Over de Katharen, de gnostiek en de teloorgang van het oorspronkelijke christelijke geloof.

Over de Katharen, de gnostiek en de teloorgang van het oorspronkelijke christelijke geloof.


Inhoud. 

Voorwoord.                                                                                      

  1. Wie waren de Katharen? 
  2. De kruistocht tegen de Katharen. 
  3. Een stukje geschiedenis van het christendom. 
  4. Over de gnostiek en de rol van verhalen. 
  5. Mijn verhaal en antwoorden. 

Van dezelfde auteur.                          

  

Voorwoord.

 

De Katharen vormde een religieuze beweging die tijdens de 12de en de 13de eeuw veel aanhang kende in de huidige Franse Regio Occitanië.  Wie deze streek bezoekt zal vele verwoeste burchten tegenkomen die getuigen van hun ondergang en totale uitroeiing door de kruistochten van de Katholieke Kerk die hun religie bestempelde als ketters.

 

Een religie is een systeem van geloofsovertuigingen, rituelen en praktijken, gericht op het bovennatuurlijke, het vinden van zingeving en een diepere verbinding met het leven, vaak via een god, goden, een hoger beginsel of de natuur. Het omvat tradities, heilige geschriften, morele codes en rituelen om vragen over de zin van het bestaan, dood en het universum te beantwoorden, en biedt vele mensen houvast, troost en gemeenschap. 

Het begrip religie stamt af van het Latijnse woord ‘religio’ dat onder andere ‘verbinding’ betekent en waarschijnlijk is afgeleid van het Latijnse werkwoord ‘religare’ dat ‘opnieuw verbinden’ betekent. Ook kan het afgeleid zijn van het Latijnse ‘relegere’ wat ‘opnieuw lezen/in achtnemen’ betekent en verwijst naar het feit dat men binnen een religie doorgaans verwacht dat men de morele codes en rituelen naleeft.

 

Uit onderzoek naar de inhoud van de religie van de Katharen blijkt er een onlosmakelijke verbinding te bestaan met de gnostiek, een geloofsopvatting die in de eerste eeuwen van onze jaartelling ontstond en voortkwam uit wat de Bijbelse Jezus tijdens zijn leven zou hebben gezegd en gepredikt en waarin vrijheid en liefde centraal stonden.

 

Het begrip gnostiek stamt af van het Griekse ‘Gnosis’ (γνῶσις) dat ‘inzicht/kennis’ betekent. In de Gnostiek staat het verwerven van inzicht in de oorsprong van de mens, zijn huidige situatie en zijn bestemming centraal. De mens is afkomstig uit de goddelijke wereld en heeft een goddelijke kern. Die kern is verstrikt, gevangen geraakt in de materie. Wie de werkelijke situatie van zichzelf leert kennen en dus weet heeft van zijn goddelijke kern en van de mogelijkheid om terug te keren naar de goddelijke wereld, verwerft zelfkennis en kennis van God en heft onwetendheid op.

 

De vraag is waarom de Kerk de Katharen vervolgde en totaal uitroeide. Dit wordt in dit boek nagegaan op basis van de vele onderzoeken die er zijn gedaan naar de inhoud van de religie van de Katharen en naar de omstandigheden en de redenen van de Kerk om hen uit te roeien, wat tot gevolg had dat daardoor de kennis van de oorspronkelijke leer van vrijheid en liefde van Jezus verloren is gegaan en we al eeuwen een Christelijke Kerk kennen die liefde met de mond predikt maar in haar handelen al eeuwenlang mensen letterlijk en figuurlijk onderdrukt en hun de vrijheid ontneemt om zichzelf als goddelijke wezen in vrijheid te leren kennen en te ontwikkelen.

 

Het uitroeien van de Katharen was een moment in de geschiedenis van de Christelijke Kerk waarop ze zich definitief afsneed van het haar oorspronkelijke bronnen. Daarom is het belangrijk weer zicht te krijgen op wat de oorspronkelijke leer was die Jezus uitdroeg om zo een bijdrage te leveren aan het vinden de weg van liefde en vrijheid die we als goddelijk wezens hebben af te leggen. Graag neem ik je mee op deze zoektocht.


