rivaliserende facties dan op het algemeen belang. Voor je het weet, wordt de democratie door haar interne verdeeldheid dermate inefficiënt, autoreferentieel (in zichzelf gekeerd), onooglijk, incoherent en kortzichtig dat het volk zich van zijn eigen democratische instituties begint af te keren en de roep om een sterke leider steeds luider klinkt.’ ‘Zei Dareios dat?’ vroeg ik. ‘Hij was een wijs man.‘ zei hij.

‘Het lijkt wel alsof hij in Athene opgroeide,’ zei ik. ‘De Atheense democratie functioneerde het beste toen Perikles dermate onbetwist was als leider dat Athene louter nog in de naam een democratie mocht heten en in de praktijk een alleenheerschappij was geworden van zijn capabelste bestuurder. De teloorgang van de democratie na de dood van Perikles is veroorzaakt door zogenaamde leiders die in hun machtshonger hengelen naar de volksgunst en hun visie laten bepalen door de fluctuaties van de publieke opinie, waarbij zij al het mogelijke in het werk stellen om diezelfde publieke opinie tegen hun rivalen op te zetten. Het gevolg hiervan is dat de democratie niet langer in staat is om verder in te toekomst te kijken dan tot de volgende afstemming, hetgeen een coherente (samenhangende) visie voor de lange termijn tot een luchtspiegeling maakt. Natuurlijk wil iedereen het beste beleid en het beste beleid wordt bedacht door de beste bestuurder. Als je het beste van het beste wil, is er altijd iemand beter dan alle anderen. Hoe groot of klein je de groep machthebbers ook maakt, er zullen altijd minder capabele lieden tussen zitten die invloed uitoefenen op de beslissingen die beter zonder hen genomen zouden kunnen worden door de beste man uit hun midden. Als je het beste beleid wilt, zul je de beste man in zijn eentje aan het roer moeten zetten. Maar de vraag die hierbij gesteld moet worden, is wie bepaalt wie de beste is. De kwaliteit van het beleid is geen objectief gegeven, maar een grootheid die wordt afgemeten aan specifieke politieke voorkeuren, belangen en toekomstvisies. Het antwoord op de vraag wie de beste man is om de staat te leiden, hangt af van de persoon aan wie je hem stelt, aangezien eenieder de neiging zal hebben om diegene als deskundige leider te beschouwen die de meeste affiniteit vertoont met de eigen wensen. In feite zijn er twee mogelijkheden. Men kan deze keuze van de beste leider overlaten aan het toeval, door de oudste zoon van de vorige leider blind tot nieuwe leider uit te roepen en de gok te nemen dat hij, zodra hij eenmaal in functie zal zijn, net zoveel op zijn vader zal lijken als men hoopt, of men kan de keuze institutionaliseren in de vorm van een meerderheidsbesluit.’

‘Een koningshuis is niet gebouwd op het kwikzand van het toeval maar op het rotsvaste fundament van een superieure bloedlijn,’ zei Tissaphernes. ‘De capaciteiten van de vader rechtvaardigen verwachtingen omtrent de talenten van zijn zoon. Doordat de lotsbestemming van de monarch bij zijn geboorte vastligt, wordt vanaf zijn geboorte alles in het werk gesteld om hem op de best denkbare manier voor te bereiden op zijn taken. Geen mens kan tippen aan de training en opleiding die een prins geniet. Bestuurlijke kwaliteiten is wel degelijk objectief.’ ‘En waarom bestaan er dan toch slechte koningen?’ vroeg ik. ‘Omdat de leugen tegen de waarheid strijdt en niets volmaakt is in de vergankelijke wereld,’ zei hij. ‘Een negatieve evaluatie van concrete manifestaties doet niet af aan de geldigheid van het model.’

‘Ik weet niet of dat waar is,’ zei ik. ‘De immoraliteit van sommige alleenheersers legt de vinger volgens mij op een fundamentele tekortkoming van het autocratische model. Macht verandert de mens. Zelfs een uitmuntend karakter kan gecorrumpeerd worden door de ervaring van almacht. De gelegenheid wekt het verlangen. Wie ongelimiteerd vertrouwen geniet, zal vroeg of laat op het idee komen om het te beschamen, alleen al omdat dat tot mogelijkheden behoort. De gevolgen variëren van verkwisting van collectieve middelen, bijvoorbeeld door een eenzame plataan in een afgelegen buitengewest te behangen met vele talenten goud, tot erger en heel veel erger. De licentie voor willekeur, die inherent is aan het systeem, creëert tirannen, zonder dat hetzelfde systeem is voorzien in een waarborg tegen excessen.’ ‘Een slechte heerser wordt uit de weg geruimd,’ zei hij. ‘Daar heb je jouw waarborg.’

‘Misschien zou het beter zijn om zijn aansprakelijkheid te institutionaliseren,’ zei ik. ‘De gedachte achter een democratie is dat het feit dat de macht door allen wordt gedeeld een garantie vormt tegen de mogelijkheid dat één individu alle macht naar zich toetrekt.’ ‘En waarom baart een democratie dan soms autocraten?’ vroeg hij. ‘Omdat de democratie niet werkt,’ zei hij.

‘De democratie functioneert,’ zei ik, ‘zolang er sprake is van een scheiding tussen de keuze van de bestemming en de verantwoordelijkheid voor de reis. De ster die de koers bepaald wordt door alle opvarende gezamenlijk aangewezen, waarna de vaardigste stuurman het roer in handen neemt. Geadviseerd door zijn deskundige politici beslist het volk in meerderheid welk beleid wenselijk is en de uitvoering van dat beleid wordt in handen gelegd van de capabelste strategen en bestuurders, die door het volk worden gecontroleerd en aan het volk verantwoording verschuldigd zijn. Dat is de theorie. Dat is een werkbaar systeem, dat capaciteiten benut zonder almacht toe te staan.’

 

‘De systeemfout die inherent is aan de democratie, is dat ze geen waarborg kent tegen rampzalige besluiten,’ zei ik, ‘en de onderlinge strijd van verschillende belangengroepen, die een wezenskenmerk van het democratisch debat heet te zijn, tot strategieën inspireert waarbij de rampzalige gevolgen van bepaalde besluiten op de koop toe worden genomen als er rivalen mee kunnen worden geschaad. De scheiding der machten, die fundamenteel is voor het functioneren van een democratie, is in de praktijk een fictie. De opvarenden kijken niet naar de ster, maar naar de stuurman, wiens verantwoordelijkheid jaloezie opwekt. De controlerende taak van het soevereine volk ontaardt in een machtsmiddel dat wordt aangewend om groepsbelangen te dienen ten koste van de politieke tegenstanders. Het algemene belang en langetermijnvisie met betrekking tot de toekomst van de staat gaan teloor in een kakafonie van deelbelangen, totdat het volk zich niet meer in zichzelf herkent en de mensen zich niet meer vertegenwoordigd voelen door politici die naar hun gejuich en applaus hongeren en de aanstelling van een autocraat, die orde op zake stelt, een steeds noodzakelijker remedie begint te lijken.’

‘Een constitutie die concentratie van de macht tracht te voorkomen door iedere burger te laten delen in de macht, faciliteert per definitie een voortdurende machtsstrijd. Alle deelnemers aan het spel hebben minder macht dan ze zouden wensen en denken mogelijkheden te zien om daaraan iets te doen. Op een gegeven moment is dat spel het enige spel dat nog wordt gespeeld en denkt geen speler nog aan het staatsbelang.’ Pag. 397-401.

 

7.10 Over de noodzaak van het behoud van onafhankelijkheid en flexibel handelen.

 

‘Vrijheid en gelijkheid zijn een luxe die Athene zich tijdelijk kan veroorloven als Athene werkelijk zozeer aan zijn vrijheid en gelijkheid hecht dat het deze verworvenheden wil veiligstellen voor de toekomst,’ zei Peisandros. ‘Als we onze staat willen inrichten zoals wij in navolging van onze vaders en grootvaders wenselijk achten, is het behoud van zeggenschap over onze eigen staat een eerste voorwaarde en het is precies deze autonomie die op het spel wordt gezet door enige aanpassing van de staatsvorm die onze vaders en grootvaders ons hebben nagelaten bij voorbaat onbespreekbaar te achten. Het behoud van ideologische overtuigingen is ondergeschikt aan het behoud van onafhankelijkheid, want de dag waarop ons het recht wordt ontnomen om onze overtuigingen te volgen, zal de dag zijn waarop onze idealen iedere betekenis hebben verloren. We zijn in oorlog en wij zullen de oorlog verliezen, tenzij wij de moed hebben om te doen wat nodig is. Geloof in democratische waarden mag geen excuus worden om af te zien van daden die noodzakelijk zijn voor het staatsbelang. Ik hoop dat jullie willen beseffen dat dit debat niet gaat over de toekomst van de democratie, maar over de toekomst van Athene.’ Pag. 419-420.

7.11 Over staatsgrepen.

 

In ballingschap in Perzië volgt Alkibiades via ‘spionnen’ de ontwikkelingen in Athene in de tijd dat de Athener Peisandros een belang rol speelt in de staatsgreep van oligarchen in 411 v.Chr. In Alkibiades staat hierover het volgende te lezen:

 

‘Er waren jongeren geronseld die op intimiderende wijze demonstreerden voor reductie van het gewicht van de staat op de schatkist en voor de afschaffing van honoraria voor publieke ambten. Ze eisten op luide toon dat het aantal burgers met actief en passief stemrecht zou worden teruggebracht tot vijfduizend en dat het openbare bestuur in handen zou worden gelegd van diegenen die over genoeg privévermogen beschikten om geen aanspraak te hoeven maken op publieke gelden. Het magische aantal van vijfduizend, dat telkens weer werd genoemd als panacee (wondermiddel) voor alle problemen, was een façade, die de beweging een gematigd democratisch imago moest verschaffen en voor het volk acceptabel en misschien zelfs sympathiek moest maken. De werkelijke doelstelling van de revolutionairen was een aanzienlijk exclusiever bestuur.