1. Wie waren de Katharen?

 

Katharen is de benaming geworden van de bewoners die in de twaalfde en dertiende eeuw woonden in het gedeelte van Zuid-West-Frankrijk dat heden ten dage onderdeel is van de Regio Occitanië en die een religie aanhingen die zijn wortels had in de leer van Jezus, zoals die werd opgevat en beleeft in de tijd direct na zijn dood, dus in de eerste eeuwen van onze jaartelling, en die bekend staat onder Gnostiek. De Katharen noemden zichzelf Christenen: ‘Vrienden van God’.  

 

De theoloog en schrijver Clemens van Alexandrië omschrijft in de derde eeuw Christenen als ‘goede mensen’, afgeleid van het Griekse ‘chrèstos’ dat ‘goed’ betekent. Christen zijn dus zij die in Chrèstos, in het goede geloven. In de volksmond werden de Katharen dan ook ‘bonshommes’ ofwel ‘goede mensen’ genoemd.  In de kronieken van tijdgenoten en inquisitieverslagen werden ze ‘Albigenzen’ genoemd: inwoners van de stad Albi, de hoofdstad van het huidige departement Tarn van de Franse Regio Occintanië .

 

De benaming ‘Katharen’ stamt af van het Griekse woord ‘Katharoi’ (καθαροί) dat ‘de reinen, zuiveren of onbevlekten’ betekent en werd historisch gebruikt als aanduiding voor groepen die streefden naar een zuiver leven of geloof, waaronder de middeleeuwse Katharen. De Albigenzen werden voor het eerst Katharen, de zuiveren genoemd in de geschriften van de Franse schrijver en historicus Napoléon Peyrat (1809-1881). Door de toenmalige populariteit van zijn boeken werd het sedertdien algemeen gebruikelijk om de Albigenzen 'Katharen' te noemen. Omdat de Katharen door de Katholieke Kerk als afvalligen van de katholieke leer werden beschouwd, kreeg de term Katharen in de loop van de tijd de betekenis van ‘ketters’, de benaming van gelovigen die afwijken van de heersende erkende leer.

 

Christenen hebben een geloof dat is gebaseerd op het leven van Jezus Christus. De term ‘Jezus Christus’ komt voort uit een combinatie van een Hebreeuwse eigennaam en een Griekse titel. ‘Jezus’ stamt af van het Hebreeuwse ‘Yeshua’ (Jesjoea), wat ‘JHWH’ en ‘redder’ betekent. ‘Christus’ is afgeleid van het Griekse ‘Christos’, in het Hebreeuwse vertaald als ‘Messias’, wat ‘gezalfde’ of ‘uitverkorene’ betekent.  Jezus Christus betekent dus letterlijk ‘de uitverkoren/gezalfde redder’. De Bijbel vertelt dat Jezus door God met de Heilige Geest werd gezalfd om ‘het Goede Nieuws’ te verkondigen.

 

Een geloof is een vaste overtuiging of het voor waar houden van iets, vaak zonder volledig bewijs, en wordt meestal gebruikt om religieuze systemen, spirituele ideeën over zingeving, of het vertrouwen in een God/hogere macht te beschrijven. Het kan variëren van een persoonlijke, diepe overtuiging in het bestaan van God, tot de acceptatie van de leer van een specifieke godsdienst zoals het Christendom, de Islam of het Boeddhisme, en functioneert als een bron van vertrouwen, hoop en leidraad voor het leven. 

 

Een geloof van een godsdienst/religie en dus ook het geloof van Christenen heeft, net zoals bijvoorbeeld een politieke partij, een ontstaansgeschiedenis. Elke politieke partij ontstaan op basis van een bepaalde visie op de mens en maatschappij, die vervolgens wordt vertaald in bepaalde opvattingen over hoe om te gaan met mensen en persoonlijke en maatschappelijke situaties. Om het ‘hoe om te gaan’ concreet vorm te geven wordt er vervolgens een partijprogramma opgesteld. Doordat er verschillende visies op mens en maatschappij zijn, ontstaan er verschillende politieke partijen die proberen mensen achter hun visie te krijgen om zo politieke macht te verwerven en invloed uit te oefenen op het reilen en zeilen van de maatschappij.