De volksvergadering en de executieve raad kwamen nog steeds op de reguliere momenten bij elkaar, maar stonden feitelijk onder controle van de beweging. De agenda van gespreksonderwerpen moest door de revolutionairen worden goedgekeurd, die eveneens de sprekers aanwezen en vooraf bepaalden wat zij zouden zeggen. Niemand van de zwijgende meerderheid durfde nog te protesteren vanwege angstige vermoedens met betrekking tot de omvang van de beweging. Wanneer iemand desondanks de moed opbracht om zich uit te spreken tegen de omwenteling die zich onmiskenbaar aan het voltrekken was, kon het gebeuren dat hij op de een of andere wijze de dood vond, waarna er in de regel geen zoektocht plaatsvond naar de daders of enig ander juridisch onderzoek werd gestart naar de omstandigheden.

Dus leerde het volk zijn mond te houden en het in deze nieuwe situatie als het hoogst haalbare te beschouwen om, in het besef dat het geweten met het stilzwijgen geweld werd aangedaan, geen slachtoffer te worden van geweld. Omdat de mensen niet wisten hoe groot het aantal samenzweerders precies was en evenmin over de middelen beschikten om dat te kunnen bepalen in een stad die zo groot was als Athene, namen zij aan dat het aantal groter was dan in werkelijkheid het geval was, hetgeen leidde tot angst en paranoia, die gedachten aan verzet verlamden. Het werd in toenemende mate onverstandig geacht ongenoegen te delen met een buurman of ten overstaan van een kennis op fluistertoon bezorgdheid te uiten, omdat niemand nog wist wie te vertrouwen was. Elke onbekende kon een informant zijn van de revolutionairen en in het geval van een vriend was dat risico niet per se geringer. Ook de leden van de democratische gezinde oppositie bejegenden elkaar met toenemend wantrouwen. Omdat zelfs lieden die niemand ooit zou verdenken van oligarchische sympathieën soms toch tot de beweging bleken te behoren, konden zelfs de uitgesproken ideologische stellingnamen uit het zeer recente verleden niet langer worden beschouw als een garantie voor betrouwbaarheid. Het waren met name overlopers, van wie niemand ooit iets kwaads zou hebben vermoed, die bijdroegen aan het klimaat van algemene achterdocht die de straffeloosheid van de beweging mogelijk maakte.

Bendes van jongeren die de revolutie hadden omarmd, namen in hun ijver om rechter in de nieuwe leer te schijnen dan anderen geen genoegen meer met intimidatie van de oppositie en begonnen prominenten van de vroegere democratische partij uit de weg te ruimen. Dit was te voorspellen. Staatsgrepen zijn nu eenmaal zelden vreedzaam en nog minder vergevingsgezind jegens de macht die zij ontmantelen.’ Pag.427-428.

 

7.12 Over het proces van oligarchie naar democratie.

 

Alkibiades dacht in zijn ballingschap na hoe hij kon ingrijpen om samen met gelijkgestemden in Athene de democratie in Athene te herstellen door de huidige dictatoriale machthebbers af te zetten. In zijn dagboek schreef hij:

 

‘Alle filosofische discussies die in het verleden waren gevoerd over de voor- en nadelen van de democratie, werden door de meedogenloze werkelijkheid van het autoritaire regime met terugwerkende kracht gedegradeerd tot beschamende sofistische (spitsvondige) exercities. De vele tekortkomingen van onze oude democratische processen, die door velen moeiteloos konden worden opgesomd, namen door de lijflijke ervaring met het schrikbewind dat de oligarchen ontketenden de gedaante aan van kwaliteiten.

Het ridicule uitgangspunt dat wijsheid een meerderheidsbesluit zou zijn, had bij nader inzien altijd voorkomen dat een minderheid haar wil zou opleggen aan het volk, terwijl de hopeloze inefficiëntie van overleg omwille van het overleg een waarborg bleek te zijn geweest tegen de efficiëntie van terreur omwille van de terreur. De spreekwoordelijke en dikwijls gretig bespotte onwetendheid van het plebs bleek bij nader inzien verre te verkiezen boven de intelligente boosaardigheid van de nieuwe elite en de manipuleerbare emoties van het volk waren een baken van menselijkheid geweest in vergelijking met de emotieloze doelmatigheid van de onderdrukking. Het geschreeuw van de vroegere demagogen had onschuldiger geklonken dan de bevelen van nu. Het gepolariseerde politieke debat, dat in zijn ijver om tegenstanders te schaden het algemene belang placht te vergeten, bleek beter beleid te hebben voortgebracht dan het met een beroep op het algemene belang en met geweld afgedwongen verbod op een afwijkende mening.

De veranderlijkheid van de publieke opinie die het beleid dicteerde was minder beangstigend geweest dan het veranderlijke humeur van individuele machthebbers. Het korte geheugen van de modegevoelige massa kreeg met terugwerkende kracht de charme van humane vergevingsgezindheid in het licht van de rechtlijnige trouw die de oligarchen bewezen aan hun eigen ideologie en het gebrek aan coherentie (verbondenheid), dat het gevolg was van de soevereiniteit van een volatiel (wispelturig) gremium als de volksvergadering, had thans aantrekkingskracht van een lovenswaardige bereidheid om goede besluiten te heroverwegen, die de nieuwe machthebbers zelfs bij rampzalige besluiten weigerden aan de dag te leggen. Het was precies de kracht geweest van de democratie dat zij ieder de vrijheid had gegeven om de democratie te bekritiseren, terwijl het oligarchische regime door kritiek te verbieden alle eerdere gratuite (ongegronde) kritiek op de democratie weerlegde.

Het patriottische vuur, dat aanvankelijk een groot deel van de aantrekkingskracht had uitgemaakt van de oligarchische omwenteling - het hele plan was immers bedacht met het doel om de Perzen aan onze kant te krijgen en de Spartanen te vermorzelen -   werd onmiddellijk geblust door de banale realiteit van de louter in hun eigen belangen geïnteresseerde nieuwe machthebbers. Bezien door de ogen van de regerende aristocraten leek het autocratische en conservatieve koninkrijk Sparta opeens aanzienlijk minder vijandig dan voorheen. Zonder verder nog één moment over een mogelijke alliantie met Perzië te spreken handelden de oligarchen naar hun hoop dat de Spartanen sympathie zouden hebben voor gelijkgestemden, die een einde hadden gemaakt aan het volatiele (wispelturige) volksbewind, en dat de nieuwe constitutie in Athene een vergelijk met Sparta mogelijk zou maken dat hun landgoederen in Attika en hun financiële belangen in de zilvermijnen zou veiligstellen.’ Pag. 432-433.

 

‘Het ligt in de menselijke aard om macht niet te kunnen delen. Iedere vorm van promotie ten koste van anderen wakkert eerzucht aan in plaats van haar te stillen, zoals honger die komt met het eten. Het is de definitie van macht dat zij anderen onderdrukt, dus wie vrij wil zijn zal macht over zijn potentiële onderdrukkers dienen te verwerven. Het wordt vaak afgunst genoemd, het principe dat mensen elkaar de macht niet gunnen, maar het is overlevingsdrang, die al sinds de gouden tijd, toen de goden nog over de aarde liepen, de drijfveer is achter de menselijke geschiedenis.

Waar het de zwakte is van de democratie dat de macht door haar instituties dermate verwatert dat het beleid eronder kan lijden, is het kracht dat zij aangeboren machtshonger dankzij haar instituties reguleert en limiteert. Een oligarchie die uit een democratie voortkomt, wordt daarentegen vroeg of laat verscheurd door het gebrek aan beperkingen die zij aan haar eigen ambities oplegt. In een groep gelijken, die zich boven de rest stelt, zal ieder zich boven de anderen trachten te stellen. De onderwerping van de ander ligt, zoals gezegd, in de aard van de macht, dus wie zich niet wil laten knechten, zal zijn potentiële onderdrukkers dienen uit te schakelen en voor ieder geprivilegieerd lid van de oligarchie is het grootste gevaar om geknecht te worden afkomstig van zijn kompanen. Wie de wet breekt voor eigen gewin, krijgt geen respect voor de wet wanneer zijn doel is bereikt, en hij zal daarbij de neiging vertonen om zijn gerealiseerde doel te beschouwen als slechts een van de vele wenselijke resultaten. Men kan eensgezind samenzweren, maar er bestaat geen manier om harmonieus samengezworen te hebben.

De meest effectieve manier om een oligarchie die wederrechtelijk de macht heeft gegrepen ten val te brengen is derhalve haar te laten duren. Ik had de Atheense vloot niet nodig om de Vierhonderd omver te werpen en de vloot mij evenmin. Er werden geen heroïsche daden van ons gevergd. Het zou volstaan af te wachten tot de Vierhonderd door interne conflicten zozeer verscheurd en verzwakt zouden raken dat het volk de moed op zou vatten om hen af te zetten. Maar dit wilde niet zeggen dat wij hun onvermijdelijke ondergang niet konden bespoedigen door bij te dragen aan hun interne verdeeldheid en aan de bemoediging van het volk. Deze beide doelstellingen vormden het voornaamste motief voor het ultimatum dat ik namens de hele vloot had doen uitgaan naar de Vierhonderd. Daarbij was het minstens zo belangrijk voor mij persoonlijk dat mijn naam in heel Athene zou klinken als de naam van de leider van het democratische proces.

Alles ging precies zoals ik had voorzien, hetgeen geenszins een prestatie was waarop ik mij wil beroemen, aangezien het eenvoudig was geweest te voorspellen hoe alles zou gaan. De meerderheid van de oligarchen, die zich inmiddels in macht voorbijgestreefd zag door een radicale minderheid en die steeds minder van haar aanvankelijke dromen herkende in de hardvochtige realiteit die zij had helpen creëren, begon spijt te krijgen van de hele onderneming en zocht in feite naar een exitstrategie, die haar in staat zou stellen op een veilige manier zonder vrees te hebben voor tribunalen op haar schrede terug te keren. Mijn ultimatum bood deze gematigden exact wat ze zochten. Ze verenigden zich onder leiding van Theramenes en begonnen ervoor te pleiten om excessieve concentratie van de macht tegen te gaan en de constitutie op een rechtvaardigere grondslag te stoelen.’ Pag.455-456.

 

7.13 Over de moeilijke weg van dromen naar werkelijkheid.

 

‘Onverdraaglijk is het dat de aanmatigende werkelijkheid zich hooguit traag en altijd met tegenzin voegt naar mijn wensen. Doordat de wereld van allerhande inferieur spul is gemaakt, wordt de zuivere schoonheid van volmaakte ideeën vervormd, gecorrumpeerd en gefnuikt, tot de realiteit een povere parodie is geworden op mijn plannen. In theorie is alles doordacht, als een stappenplan naar een onvermijdelijk resultaat, maar vervolgens weigert de praktijk de hoffelijkheid op te brengen om aan de theorie te gehoorzamen. Niets is zo hinderlijk voor een strateeg als de werkelijkheid.’ Pag. 486-487.

 

‘Ik geloofde nog altijd dat mijn uitzonderlijke talent om in mijzelf te geloven mij voorbestemde tot daden die alleen mogelijk zijn voor een man die blind is voor alle beletselen die de waarschijnlijkheid opwerpt. Zelfs toen de belemmeringen zo concreet en tastbaar werden als de muren van een kerker, waren mijn gedachten bij ongehoorde plannen die de wijde wereld zouden doen gonzen van ontzag voor mijn naam.’ Pag. 499.

 

‘Niets wat zonder gevaar wordt ondernomen, is eervol, zegt de dichter Pindaros en dichters hebben altijd gelijk, zeker wanneer het gaat om kwesties van leven en dood.’ Pag. 514.

 

7.14 Over de drang om te worden liefgehad.

 

‘Gedurende de laatste jaren in Athene was ik te druk met mijzelf geweest om mij te bekommeren om de man (Sokrates) die had gemaakt tot wie ik was. Ik moet dat anders formuleren. Ik was te zeer geobsedeerd door mijn missie te worden wie ik al dacht te zijn om achterom te kijk naar de man die tevergeefs had getracht mij te doen inzien dat ik beter kon zijn dan ik wilde. De bitterzoete mengdrank van dankbaarheid voor zijn pogingen om mij meer bij te brengen dan ik wilde leren en schaamte voor mijn onvermogen en onwil om die inspanningen dankbaar op waarde te schatten overweldigde mij met de bedwelmende kracht van aangelengde wijn.’ Pag. 500.

 

‘De eenzame opsluiting met mijn gedachten dreigde tot het gênante inzicht te leiden dat ik alles wat ik heb gedaan, het gedaan om te worden liefgehad, desnoods door de hele stad, terwijl ik niet zag dat ik zonder iets te doen al werd liefgehad door mijn beste en enige vriend en ik zijn liefde verspeelde met mijn daden.

Alles wat ik had gedaan, had ik gedaan om geliefd te worden, terwijl ik daarmee blind de liefde die bestond of had kunnen bestaan mijn rug toekeerde. Ik had ooit gezegd dat de ambitie van een man zich niet verdraagt met de huiselijkheid van kleine vreugden en zorgen, maar ik vroeg me af of dat nog steeds gold wanneer die ambitie erop was gericht om bemind te worden en ik kon het bij deze gedachten niet voorkomen dat ik weinig ambitieus en nog minder productief begon te grienen als een Homerische held, dan wel een vrouw, waarbij ik om mijn tranen glimlachte, omdat ik mij herinnerde dat Hipparete mij had geleerd dat een waarlijk groot man een man is die ook een vrouw durft te zijn.’ Pag. 502.

 

‘Ze zei dat bewondering een giftig geschenk kan zijn als men het te vroeg in zijn leven in te grote doses krijgt toegediend.

‘Weet je hoeveel mensen op deze aarde wonen?’ vroeg zij. ‘Dat weet alleen Apollo,’ zei ik. ‘Waarom vraag je dat?’ ‘Stel dat alle mensen op aarde op een dag van jou zullen houden,’ zei ze, ‘zou je dan gelukkig zijn?’ ‘Op die dag zou ik waarschijnlijk op zoek gaan naar een andere aarde die ik nog niet veroverd en voor mij gewonnen heb,’ zei ik. ‘Je kent jezelf,’ concludeerde ze. ‘Voor zover het mijn slechte eigenschappen betreft,’ zei ik. ‘Die springen zozeer in het oog dat zij zelfs niet voor een man als ik niet te missen zijn. Naar de goede eigenschappen heb ik wel eens gezocht bij mezelf, maar die laten zich minder eenvoudig ontdekken.’ Pag. 570-571.

 

7.15 Over dat woorden makkelijker zijn dan daden.

 

‘Tijdens een van onze gesprekken vertelde ik haar over Sokrates en bij wijze van toelichting op het ontkennende antwoord op haar voor de hand liggende vraag of ik hem al had opgezocht, vertelde ik haar over de schaamte die mij in zijn gezelschap overviel en die ik zelfs kon voelen wanneer ik alleen maar aan hem dacht. Toen zij mijn vroeg wat de oorzaak was van die schaamte en toen ik haar antwoordde dat ik mij pijnlijk bewust werd van mijn eigen tekortkomingen zodra ik werd geconfronteerd met zijn superieure intellect, rekende zij dat antwoord fout. Het was misschien wel waar, zei ze, maar het was de gemakkelijke verklaring, die afleidde van de werkelijke oorzaak, die naar haar oordeel gelokaliseerd moest worden in de omstandigheid dat mijn levensloop, loopbaan en ambities gedreven werden door begeerten die hij diskwalificeerde. Terwijl ik gezien wilde worden en daarom streefde naar erkenning in de vorm van macht en roem - dit waren haar woorden, niet de mijne, maar ik sprak haar niet tegen - wees hij iedereen die hij tot een gesprek wilde verleiden op de betrekkelijkheid van dergelijke hunkeringen en benadrukte hij het belang van morele coherentie. Hij zou zeggen dat het beter was onrecht te ondergaan dan onrechtvaardig te zijn. Volgens haar kwam mijn schaamte voort uit een sluimerend en latent besef van zijn gelijk, terwijl ik tegelijkertijd begreep dat ik mij als politicus en veldheer de luxe van zijn rechtlijnigheid niet kon permitteren. Toen ik haar zei dat ik verbluft was door haar analyse en dat ik vreesde ook in haar gezelschap door schaamte te worden overvallen vanwege haar superieure intelligentie, onderbrak ze mij en zei zij mij dat hij gemakkelijk praten had, omdat hij niets anders deed dan praten en omdat hij zich in de comfortabele positie had gemanoeuvreerd waarin hij geen vuile handen hoefde te maken, terwijl ik niet bang was om de verantwoordelijkheid voor de hele stad op me te nemen. ‘Terwijl hij als een krekel onophoudelijk kritiek op ons levert vanaf het hoge bolwerk van de stadsmuur, staan wij als krijgers in de vlakte,’ zei zij. ‘Wij?’ vroeg ik. ‘Jij en ik en de anderen. Ook ik heb een geharnast hart, vergis je niet. We proeven stof, zweet en bloed op onze lippen en hij eist op hoge toon van ons dat wij ons hoofd breken over rechtvaardigheid, waarbij hij vergeet dat het aan ons vuile werk te danken is dat hij de vrijheid kent om zich in veiligheid zorgen te maken over principes.’ Pag. 580-581.

 

7.16 Over de kracht van pleidooien.

 

‘Dezelfde mechanismen die eerder op dwingende wijze hun beslag hadden gekregen, zou zich ook nu conform een eerdere ijzeren logica herhalen. Het volk was altijd gevoelig geweest voor de argumenten van sprekers die het van zijn onoverwinnelijkheid trachtten te overtuigen en ook nu zou het volk weer naar hen luisteren. De ochtend na het overwinningsfeest was geen moment dat inspireerde tot terughoudendheid. Het pleidooi voor vrede zou hetzelfde onsympathieke gezicht hebben als immer, maar de aristocraten, grootgrondbezitters en aandeelhouders in de zilvermijnen van Laurion, die hunkerden naar de ontruiming van Dekeleia, zouden er door de mannen die zich het kuras (borstharnas) van het patriottisme hadden gehuld eenvoudig van kunnen worden beschuldigd dat zijn slechts hun eigen belangen dienden, waarna de beschuldiging van landverraad niet ver weg was. Hun oproep tot vrede zou worden overstemd door de minderbedeelden, die oneindig veel talrijker waren dan zij en wier invloed en inkomen afhankelijk waren van hun onmisbaarheid als roeiers van de vloot. De lagere klassen waren nu minder sterk vertegenwoordigd in het wetgevende gremium dan voorheen, omdat er voor de raad van Vijfduizend een minimum inkomensgrens gold, maar dat betekende niet dat hun stem minder zou worden gehoord en als dat wel zo was, zou dit alleen bijdragen aan het momentum voor het herstel van de oude democratie. De demagoog van dienst, die hunkerde naar de gunst van de meerderheid, zou de kans niet aan zich voorbij laten gaan om zich ten koste van de elite te profileren als een man van het volk. Zo zou het gaan.’ Pag. 518-519.

 

‘Hoewel we van nature geneigd zijn om onze gevoelens als een diepzinniger en waarachtiger deel van onszelf te beschouwen dan onze analytische gedachten en hoewel veel van de beslissingen die verregaande gevolgen hebben, door ons genomen worden onder de bedwelmende invloed van irrationele sentimenten, verschaft de taal ons een welkomen excuus om onszelf als willoos slachtoffer van onze emoties te beschouwen en de oorzaak ervan tezamen met de verantwoordelijkheid ervoor af te schuiven op externe factoren.

Voor mij als politicus, veldheer en strateeg vormen emoties de grondstof van mijn constructies, waarmee ik uiteraard bedoel dat kennis en manipulatie van de emoties van mijn tegenstanders en vijanden tot de voornaamste aandachtspunten van mijn rationele overwegingen behoren. Teneinde de gewenste sentimenten te veroorzaken bij mijn tegenstrevers dien ik echter zelf vrij te zijn van meeslepende gevoelens en onaangedaan als een rots in de zee mijn eigen kalmte te bewaren. Emoties zijn als paarden van een vierspan, die ik met zorg heb aangeschaft en afgericht en die mij de overwinning zullen schenken dankzij de totale controle die ik als wagenmenner heb.