Net zoals politieke partijen van elkaar verschillen door hun specifieke visies en programma’s, verschillen ook religies van elkaar zoals het Christendom, het Jodendom en de Islam, met daarbinnen allerlei variaties die ontstaan omdat men het niet eens is over belangrijke principes, zoals we dat ook zien bij politieke partijen, waar mensen uitstappen en een eigen partij beginnen. Zo stapte Geert Wilders uit de VVD en richtte de PVV op uit onvrede over de houding van de VVD ten opzichte van de Islam en het asielbeleid. Pieter Omtzigt verliet het CDA en richtte de politieke partij Nieuw Sociaal Contract (NSC) op omdat hij felle kritiek had op de manier waarop de partij met hem was omgegaan rond de verkiezingen van een nieuwe CDA-lijsttrekker.

 

Binnen het Christendom kennen we als gevolge van verschillen van inzicht in essentiële geloofsinhouden een viertal hoofstromingen met als grootste stroming de Rooms-Katholieke Kerk die met meer dan 2 miljard volgelingen de grootste godsdienst in de wereld is. Het hoofd van de Katholieke Kerk is de paus die zijn zetel heeft in Rome, vandaar ‘de Rooms-Katholieke Kerk’.

De term katholiek is afgeleid van het Griekse θολικός - katholikos, wat algemeen of universeel betekent. De term ‘katholiek’ werd in het kader van de kerk voor het eerst gebruikt door Ignatius van Antiochië. In een brief aan de christenen van Smyrna uit 107 schreef hij: ‘Waar Christus is, daar is de katholieke kerk’.

 

De leer van de Katholieke Kerk baseert zich op het Oude en Nieuwe Testament van de Bijbel. In dogma’s zijn de belangrijkste waarheden vastgelegd. Zij worden gezien als ‘door God geopenbaarde waarheden’ die door het leergezag bindend zijn verklaard, zoals de Drie-eenheid van God de Vader, Zoon en Heilige Geest, de menswording van Jezus als Zoon van God, de verlossing van de mensen door de dood van Jezus-Christus, de Onbevlekte Ontvangenis van Maria (1854), de Pauselijke Onfeilbaarheid en Maria-Tenhemelopneming (1950): Maria is met lichaam en ziel in de hemel opgenomen.

Dogma’s zijn een de vele besluiten die worden genomen tijdens concilies: formele kerkvergaderingen van de bisschoppen waarin belangrijke beslissingen worden genomen over geloof en kerkleer.

Naast dogma’s worden er officiële omschrijvingen van fundamentele geloofspunten, grondbeginselen en pastorale richtlijnen vastgelegd in officiële documenten zoals constituties, decreten en verklaringen. Deze besluiten bepalen de theologische koers, herzien de liturgie of hervormen kerkrechtelijke regels. 

Verder zijn er de encyclieken: officiële, door de paus geschreven rondzendbrieven aan bisschoppen en gelovigen, waarin de leer van de Kerk over religieuze, sociale of morele kwesties wordt uiteengezet en uitgedragen.

 

Een andere belangrijke stroming binnen het Christendom is de Oosters-Orthodoxe Kerk, officieel de Orthodoxe Katholieke Kerk genoemd, die zichzelf beschouwt als directe voortzetting van de ‘ene, heilige, katholieke en apostolische kerk’.

 De Griekse naam 'orthodox' betekent letterlijk 'rechtgelovig/het ware geloof behoudend'. De afscheiding van de Katholieke Kerk en het gezag van Rome, vond plaats in 1054.

De Oosters-Orthodoxe Kerk verstaat onder 'geloof' niet zozeer het aannemen van een systeem van dogmatische of morele regels, maar vooral de biddende gerichtheid op het hemelse. De Orthodoxe Kerk ziet zichzelf vooral als een liturgische en biddende kerk. De doctrine en ethiek kunnen volgens haar alleen binnen de context van deze goddelijke aanbidding worden uitgelegd. De vooraanstaande, orthodoxe theoloog George Florovsky drukte dit als volgt uit:

 

'Het christendom is een liturgische religie: eerst komt de aanbidding, vervolgens de doctrine en ten slotte de discipline'. 