Wanneer ik als redenaar het sprekerspodium op de heuvel van de Pnyx beklim, zal ik mijn gehoor op een berekende manier opzwepen tot geestdrift en ontroering, terwijl de emoties die ik daarbij lijk te vertonen deel uitmaken van een uitgekiende strategie. Het kan voor mij als bevelhebber van de strijdkrachten behulpzaam zijn om met mijn manoeuvres gevoelens van overmoed of angst te zaaien bij de vijandelijke troepen, maar als ik daarbij zelf ten prooi zou vallen aan diezelfde driestheid of vrees, zou de slag verloren zijn en zou ik mijn mannen om niets de dood in jagen. Als diplomaat tracht ik bij voortduring het oordeel van mijn gesprekspartner te benevelen door hem redenen aan te dragen waarom hij zich zou kunnen verheugen op de aangename consequenties van de keuze die ik wenselijk acht en waarom hij bij de onwenselijke keuze voor onaangename gevolgen zou moeten vrezen, maar tegelijkertijd probeer ik zelf elk vorm van bedwelming door sentimenten te voorkomen door vast te houden aan de koele logica van mijn doelstellingen. Emoties zijn pijlen die worden afgeschoten op vijandelijke stellingen, terwijl pijlen die op mij worden gericht vijandelijke projectielen zijn die ik afweer met mijn schild.’ Pag. 538-539.

 

‘Nu stond ik, na met de koningen van Sparta en Perzië te hebben verkeerd, op het punt opnieuw de arena van tijdelijke coalities en kleine deelbelangen te betreden met de taak om in een troebele poel van opportunisme draagvlak te vinden voor mijn evident gelijk en vloekend compromissen te sluiten met incompetentie en kortzichtige zelfzucht.

In een democratie zijn alle standpunten tijdelijk en met het volk als scherprechter is niets zo efemeer (kortstondig) als populariteit. Zelfs in de tijd toen ik als een spin in zijn web voeling had met de onzichtbare draden van al het gekonkel in de stad, had ik niet kunnen voorkomen dat ik ten val werd gebracht en nu zou ik als gevierde jongen van buiten komen zonder enig benul van de finesses van de vigerende politieke constellaties, waarbij bovendien meer afgunst zou worden opgeroepen dan tevoren.’ Pag. 543.

 

7.17 Over de gevaren van overwinning.

 

‘Elke nederlaag kan de laatste zijn, maar er bestaat geen laatste overwinning. Terwijl een definitief echec opties uit handen slaat en polsen bindt, creëert een zege openingen die niet onbenut mogen blijven. Hoe groter de overwinning is, hoe meer kansen ze biedt op nieuwe successen en omdat iedere mogelijkheid de verplichting met zich meebrengt om gebruik van haar te maken, houdt het nooit op. Zelfs wanneer de oorlog definitief gewonnen is, zijn de mogelijkheden om de oorlog nog een beetje beter te winnen niet uitgeput, en omdat de tijd zich niet houdt aan verdragen en zich evenmin neerlegt bij ons verlangen om een hoofdstuk als afgesloten te beschouwen, zal elke gewonnen oorlog zich scharen onder de oorzaken van het volgende conflict, dat nieuwe overwinningen noodzakelijk zal maken.’ Pag. 546-547.

7.18 Over vrijheid die zich niet laat knechten.

 

‘Toen ik voor mijn veiligheid en behoud was overgeleverd aan de genade en het humeur van autocraten als de koning van Sparta en de satraap van Sardis, het ik de kracht en de discipline gezien die uitgingen van hun absolute gezag. De efficiëntie van nimmer betwiste orders heb ik moeten onderkennen. Ik heb echter tevens de onoverkomelijke zwakte van hun autoritaire bewind ontdekt en die kwetsbaarheid, die niet te stuiten valt, is gelegen in de noodzaak om het eigen volk te knechten teneinde het staatsbestel te bestendigen. Terwijl vrijheid in Athene het uitgangspunt is van de staatsinrichting en het beleid, zijn in alleenheerschappijen zelfs de heersers onvrij, want wie koning is van slaven, is slaaf van de nimmer aflatende plicht om het volk te onderdrukken.

Wij zijn in oorlog met een autocratisch bewind. Mijn verblijf in de vreemde heeft mij doordrongen van het besef dat wij deze oorlog niet mogen verliezen, omdat het enige baken van vrijheid dat heel Hellas hoop biedt, niet gedoofd mag worden. Bovendien ben ik ervan overtuigd geraakt dat wij deze oorlog niet kunnen verliezen. Een onderworpene van de staat wordt met de knoet afgericht om zijn haat jegens de staat te verbergen. Hij is bereid zijn leven op het slagveld te riskeren, omdat hij weet dat hij zijn leven met zekerheid verliest als hij bevelen negeert. Uitsluitend in Athene en in de steden die wij als bondgenoten onze bescherming bieden is patriotisme een vrije keuze en een keuze voor vrijheid. Wij zijn onoverwinnelijk omdat vrijheid zich niet laat knechten.’ Pag. 552.

 

7.19 Over de terugkeer na lange afwezigheid.

 

Na jaren ballingschap herkrijgt Alkibiades de macht in Athene met de hulp van democratische medestanders. In zijn dagboek schrijft hij daarover:

 

‘Ik had acht jaar ver buiten Athene verkeerd. Ik was niet langer tot in detail ingevoerd in de machtsverhoudingen en verborgen agenda’s van fracties en allianties. Anders dan voorheen kende ik de hoofdrolspelers in het politieke debat niet allen persoonlijk. Ik moest als buitenstaander manoeuvreren in een gesloten kaste van op elkaar ingespeelde antagonisten (tegenstanders) en ik vond mijzelf terug in de slangenkuil die ik kende van vroeger, maar die inmiddels in het bezit was genomen door nieuwe slangen, die kronkelden op een onvoorspelbare manier die ik zo snel mogelijk moest zien te doorgronden. Het politieke debat was veranderd. Ik was opgegroeid met de onbetwistbare autoriteit van de staatsman Perikles en groot geworden als de tegenstander van de behoedzame technocraat Nikias, waarbij ik met verve de rol van de onconventionele en opwindende oppositieleider kon exploiteren, maar nu moest ik mij als verantwoordelijke bestuurder staande houden in een arena waarin de omgangsvormen waren verruwd en waarin weinig nog herinnerde aan de inhoudelijke discussies ten tijde van Perikles en Nikias. Argumenten hadden plaatsgemaakt voor insinuaties en weinigen hadden nog oog voor andere belangen dan politiek gewin op korte termijn.’ Pag.557-558.

 

Door een fout van een van de generaals verliest Alkibiades een belangrijke veldslag, wat koren is op de molen van zijn tegenstanders om hem uit zijn functie te zetten.

 

‘Ik wist dat gunstige wind aanhoudt totdat hij omslaat, dat de gunst van het volk veranderlijker is dan de wind, dat adoratie gaat vervelen, dat populariteit standhoudt tot op precies die dag waarop zij plotseling verdwenen blijkt en dat het opeen onwrikbaar lijkende vertrouwen in mijn capaciteiten door een willekeurig futiel incident de gedaante zou kunnen aannemen van een onbegrijpelijke vergissing, die snel moet worden vergeten.’ Pag. 579.

 

7.20 Over wat is waarheid.

 

‘De leugen die de meeste kans maakt om geloofd te worden, is de onwaarheid zie zich hult in het plechtige gewaad van de waarheid. Hoe dichter de leugen zich tegen de waarheid aan schurkt en hoe meer hij op haar lijkt, hoe geloofwaardiger hij schijnt. Ten overstaan van een rechtbankjury of het vergaderde volk, waar de werkelijkheid bij meerderheid van stemmen wordt vastgesteld, heeft waarschijnlijkheid een groter gewicht dan de waarheid,’ zei Sokrates. ‘Daarom definieert Tesias de waarheid in termen van een meerderheid,’ zei ik. ‘Waar is wat de meeste mensen voor waarschijnlijk houden.’ ‘Inderdaad,’ zei Sokrates. ‘Als we deze conclusie thans in verband beregen met onze eerdere conclusie, die inhield dat een politicus zich, wanneer hij liegt, van leugens zal bedienen die zoveel als mogelijk op  de waarheid lijken, kunnen wij begrijpen dat de politicus, die geïnteresseerd is in instemming van de meerderheid, geneigd zal zijn meer energie te investeren in de waarschijnlijkheid van zijn argumenten dan in de waarheid ervan en dat de waarheid onherkenbaar wordt te midden van beweringen die zich als waarheid vermommen.’ ‘Hetgeen ons terugvoert naar de gemeenplaats dat politiek en waarheid een probleemhuwelijk vormen,’ zei ik.’ Pag. 586-587.


‘Bestaat er volgens jou absolute waarheid?’ vroeg ik. ‘De som van de drie hoeken van een driehoek is gelijk aan de som van twee hoeken van een vierkant,’ zie hij (Sokrates). ‘Dat zou als een voorbeeld van een absolute waarheid mogen gelden in die zin dat zij verheven is boven interpretatie, meningen en discussie.’ ‘Weet je wat het probleem is met dit soort waarheden in de context van de politiek en van het openbaar bestuur?’ vroeg ik. ‘Zij zijn als tirannen. De democratie houdt niet van tirannen. Meningsverschillen en debat vormen de essentie van de politiek en deze absolute waarheden onttrekken zich daaraan als hooghartige dictators die onvoorwaardelijke gehoorzaamheid eisen. Daarom worden dit soort waarheden in de politiek omzeild, genegeerd en ontmanteld.’ ‘Maar je kunt niet ontkennen dat ze waar zijn,’ zei Sokrates. ‘Nee,’ zei ik. ‘Maar ik zal zeggen wat er gebeurt. Als ik in het politieke debat wordt geconfronteerd met een onwelkome waarheid die onmogelijk kan weerleggen, beweer ik toch het tegenovergestelde van die waarheid, hetgeen dus een leugen is, en om mijn bewering kracht bij te zetten zal ik niet pretenderen dat mijn leugen de sacrosancte (heilige, onschendbare) waarheid is, maar dat mijn versie van de waarheid nu eenmaal mijn mening is. Niemand zal durven ontkennen dat ik recht heb op een mening. En door jouw gelijk te bestrijden met mijn mening reduceer ik ook jouw onweerlegbare waarheid tot een mening, waarover men kennelijk kan discussiëren gezien het feit dat we dat al aan het doen zijn. Over contrasterende opinies kan vervolgens een meerderheidsbesluit worden genomen.’ Pag. 588.

 

‘Elke gebeurtenis is de worp van een dobbelende hand. De geschiedenis ontbeert logica. Met onze interpretaties achteraf proberen we de loop van de geschiedenis uit alle macht in een voor ons bevredigend stramien van oorzaken en gevolg te persen, maar de feiten als zodanig zijn manifestaties van willekeur. Daardoor zijn feiten nog eenvoudiger te bestrijden dan abstracte waarheden. Als ik mij van een onwelkom feit wil ontdoen, maak ik er een mening van door mijn eigen onwaarheid er als mijn eigen mening tegenover te stellen. Vervolgens is het eenvoudig voor mij om het debat te winnen en de meerderheid van het volk van de waarheid van mijn leugen te overtuigen, want de pleitbezorger van de feiten wordt gehinderd door de beperkingen die hem wordt opgelegd door de omstandigheden dat de willekeur van zijn feiten samenhang ontbeert en niet noodzakelijkerwijs een goed verhaal oplevert, terwijl ik als leugenaar zo vrij ben als een vogel, mij niets hoef aan te trekken van de hinderlijke feiten en een verhaal kan verzinnen dat meer logica vertoont en geloofwaardiger is dan de werkelijkheid. En omdat waarschijnlijkheid een groter gewicht in de schaal legt dan waarheid, zoals we eerder hebben geconcludeerd, maar de waarheidsverteller vanwege zijn gebondenheid aan willekeurige feiten geen schijn van kans tegen de vrijheid van de leugenaar.

De pleitbezorger van de waarheid kan winnen, maar zijn overwinning zou hem niet tevreden moeten stellen, want als hij zegeviert in een strijd tussen waarheid en leugen, die door de leugenaar omgevormd is tot een strijd tussen alternatieve meningen, betekent dit dat hij erin geslaagd is een meerderheid te vinden voor een waarheid die is verpakt als mening, waarin zijn waarheid niet de status krijgt van een vaststaand gegeven, maar van een meerderheidsopinie, die uit de aard van de zaak tijdelijk zal zijn en op elk moment verworpen kan worden door een nieuwe dominante opinie. Daar komt nog iets anders bij. Als de pleitbezorger van de waarheid een politieke rol wil spelen en derhalve overtuigend wil zijn, zal hij vaker wel dan niet uitvoerig trachten te beargumenteren dat zijn waarheid het belang van het volk dient. Dat is een begrijpelijke, maar riskante strategie, want wanneer de waarheidsverteller het politieke domein binnentreedt en zich met een bepaald groepsbelang identificeert, verliest hij de enige eigenschap die zijn waarheid geloofwaardigheid verleende, namelijk zijn onpartijdigheid. Er is nauwelijks een politieke positie denkbaar die meer argwaan wekt dan die van de pleitbezorger van de waarheid die een fortuinlijk coïncidentie heeft ontdekt tussen zijn waarheid en een deelbelang. Daar staat tegenover dat de leugenaar wendbaar is en dit alles glimlachend kan aanschouwen, want in het spel van deelbelangen is hij in zijn element. Hij is als een acteur, die naar believen zijn kostuum en masker wisselt en elke rol op zich kan nemen.’ Pag. 590.

 

7.21 Over het belang van vertrouwen en de gevolgen van wantrouwen.

 

‘Vertrouwen is nooit duurzaam in een democratie,’ zei ik. ‘Niets verwaait zo snel als de gunst van het volk.’ De democratie zou het probleem niet zijn,’ zei zij, ‘als iemand zoals jij het volk zou vertellen hoe het moest stemmen.’ ‘Dat ben ik met je eens, Timandra,’ zei ik. ‘Het probleem is alleen dat er telkens weer ook anderen opstaan die het recht voor zichzelf opeisen om het volk te mogen vertellen hoe het moet stemmen. Wie bepaalt wie de beste raadgever is van het volk? De bepaalt het volk bij meerderheid van stemmen.’ ‘De beste man zou het volk moeten leiden,’ zei zij. ‘De praktijk is helaas anders,’ zei ik, ‘om niet te zeggen diametraal tegenovergesteld aan het principe dat hij begrijpelijkerwijs huldigt. De plicht om de consensus van een meerderheid te vinden verdraagt zich slecht met uitzonderlijke kwaliteiten. Glorie wordt betaald met scheve ogen, dichtte Pindarus in zijn ode voor mijn grootvader Megakles. Alle mechanismen en instincten van een democratisch bestel zijn erop gericht uitzonderlijke bekwaamheden te onderdrukken, tegen te werken en te breken, omdat bijzondere kwaliteiten onvermijdelijk leiden tot een concentratie van de macht die in strijd is met het principe van de democratie. Het streven van spreiding van de macht impliceert ontmoediging van excellentie.’ Pag. 624-625.

 

‘Het debat op de Pnyx is gepolariseerd, van elk wissewasje wordt een halszaak gemaakt die de verschillende kampen tot in de essentie van hun ziel lijkt te raken, deelbelangen vechten om dagsuccessen, overwinningen op politieke rivalen worden belangrijker geacht dan overwinningen op onze vijanden en populisten hebben de afgelopen jaren zoveel energie geïnvesteerd in het mobiliseren van onvrede, dat er inmiddels daadwerkelijk ontzettend veel onvrede is ontstaan. Het volk heeft een diep wantrouwen opgevat jegens de elite. Iedereen die de moed opvat om te denken dat hij iets beter weet dan het volk, wordt als een volksvijand uitgejouwd, beschimpt, bedreigd en afgevoerd. Zelfs Perikles zou vandaag de dag geen schijn van kans maken. Mijn probleem is dat het moeilijk is iemand in Athene aan te wijzen die gemakkelijker beschuldigd kan worden van elitaire arrogantie dan ik en dat ik mijzelf desondanks dermate populair heb gemaakt dat mijn positie onhoudbaar is geworden.’ ‘Ben je verbitterd?’ vroeg ze. ‘Wat zal ik zeggen?’ antwoordde ik. ‘Het went.’ Pag. 625.

 

‘Het leven, dat we gedurende het grootste deel van onze tijd op aarde uit alle macht trachten te modelleren, te boetseren en te verbergen onder een dikke stuclaag van percepties, plannen en voorstellingen van het leven dat wij ons wensen, vertoont zich op sommige momenten onmiskenbaar in zijn onloochenbare, ware gedaante van een afschrikwekkend uitgestrekte leegte, woest en grenzeloos als de Thracische vlakten, waarin uitsluitend mogelijkheden bestaan en geen garanties. Dit was zo’n moment.’ Pag. 627.

 

‘In de maalstroom van opgeklopte sentimenten en insinuaties verloor het simpele feit dat alles verklaarde eenvoudigweg aan relevantie, omdat de menigte inmiddels minder geïnteresseerd was in een opheldering dan in een veroordeling. Er moest een schuldige worden aangewezen in weerwil van het feit dat er geen schuld bestond. Er was een sfeer ontstaan waarin het steeds onvermijdelijker was geworden dat iemand moest hangen en het debat draaide uiteindelijk alleen nog om de vraag wie. De verontwaardiging die bezit had genomen van de publieke opinie eiste een zondebok en kon onmogelijk nog worden afgescheept met de feitelijke waarheid.

Wanneer een volk misnoegd is, neemt het geen genoegen met omstandigheden als verklaring voor de tegenslag die zijn ongenoegen heeft veroorzaakt. De democratie neemt voorspoed als een vanzelfsprekendheid voor zichzelf te kunnen opeisen en vertoont de reflex om malheur te wijten aan de incompetentie of liever nog de kwade wil van vertegenwoordigers van de uitvoerende macht, die het zelf vol vertrouwen met verantwoordelijkheden heeft bekleed.

Een alleenheerser kan uiteindelijk alleen zichzelf de schuld geven van tegenslag, maar in een systeem waarin de macht gespreid wordt, bestaat ampele gelegenheid om decepties aan anderen te wijten. Feiten zijn daarbij van secundair belang. De polarisatie van het democratisch debat creëert zoveel verschillende waarheden, dat de waarheid aan het zicht onttrokken raakt. Zodra beide kampen elkaar eenmaal op luide toon hebben beschuldigd van malversaties, complotten en hoogverraad, voldoet zoiets banaals als slecht weer op zee niet langer als een bevredigende verklaring voor de gebeurtenissen. Dan vergt de dynamiek van het democratisch debat een andere waarheid dan waarheid.’ Pag. 644-645.

 

‘Kleophon wierp zichzelf uiteraard met grote gretigheid op als de heraut van de algemene verontwaardiging. Ongenoegen onder het volk is een godsgeschenk voor een populist en Kleophon had het mishagen deze keer niet eens eigenhandig hoeven te zaaien alvorens het te kunnen oogsten. Hij eiste de doodstraf voor de acht generaals en drong erop aan om zonder uitstel tot stemming over te gaan. Toen Sokrates, die op dat moment zitting had in de executieve raad, procedurele bezwaren maakte en erop wees dat de volksvertegenwoordiging niet bevoegd was om de generaals te veroordelen, om dat dat volgens de Atheense wet uitsluitend de competentie was van de rechtbank, ontstak Kleophon in woede. ‘Het moest niet gekker worden,’ schreeuwde hij. ‘Athene is een democratie. In een democratie neemt het volk de besluiten, of sofisten als Sokrates en andere immorele praatjesmakers dat nou leuk vinden of niet. Het zou belachelijk zijn als het volk door regeltjes gehinderd werd om te doen wat het wil. Het is een schande om het volk het recht om zich uit te spreken te ontzeggen door een beroep te doen op instituties die door de elite zijn uitgevonden om het volk klein te houden.’

Toen Sokrates bijval kreeg, diende Kleophon een motie in die bepaalde dat ondemocratische sujetten, die de legitieme veroordeling van de acht generaals door het soevereine volg van Athene wilden dwarsbomen, dezelfde straf zouden krijgen als de generaals, indien zij hun pogingen om de democratische besluitvorming te saboteren niet staakten. De motie werd bij acclamatie aangenomen.’ Pag. 645-646.