 

De orthodoxe kerk kent een groot aantal aangesloten kerken met elk een eigen hoofd. Meestal zijn ze per land georganiseerd.

 

Een derde grote stroming binnen het Christendom wordt gevormd door de Protestantse Kerken met onder andere de Evangelisch-Lutherse Kerk, de Hervormde Gemeente, de Gereformeerde Kerk en de Protestantse Gemeente.

Het allereerste begin van het Protestantisme ligt in de ideeën van de Engelsman John Wycliffe die in de 14de eeuw de eerste Engelse vertaling van de Bijbel maakte en zich verzette tegen de macht en rijkdom van de Kerk. Ook de Tsjechische hoogleraar Jan Hus was aan het begin van de 15de eeuw kritische op de organisatie en het gezag van de Kerk en de kerkelijke en wereldlijke macht van de paus. Beiden wilden de kerk zuiveren van de on-Bijbelse invloeden en ze terugbrengen tot haar Bijbelse oorsprong.

Een belangrijke omwenteling vond plaats in 1517 met de publicatie van de 95 stellingen van Luther. Hierin verzette hij zich vooral tegen de handel in aflaten waarmee de Rooms-katholieke Kerk zich bezighield, mede om de bouw van de Sint-Pieter in Rome te bekostigen. Aflaten waren geldelijke giften aan de Kerk waarmee je je zonden kon afkopen.

Rond dezelfde tijd bracht Zwingli in Zwitserland een soortgelijke beweging op gang. Hun ideeën verspreidden zich snel door Europa, geholpen door de in de 15de eeuw uitgevonden boekdrukkunst. In de 16de eeuw vestigden de volgelingen van Maarten Luther de evangelistlutherse kerken van Duitsland en Scandinavië. Johannes Calvijn en meer radicale hervormers zoals Huldrych Zwingli vestigden gereformeerde kerken in Zwitserland en Frankrijk.

 

Een vierde stroming binnen het Christendom is de Anglicaanse Kerk die zich ontwikkelde tot de officiële Kerk van Engeland en ontstond door de missieactiviteiten van de Romeinen en van kooplieden. In de begintijd was ze verbonden met de Kerk van Rome. De afsplitsing van de Roomse Kerk vond plaats in 1543 nadat de anglicaanse aartsbisschop Thomas Cranmer in 1533 het huwelijk tussen koning Hendrik VIII en Catharina van Aragon als ontbonden verklaarde, zijn huwelijk met Anna Boleyn als geldig oordeelde en Cranmer vervolgens door paus Clemens VII werd geëxcommuniceerd omdat dit tegen de regels van de katholieke kerk inging. In 1533 legde Hendrik als tegenactie ‘de Act of Supremacy’ voor aan het parlement waarin het parlement werd gevraagd om Hendrik hoofd van de kerk te maken en hiermee te erkennen dat de koning van Engeland de man is die de meeste macht had op aarde direct onder God en daarmee ook het hoofd was van de Kerk van Engeland. In 1534 werd de Act of Supremacy aangenomen en werd de Anglicaanse Kerk een zelfstandig instituut.

Een tijd lang woedde er een strijd om de identiteit van de Anglicaanse Kerk. Werd zij meer protestant of bleef ze katholiek gericht? Religieuze twistpunten leidden uiteindelijk tot de Engelse burgeroorlog in de 17de eeuw.

Uiteindelijk leidde de Engelse Reformatie tot een middenweg tussen roomsgezinden en protestanten, namelijk ‘katholiek en hervormd’, ‘katholiek maar niet rooms’. De hiërarchische ordening is typisch katholiek maar de geloofspunten, de eredienst en de leer zijn eerder op het Protestantisme gebaseerd.

 

Ook binnen de Islam kennen we belangrijkste stromingen, namelijk het Soennisme en het Sjiisme, die verschillen in de visie over de opvolging van de profeet Mohammed. Daarnaast bestaan er kleinere stromingen zoals het Ibadisme, bekend om zijn nadruk op tolerantie, matigheid en intellectuele vrijheid, en de mystieke stroming van het Soefisme

 

Ook binnen het Jodendom zijn er verschillende tradities die te karakteriseren zijn als orthodox, conservatief en reformistisch met daarbinnen weer splitsingen die bewegingen worden genoemd.