 

7.22 Over de democratie en haar ondergang.

 

‘Het is gemakkelijk om het volk te verwijten dat het verkeerd stemt, wanneer zijn stemmingen niet leiden tot de resultaten die wij wensen, en het op grond daarvan zijn stemrecht te willen ontnemen ten gunste van de elite waartoe wij menen te behoren op grond van onze afkomst, opleiding en vermeende intelligentie, alsmede op grond van de statuur van onze voorouders. Maar wanneer de democratie in crisis verkeert, is de oplossing in geen geval gelegen in snobisme of nostalgie.’

Thoukydides (legeraanvoerder en geschiedschrijver) kijkt me streng aan. ‘Voordat wij besluiten om de democratie te genezen door euthanasie op haar te plegen,’ vervolgde hij, ‘dienen wij te beseffen dat alternatieven voor de democratie dezelfde kwalen in acutere mate vertonen. Athene heeft zes jaar geleden kunnen ondervinden dat een aristocratisch bestuur, dat in naam een regering is van de beste en meest gekwalificeerde burgers, in een mum van tijd ontaardt in onderlinge rivaliteit, factievorming en wetteloosheid. Je hebt in hoogsteigen persoon mogen ervaren hoe het leven wordt geleefd onder de monarchistische constituties van Sparta en Perzië. Bovendien heb jij de wetteloze willekeur van humeurige autocraten aan den lijve moge ondervinden. Het mag verleidelijk zijn Sparta te prijzen vanwege de martiale (krijgshaftige) efficiëntie van zijn van hogerhand afgedwongen collectivisme en Perzië te bewonderen om haar macht en rijkdom, maar je zult mij niet tegenspreken wanneer ik zeg dat het veronderstelde succes van beide modellen gebaseerd is op onderdrukking. Sparta is een militaire dictatuur en Perzië een rijk van slaven die zwoegen in dienst van een bovenmenselijke gebieder.

De leidende gedachte achter een democratisch bestel is niet zozeer de waan dat de meerderheidsbesluiten van de ongeïnstrueerde massa een garantie vormen voor het beste denkbare beleid, als wel het beginsel dat gelijkheid een waarborg vormt tegen onderdrukking en het besef dat wetten nodig zijn om concentratie van macht te verhinderen. Het idee om zeggenschap neer te leggen bij het volk is een kunstgreep, die uitsluitend als doel heeft geen enkel individu met exclusieve zeggenschap te bekleden.’

‘Dat is een bekende gedachtegang,’ zei ik. ‘Maar we kunnen moeilijk ontkennen dat de democratie nauwelijks nog functioneert, zelfs niet als waarborg tegen wetteloosheid. De recente gebeurtenissen bieden daarvan een schokkend bewijs.’

‘Om te beginnen is het van belang vast te stellen dat een slecht functionerende democratie nog altijd minder desastreuze gevolgen voor de burgers heeft dan een slecht functionerende oligarchie of monarchie,’ zei Thoukydides. ‘Dat is geen banaliteit. De onbetrouwbaarheid van een verworden democratie brengt mildere ellende voor dan een wreed schikbewind waarin de macht dermate geconcentreerd is dat zij uiterst effectief kan worden ingezet tegen de eigen bevolking. Vervolgens is het van belang om de juiste diagnose te stellen. Dat het volk van Athene na de slag bij Arginousai in de emotie van het moment en opgezweept door populisten de democratie heeft misbruikt voor een afrekening, is uiterst jammerlijk, maar geen tekortkoming van de democratie, die immers is ontworpen met inbegrip van wettelijke en institutionele waarborgen en garanties die moeten voorkomen dat emoties van het moment doorslaggevend kunnen zijn. De veroordeling van de generaals van de Arginousai was wederrechtelijk, want de volksvergadering was daartoe niet bevoegd, en het door de wet gewaarborgde recht op een eerlijk proces is niet gerespecteerd. Men kan niet beweren dat de democratie heeft gefaald op grond van een besluit dat is genomen krachten een overtreding van de spelregels van de democratie. Het is geen fout van het systeem, maar een veronachtzaming van het systeem. Wat de terechtstelling van de generaals aantoont, is hoe gevaarlijk het is om de instituties te minachten en om deze op grond van een al dan niet bewust verkeerd begrepen idee van democratie ondergeschikt te maken aan de volkswil. Wat deze zwarte dag heeft aangetoond, is het belang van instituties en procedures en vooral het belang van een onafhankelijke rechtspraak.’

‘Maar de populisten hebben hun politieke programma gebaseerd op minachting van de instituties,’ zei ik. ‘Is het dan geen symptoom voor het falen van de democratie dat het systeem toelaat dat zij invloed verwerven?’

‘Iedere speler in een democratie legt zich erop toe om het spel met eigenlijke of oneigenlijke middelen te winnen en macht te verwerven ten koste van de anderen,’ zei hij. ‘Maar dat is onder oligarchische en autocratische staatsvormen niet minder het geval. De democratie is haar naam waardig zoals haar instituties sterker zijn de machtshonger van een enkeling.’

‘Vechten we niet voor iets dat allang teloor is gegaan?’ vroeg ik. ‘Misschien,’ zei hij. ‘Maar waar moeten we anders voor vechten?’ Pag. 655-657.

 

‘Een antidemocratische coup van een eenling of van een junta is, zelfs als deze steun van buiten geniet, zelden succesvol, tenzij de omwenteling gevoed of tenminste gedoogd wordt door een breed gevoeld onbehagen over het functioneren van de democratie. Hoewel aristocraten en tirannen de neiging vertonen om het volk voor achterlijk te verslijten, is het niet zo dom om de macht die het bezit zonder slag of stoot vrijwillig uit handen te geven, tenzij het walgt van zijn eigen verdeeldheid en zich niet langer vertegenwoordigd voelt door de politici die zijn macht in zijn naam uitoefenen. Een gezonde democratie is niet eenvoudig omver te werpen, maar het grootste gevaar van sluipend verval is de kwaliteit van de democratische processen van besluitvorming, die de democratie op een ziek systeem doet lijken, is dat al dan toevallige omstandigheden of gebeurtenissen die de democratie als zodanig bedreigen, worden verwelkomd als een verfrissend alternatief voor alom zichtbaar bederf. Als deze dynamiek haar beslag krijgt en als zich het breed gedragen oordeel van de bevolking meester maakt dat er met de afschaffing van de chaos waarin de democratie is ontaard weinig waardevols verloten gaat en dat het op minst het proberen waard is om het bestuur in handen te leggen van een sterke man of van een hechte en daadkrachtige groep, is spijt het op termijn gegarandeerde gevolg, want het zal niet lang duren totdat het volk beseft wat het betekent on zijn vrijheid te hebben opgegeven. Maar vanwege de ervaringen met het populisme en de afkeer van de gedegenereerde democratie, die de omwenteling in eerste instantie een zekere geloofwaardigheid verschaffen en het masker van wenselijkheid opzetten, heeft het regime tegen de tijd dat inkeer en berouw de kop opsteken de gelegenheid gehad om zich te wortelen en aan te sterken en om onder het mom van daadkracht en efficiëntie de democratische instituties te ontmantelen, waardoor de in wroeging gewenste terugkeer naar de democratie een steeds doorniger pad begint te worden. Dit alles is, als ik de situatie van een afstand juist analyseer, precies wat er op dit moment in Athene gebeurt.’ Pag. 695-696.

 

‘Elke onderdrukking begint als redelijkheid. Elke terreur neemt in eerste instantie de gedaante aan van een gerechtvaardigde correctie op erkende tekortkomingen van het bestaande systeem. Er zal geen Athener te vinden zijn die die niet van mening is dat de Atheense rechtspraak in de loop van de tijd van een garantie op rechtvaardigheid is ontaard in een corrupt gezwel dat zwermen ongedierte aantrekt en dat de overdaad aan vage en tegenstrijdige wetten de natuurlijke habitat is gaan vormen van slinkse advocaten, beroepsgetuigen en andere profiteurs. Dus toen de Dertig zich direct na hun aanstelling tot doel stelden om het juridische systeem op te schonen en de wetgeving te moderniseren, werd er door menigeen instemmend geknikt en gezucht van opluchting.

Toen de volksjury’s werden opgeheven en rechtspraak werd toevertrouwd aan een vast college van vijfhonderd door de Dertig goedgekeurde magistraten, was er hier en daar misschien een bezorgde democraat te vinden die erop wees dat de rechterlijke macht hiermee feitelijk afhankelijk was geworden van het bewind, maar omdat de volksjury’s in het verleden uiterst ontvankelijk waren gebleken voor manipulatie en omkoping, verwoordden de bezorgde stemmen een dissidente mening, hetgeen niet wegneemt dat zij wel degelijk gelijk hadden, want als oplossing voor het reële probleem dat de tribunalen misbruikt werden voor politieke afrekeningen, voorkwamen de Dertig dat de tribunalen in het vervolg misbruikt konden worden voor politieke afrekeningen door anderen dan zijzelf. Zodra er echter vervolgens werk van werd gemaakt om erkende misdadigers en laaghartig gespuis op te pakken, voor wie niemand het zou willen opnemen, en om hen met een niet eerder vertoonde voortvarendheid en efficiëntie te berechten, verstomde iedere kritiek. De Dertig konden zich thans presenteren als een regering die met daadkracht het recht en de orde herstelde en die ten langen leste een einde maakte aan de straffeloosheid. Vervolgens werden de zogenaamde revolutionairen, van wie bewezen zou zijn dat zij zich in het geniep organiseerden om de regering omver te werpen, opgepakt, berecht en terechtgesteld. Het veronderstelde feit dat zij zich verzetten tegen het herstel van de rechtsorde, werd beschouwd als voldoende bewijs voor de aanname dat zij gebaat waren bij straffeloosheid en dat zij dus noodzakelijkerwijs misdadigers waren. Het waren vooral rijke, welgestelde burgers die slachtoffer werden van deze golf van arrestaties en executies. Dit was geen toeval. Hier zat een gedachte achter. Terwijl de Dertig zelf meer profijt hadden bij beslaglegging op de bezittingen van welgestelden dan bij de verbeurdverklaring van de schamele eigendommen van arme sloebers, speelden zij tevens in op het breed onder het volk levende wantrouwen jegens de elite, dat de populisten in het recente verleden met groot succes nog verder hadden aangewakkerd. Vanwege hun doordachte selectie van de eerste slachtoffers, kon hun terreur in de ogen van de meerderheid van het volk nog steeds doorgaan voor een te lang uitgestelde reparatie van vroegere misstanden.

Toen orde en veiligheid in de retoriek van de Dertig verweven werden met xenofobie (irrationele of obsessieve angst voor vreemden), volgens de aloude tribale logica dat niet voor ons kan zijn wie anders is dan wij en dat tegen ons is wie niet voor ons is, werd de weg vrijgemaakt voor de buitengewoon lucratieve confiscaties van vermogens van de rijke immigranten die als succesvolle ondernemers, handelaars en ambachtslieden een onvervreemdbaar deel vormen van de Atheense samenleving, ook al hebben zij geen burgerrechten. Van hun arrestaties en executies, die de inbeslagname van hun goederen en tegoeden mogelijk maakten, deed het regime met voorbedachten rade frequent een beroep op de assistentie van gewone Atheners, met het doel om zoveel mogelijk burgers medeplichtig te maken aan zijn misdaden.

Herstel van de orde was het voorwendsel waarmee chaos is gecreëerd en uit chaos wordt chaos geboren. Reparatie van het respect voor de wetten was de dekmantel waaronder de poorten van wetteloosheid zijn geopend en er bestaat geen beter excuus voor wetteloosheid dan wetteloosheid. Nu is niemand zijn leven nog zeker in Athene.’ Pag. 597-699.

 

De Spartanen belegerde Athenen. In Alkibiades staat hierover het volgende:

 

‘Tegen het eind van de winter vocht men om de laatste, uitgemergelde ratten in de stegen. Kinderen kregen opgeblazen buikjes van de lucht die hun enige dieet vormde. Velen hebben het niet overleeft.

Desondanks waren er politici die zich hardnekkig bleven verzetten tegen een akkoord met Sparta. Ik noem geen namen, maar het was vooral Kleophon die de volksvergadering bleef ophitsen om de Spartaanse voorwaarden, die alleszins redelijk waren, in ieder geval voor redelijker dan de voorwaarden waarop we hadden gemeend te mogen hopen, verontwaardigd te verwerpen. Ik denk dat dat de doodsteek heeft gegeven aan de democratie. Toen de mensen zagen dat hun politieke leiders zich, nadat de oorlog door hun incompetentie verloren was, zelfs op het moment waarop de dood grijzend van deur tot deur ging, nog altijd meer zorgen maakten over hun machtspositie dan over het overleven van hun volk, verloren zij definitief hun geloof in het politieke systeem.

Toen de Spartanen Peiraieus binnenvoeren en de muren van Athene werden afgebroken en de volksvergadering zichzelf onder toezicht van de Spartaanse bezetter bij handopsteking mocht afschaffen, waren er daarom slechts weinigen die nog hechten aan het idee dat er waardevolle traditie werd opgeofferd.’ Pag. 751-752.

 

Binnen de politieke situatie na de verovering van Athene door de Spartanen, kregen ondemocratische leiders alle kansen om hun macht uit te voeren.

 

‘We keken nergens meer van op. Kritias ontwikkelde zich tot de corruptste, wreedste en bloeddorstigste misdadiger van allen. Hoe harder hij het volk onderdrukte, hoe meer hij het haatte.’ Pag. 755.

 

 

‘Omdat democratie per definitie stoelt op het collectieve oordeel van het volk, is zij onderworpen aan de turbulentie van opvliegendheid en oncontroleerbare emoties. Om de democratie naar behoren te laten functioneren is het derhalve essentieel om mechanismen in te bouwen die afstand scheppen, vertragen en gevoelens afkoelen. Dit vergt leiders als Themistokles en Perikles, die zich niet lieten leiden door de angst voor bevliegingen van de veranderlijke volksgunst, die een visie hebben en de moed om het volk daarvan te overtuigen en die het debat durven te sturen in plaats van zich door de publieke opinie te laten regeren. Dit vergt een volk dat bereid is tot compromissen ten bate van het gemeenschappelijk belang. Maar de Atheense democratie is inmiddels, zoals iedere democratie mettertijd, een parodie op zichzelf geworden, waarin de leiders dagelijks ter verantwoording worden geroepen en waarin het beleid elke dag opnieuw ter discussie staat. De democratie wordt geregeerd door de angst voor volksgerichten en de volatiliteit (beweeglijkheid) van de publieke opinie. De bijval en het gejoel in het theater op de Pnyx overstemmen argumenten en maken reflecties over beleid voor de lange termijn onmogelijk.’ Pag. 287-288.

Nawoord.

 

Democratie is een door mensen bedachte constructie van instituties, regels, wetten en procedures met als doel om alle mensen die deel uitmaken van een staat of organisatie via vertegenwoordigers of directe besluitvorming de gelegenheid te bieden direct of indirect invloed uit de oefenen op het bestuur van de betreffende staat of organisatie, vanuit de opvatting dat mensen gelijk en vrij zijn en dat dit moet worden gewaarborgd door regels, wetten en instituties die ervoor te zorgen dat niemand zijn macht kan misbruiken om mensen te onderdrukken.

Dit houdt in dat vrijheid en gelijkheid de basis vormen van deze bestuursvorm en dat, wil deze staatsvorm goed functioneren, iedereen zich aan de regels en procedures moet houden die gezamenlijk zijn opgesteld om de vrijheid en gelijkheid van iedereen te waarborgen.

 

Maar wat is vrijheid en gelijkheid?

Vrijheid betekent de mogelijkheid om je eigen keuzes te maken, te spreken en te handelen zonder onnodige belemmeringen.

Gelijkheid betekent dat iedereen in een vergelijkbare situatie gelijk behandeld moet worden, zonder discriminatie op grond van bijvoorbeeld ras, geslacht, geloof of handicap.

 

Om te voorkomen dat iemands handelen de vrijheid of gelijkheid van anderen belemmert of schaadt, zijn er regels en wetten opgesteld die moeten tegengaan dat dat gebeurt en wel door dit handelen te verbieden en strafbaar te stellen.

Persoonlijke vrijheid mag niet alleen ten kosten gaan van de vrijheid of gelijkheid van anderen maar ook niet ten koste van het algemeen belang. Waarbij ‘het algemeen belang’ gedefinieerd kan worden als datgene wat nuttig, gewenst of nodig is voor het welzijn van de bevolking of organisatie als geheel. De noodzakelijke zorg voor het algemeen belang werd tijdens de Franse Revolutie geformuleerd in de term broederschap, wat inhoudt dat mensen zich verbonden voelen en in die verbondenheid rekening houden met elkaar en elkaars belangen.

En juist dit is de grote uitdaging van het functioneren van de democratie, namelijk het evenwicht vinden tussen het dienen, waarborgen van het persoonlijke en het algemene belang.

 

De tegenstellingen tussen persoonlijke en algemeen belang leiden voortdurend tot conflicten. Daarom is het noodzakelijk om persoonlijke vrijheden in denken en handelen te kunnen beperken ten behoeve van het algemeen belang en mensen de mogelijkheid te geven om te protesteren tegen maatregelen die genomen worden op basis van het algemeen belang maar die ze ervaren als een aantasting van hun persoonlijke belangen.

Hiervoor is het nodig om op basis van voorkomende conflicten regels en wetten te formuleren die zowel het private als het algemeen belang waarborgen en waarop conflictensituaties kunnen worden beoordeeld. Daarom hebben we bijvoorbeeld verkeersregels en omgangsvormen die binnen de democratie zijn vastgelegd in wetten en strafmaatregels als we ons niet aan deze wetten houden.  

Concluderend, de basis van de democratie wordt gevormd door de waarden vrijheid, gelijkheid en broederschap.

 

Voor zover de theorie voor een goed functionerende democratie, vormgegeven in een structuur van instituties, procedures, regels en wetten. Zoals uit de hoofdstukken in dit boekje blijkt, is de praktijk weerbarstig en staan de bovengenoemde waarden van vrijheid, gelijkheid en broederschap voortdurend onder druk en dus ook de democratie. En dit heeft niets te maken met de juistheid of onjuistheid van de democratie op zich, maar met het onjuist handelen van mensen, zoals duidelijk blijkt uit de analyse van het reilen en zeilen van de Griekse democratie.

Het functioneren van de democratie vereist deugden zoals ook die meer dan 2000 jaar geleden zijn geformuleerd in Athene en wel door de filosoof Aristoteles (384-322 v.Chr.):

 

1. Verstandigheid (phronēsis):Het vermogen om de juiste keuze te maken in een specifieke situatie op basis van wijsheid bedachtzaamheid en praktisch inzicht.

Wijsheid houdt in: het vermogen om in alle levenssituaties juist te oordelen en te handelen, waarbij het meer gaat om inzicht, levenservaring en begrip dan om louter intelligentie of kennis. Bedachtzaamheid houdt in: het overleggen en nadenken voordat men een besluit neemt of een actie uitvoert.


2. Rechtvaardigheid (dikaiosynē):

  1. Eerlijk en billijk handelen, waarbij gelijke gevallen gelijk en ongelijke gevallen ongelijk behandeld moeten worden.
  2. Handelen volgens het recht ofwel de wetten die zowel het private als het algemene belang beschermen.
  3. Dat iedereen krijgt waar hij recht op heeft op basis van zijn inspanningen en rechten.

 

3. Moed (andreia): De bereidheid om vast te houden aan doelen en voornemens en de confrontatie met lichamelijke pijn, levensbedreiging, onzekerheid, angst, tegenslagen, tegenwerking en intimidatie aan te gaan en te doorstaan: lichamelijke en morele moed.

 

4. Matigheid (sōphrosynē):Het vermogen om jezelf te beheersen en niet toe te geven aan extreme impulsen, ook als je iets ‘leuk’ vindt.

 

Volgens Aristoteles ontstaat een deugd door het vinden van een 'gulden middenweg' tussen twee ondeugden. Zo is moed de deugd tussen lafheid (te weinig moed) en overmoed (te veel moed) en is vrijgevigheid het midden tussen gierigheid en verkwisting.