 

Net zoals politieke partijen, ondanks hun verschillende opvattingen, bewezen hebben met elkaar een land te kunnen besturen, zijn er ook landen waar mensen met verschillende geloofsopvattingen in harmonie met elkaar samenleven, zoals bijvoorbeeld het geval is in onze voormalige kolonie Suriname, die bekend staat als een smeltkroes van culturen waarin religieuze harmonie gebruikelijk is. Helaas laat de geschiedenis en de toestand in de hedendaagse wereld zien dat dat doorgaans niet het geval is en geloven, net als politieke stromingen, elkaar bestrijden en elkaar zelfs trachten uit te roeien op basis van verschillen in geloofsopvattingen, ondanks het feit dat het merendeel van de religies liefde als een belangrijk basisprincipe heeft en beweert dat hun geloofsopvattingen door God, Jahweh of Allah zijn gegeven.

 

Net zoals politieke partijen menselijke constructies zijn, is dat ook het geval met religies. Ze worden vormgeven op basis van wat mensen denken over de aard van en de verhouding met ‘het hogere’: hogere machten die onze oorsprong vormen, waarmee we een verbinding hebben en die invloed uitoefenen op ons leven door ons te steunen en aan te moedigen of dwingend te sturen en voor te schrijven om op een bepaalde manier te leven zodat we na dit leven op aarde ‘de hemel’ verdienen. Dit alles vaak op basis van verhalen, geboden en verboden en omkleed met rituelen.

 

De bestudering van de geschiedenis van religies laat zien hoe de oorspronkelijke gedachten door de tijd doorgaans zijn veranderd en aangetast en vervuild door menselijke interpretaties en verzinselen als gevolg van allerlei persoonlijke of groepsbelangen, die doorgaans voortkomen uit het willen verkrijgen van invloed en macht. In de loop van dit boek zullen we een aantal voorbeelden van deze ‘vervuiling’ uitvoerig bespreken.

 

In dit boek wordt, net zoals bij restauraties van gebouwen, gezocht wat er achter alle overschilderingen aan oorspronkelijke afbeeldingen en kleuren van het Christelijke geloof zit, om weer zicht te krijgen op haar oorspronkelijke heldere boodschap, zoals die werd uitgedragen door de historische figuur van Jezus. Het geloof van de Katharen, zo blijkt uit onderzoek, kan hierop een licht doen schijnen omdat het volgens onderzoek aansluit bij het gnostische geloof zoals het in de eerste eeuwen na Christus werd beleefd en nog niet door de Romeinen was gekaapt om hun macht uit te breiden, waardoor het Christelijk geloof werd meegesleurd in hun machts- en veroveringsdenken.

 

Wat kenmerkend was voor het denken en handelen van de Katharen was dat het, net als de meeste religies, niet alleen gebaseerd was op liefde maar ook op vrijheid, waarbij ze liefde zagen als het goddelijke in de mens en vrijheid als een voorwaarde om te ontdekken wat liefde is. Liefde kan volgens hen alleen bloeien in vrijheid

Het doorgronden van deze gedachte en de betekenis van de begrippen liefde en vrijheid vraagt om nader onderzoek.

 

Met het begrip ‘liefde’ heb ik persoonlijk een beetje moeite, omdat het geen eenduidige uitstraling meer heeft en vooral geassocieerd wordt met romantische liefde, zoals we die kennen bij verliefdheid, terwijl dat een gevoel is wat erg onvrij maakt, doordat het obsessief gericht is op ‘het krijgen’ van de persoon of object waarop we verliefd zijn.

Persoonlijk gebruik ik voor liefde bij voorkeur de term ‘betrokkenheid’: een diepe, emotionele verbondenheid met mensen, werk of dingen, dat gekenmerkt wordt door een hoge mate van toewijding en enthousiasme en de bereidheid om extra moeite te doen vanuit een innerlijke motivatie.

Op basis van het begrip betrokkenheid vind ik de definitie die de filosoof Henk Smeijsters in zijn boek ‘Autonomie’ geeft van liefde erg aansprekend:

 

‘Liefde betekent dat ik de ander ondersteun zichzelf te zijn, dat we elkaar ondersteunen onszelf te zijn.’