Zoals vermeld in hoofdstuk 6, is de Griekse filosoof Protagoras (490-420 v.Chr.) van mening dat positieve staatsvormen worden gekenmerkt door een besef van verantwoordelijkheid van de machthebber of machthebbers en door een dringend gevoeld streven om het algemeen belang te dienen, terwijl de ontspoorde staatsvormen ontstaan als het eigenbelang het algemeen belang verdringt en de machthebber of machtshebbers menen vanuit hun machtspositie allerlei rechten te hebben in plaats van plichten.

 

De oorzaak van het stellen van eigenbelang boven het algemeen belang ligt in de manier van denken en handelen van de machthebber of machthebbers, in hun slechte karaktereigenschappen, gewoontes en handelingen die niet deugen en die we daarom ondeugden noemen.

Uit de voorafgaande analyse van de ondergang van de Griekse democratie blijken vooral de volgende ondeugden een grote rol te hebben gespeeld, eigenschappen die ook het handelen van veel machthebbers in onze huidige tijd kenmerken:

 

  • Machtswellust: Een ziekelijke of excessieve drang naar macht, waarbij iemand geniet van het overheersen van anderen en het creëren van afhankelijkheid.
  • Egoïsme: Een eigenschap waarbij iemand streeft naar eigen voordeel en geluk met verwaarlozing van de belangen en het geluk van anderen.
  • Hoogmoed: Een te grote trots of ijdelheid.
  • Afgunst: Jaloezie op wat anderen hebben of zijn.
  • Hebzucht: Een onverzadigbaar verlangen naar meer, meestal geld, macht of bezittingen, en een drang naar meer dan men nodig heeft. 
  • Toorn: Woede, drift en wraakzucht.
  • Luiheid: Gemakzucht, traagheid of vadsigheid.

  

Uiteraard wordt de democratie niet alleen bedreigd door de ondeugden van machthebbers, maar eveneens door een onjuiste manier van denken en handelen van de mensen die hun vertegenwoordigers kiezen en door hun verkeerde houding ten opzichte van de instituten en regels en wetten die de basis vormen van de democratie. Vaak wordt ook hun denken en handelen gekenmerkt door een aantal van bovenstaande ondeugden. Mensen zijn vaak alleen met hun eigen belangen bezig of zijn zich niet bewust van de essentiële rol die ze spelen in het goed functioneren van de democratie. Democratie is namelijk een abstract begrip dat inhoud en waarden krijgt door de manier van denken en handelen van alle mensen die er deel van uitmaken: zowel bestuurders als mensen die instituties bemensen en mensen die hen kiezen, controleren en kritisch volgen. 

 

Mensen vinden vrijheid vaak gewoon omdat ze nooit in de situatie zijn gekomen van extreme onvrijheid. We weten pas echt wat vrijheid, gelijkheid en verbondenheid/broederschap betekent als we het tegenovergestelde ervaren of hebben ervaren. En we zijn doorgaans pas bereid ervoor te vechten als we in een situatie komen waarin we aan den lijve geconfronteerd worden met hun tegenpolen, zoals in hoofdstuk 7.7 wordt beschreven hoe mensen in Athene in tijde van concrete ernstige bedreigingen plots weer als gemeenschap gingen opereren en eigenbelang opzijzetten.

Ik hoorde onlangs een deskundige van het KNMI zeggen dat we eerst geconfronteerd moeten worden met rampen ten gevolge van de klimaatcrisis, voordat we echt bereid zullen zijn iets aan de oplossing van de klimaatcrisis te doen. Helaas moeten we constateren dat ons gedrag vaak gekenmerkt wordt door de genoemde ondeugd luiheid: gemakzucht, traagheid of vadsigheid.

 

Onlangs schreef ik: ‘Als mensen het goed hebben, worden ze ontevreden’. Dat heeft enerzijds te maken met het hierboven beschreven besef: positieve verworvenheden gewoon vinden door het niet hebben ervaren of het zich niet bewustzijn van de negatieve pendanten, tegenhangers. Anderzijds heeft het te maken met het feit dat echte tevredenheid niet wordt bereikt door het hebben van materiele welvaart, zijnde het hoogst gestelde doel van onze kapitalistische maatschappij, maar door het vervullen van onze hogere behoeften, zoals die door de Amerikaanse klinisch psycholoog worden gepositioneerd in zijn behoefteladder. Volgens hem zijn onze basisbehoeften:

 

  1. Fysiologische/lichamelijke behoeften, zoals slaap, voedsel, drinken, seks en beweging.
  2. Behoeft aan veiligheid en zekerheid, zoals in een groep, woning en een stelsel van sociale zekerheid.

 

Het vervullen van deze basisbehoeften leidt volgens hem niet echt tot tevredenheid en geluk, maar is alleen een voorwaarde om toe te komen aan het werken aan het vervullen van onze hogere behoeften, namelijk:

 

  1. Behoefte aan sociaal contact, vriendschap, liefde en positieve sociale relaties.
  2. Behoefte aan waardering, erkenning en zelfrespect.
  3. Behoefte aan zelfverwezenlijking, persoonlijke groei en ontwikkelingsmogelijkheden.
  4. Behoefte aan zelftranscendentie. Deze behoefte gaat in de kern over het uitstijgen boven onszelf en heeft betrekking op de verbinding met datgene wat groter is dan wijzelf. Dat kan een scala aan dingen zijn: de maatschappij, de mensheid, de natuur, het universum of het goddelijke.

 

Zolang we deze behoeften niet kunnen vervullen, zullen we een knagend gevoel van ontevredenheid voelen die op allerlei manieren door het kapitalisme en het populisme worden misbruikt.

Het kapitalisme maakt ons verslaafd aan materiele zaken, waardoor we ze niet kunnen relativeren en ze niet alleen als een basis kunnen zien en ervaren voor het vervullen van onze hogere behoeften.

Populistische leiders misbruiken onze onvrede om ons, zoals de rattenvanger van Hamelen, te verleiden achter hen aan te lopen door ons de illusie te geven dat zij alles voor ons zullen oplossen en wel door de democratische leiders, instituties en wetten te bestempelen als de oorzaak van alle ellende, terwijl ze alleen maar uit zijn op macht, zoals we zagen bij vele Griekse leiders en ook nu bijvoorbeeld bij personen als Trump. En hun handelen is begrijpelijk, want de democratie is juist opgebouwd om hun machtsmisbruik tegen te gaan.

 

Er is sprake van machtsmisbruik als iemand zijn positie, bevoegdheid of invloed oneigenlijk gebruikt om zichzelf onrechtmatig te bevoordelen of anderen te benadelen, manipuleren of te domineren en als iemand mensen iets doet of dwingt te doen wat ze niet willen en wat niet geoorloofd is.

Bij machtsmisbruik wordt doorgaans gebruik gemaakt van de afhankelijkheid, ondergeschiktheid van de slachtoffers ten opzichte van degene die macht uitoefent. De machthebber is fysiek of op ander manieren sterker of kan dreigen met maatregelen die ongunstig zijn. Dat dreigen hoeft niet letterlijk te gebeuren, maar het feit dat hij die maatregelen vanuit zijn positie kán nemen, is al dreigend genoeg, Afhankelijkheid schept mogelijkheden tot machtsmisbruik. Dictators kunnen lang aan de macht blijven doordat zij hun tegenstanders kunnen dreigen met allerlei vormen van in- of uitsluiting.

 

Tegenover macht staat kracht. Macht is hard en hebben we meegekregen vanuit onze dierlijke afstamming. Kracht is zacht en is een zielenkwaliteit die ook in ons aanwezig is en die we kunnen ontwikkelen door nee te zeggen tegen wat we niet willen of wat niet geoorloogd is en ja te zeggen tegen wat bij ons past, bij onze capaciteiten en persoonlijke en algemene dromen, bij aller diepste zijn dat wil groeien en zich ontwikkelen naar steeds beter, tegen de verdrukking in, zoals in het voorjaar de tulp zich door de harde bovenlaag heen moet worstelen om te kunnen bloeien. Dat houdt wel in dat we risico’s moeten durven nemen, nee durven zeggen en vast te houden aan onze idealen, ook al hangen ons allerlei dreigingen boven het hoofd.

Als we in onze kracht staan, houdt dat ook in dat we het niet nodig hebben om macht te gebruiken om onze zin te krijgen door gebruik te maken van slinkse mooie praatjes, verleidelijk gedrag, leugens of andere vormen van manipulatie.

Onze cultuur is niet gericht op het ontwikkelen van kracht maar van macht. Macht en machtsmisbruik zien we overal, gedrag vanuit innerlijke kracht is spaarzaam. Vreemd, want voor krachtige mensen met een natuurlijk gezag hebben we doorgaans meer waardering dan voor mensen met macht. We leren om ons te verdedigen, dus macht op te bouwen, we leren niet om in onze kracht te gaan staan, te gaan staan voor onze dromen en idealen, voor wie we in het diepst van ons wezen willen en kunnen zijn en nee te zeggen tegen wat daar niet in past. Kracht leidt tot gezag, tot natuurlijke, aanvaarde macht die niet onderdrukt maar stimuleert, zoals we dat zagen bij de Atheense leider Perikles. Laten we onze innerlijke krachten ontwikkelen en gebruiken en onze neiging tot macht en machtsmisbruik onderdrukken onder het motto minder macht, meer kracht.

 

Als democratie niet functioneert, ligt dat niet aan het systeem op zich, maar aan de manier waarop wij er met zijn allen invulling aan geven, of we de deugden beoefenen die de democratie van ons vraagt en die voortkomen uit de behoefte en noodzaak om een menselijke samenleving te scheppen die gekenmerkt wordt door vrijheid, gelijkheid en broederschap.

Laten we ons daarom richten op het functioneren van een maatschappij die de basisvoorwaarden schept voor het vervullen van onze hogere behoeften door welvaart na te streven als basis voor onze hogere behoeften, voor ons aller welzijn en laten we weer oog krijgen voor de noodzaak voor het ontwikkelen van deugden die we daarvoor nodig hebben en de ondeugden bestrijden die ons welzijn ondergraven.