 

Ik zou ‘zichzelf/onszelf te zijn’ willen vervangen door ‘zichzelf/onszelf te worden’ omdat het leven per essentie groei en ontwikkeling is, zoals we die zien in de natuur waar planten zich zelfs door harde grondlagen en kiertjes tussen stenen omhoog worstelen om tot bloei te komen en zoals baby’s onbewust hun spieren oefenen om te kunnen lopen en waggelend, lachend en met de armen in de lucht hun eerste stapjes zetten. En ook al vallen ze vele malen, iedere keer staan ze weer op en proberen het opnieuw, vol vertrouwen en plezier in het leven.

 

We hebben niet alleen een oerdrang tot groei en ontwikkeling maar ook tot vrijheid. We willen ons doen en laten zelf bepalen. De drang naar vrijheid heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het leven van de mensheid en die drang uitte zich onder andere uitbundig in de jaren 60 van de vorige eeuw, toen we ons verzetten tegen de boven opgelegde regels en voorschriften van instituties zoals de Kerk, het gezin en overheidsinstanties. We voelden ons erdoor onderdrukt, ingeperkt omdat we het niet eens waren met de argumenten waarmee de voorschriften en regels werden onderbouwd.

Tegenwoordig vragen we om vrijheid die vooral te maken heeft met kunnen denken, zeggen en doen wat we voelen of willen. ‘Recht hebben op’ wordt hiervoor vaak als argument gebruikt.

 

Vrijheid kan dus gedefinieerd worden als:

1. de afwezigheid van onredelijke beperkingen door anderen;

2. de mogelijkheid om zelf te mogen bepalen op welke manier we ons leven inrichten.


De eerste ‘soort’ vrijheid kan worden bestempeld als negatieve vrijheid: hoe minder beperkingen door anderen of omstandigheden, hoe groter de vrijheid. De tweede ‘soort’ vrijheid kan worden bestempeld als positieve vrijheid: hoe meer vrije keuze, hoe groter de vrijheid.

Positieve en negatieve vrijheid hangen samen. Positieve vrijheid is niet mogelijk wanneer negatieve vrijheid ontbreekt. Anderzijds is negatieve vrijheid weinig zinvol als positieve vrijheid niet nagestreefd kan worden. Hieruit kan de conclusie getrokken worden dat het streven naar vrijheid een optelsom is van het minimaliseren van beperkingen én het bewust worden van de eigen keuze, de eigen mogelijkheden. Vrijheid is dus vrij zijn van én vrij zijn voor.

 

Beperkingen opgelegd door onze omgeving worden vaak ten onrechte gezien als iets negatiefs en worden dus vaak bestreden, wat komt door het stellen van vrijheid boven iets dat belangrijker is dan vrijheid en de basis vormt van het leven van ieder mens, namelijk dat we sociale wezens zijn die zich alleen kunnen leren kennen en ontwikkelen door wat de Franse filosoof Levinas ‘de Ander’ noemt. Als er geen ander was zouden we met niemand rekening hoeven te houden en hadden we geen regels en wetten nodig. De Ander dwingt ons tot betrokkenheid, tot verantwoordelijkheid, tot rekening houden met elkaar, tot keuzes hoe we met elkaar omgaan, tot menselijkheid.

Om op een menswaardige manier met elkaar samen te leven, hebben we afspraken gemaakt en regels en wetten opgesteld. We mogen dus niet doen wat tegen regels en wetten ingaat. En we hebben afgesproken dat als er hierover onduidelijkheid bestaat, de rechter hierover uitspraak doet.

Vrijheid betekent dus niet dat we mogen denken, zeggen en doen wat we willen en de mening om in algemene zin recht te hebben op vrijheid is ook onjuist.

 

Vrijheid heeft dus altijd grenzen en wel die we gesteld hebben vanwege onze verantwoordelijkheid voor elkaars welzijn. Vrijheid komt volgens de Franse filosoof Tocqueville dan ook mede tot stand in volmondige betrokkenheid bij dat wat we democratisch met elkaar hebben afgesproken.

Vrijheid heeft niet alleen grenzen vanwege onze verantwoordelijkheid voor elkaar, maar ook door onze persoonlijke mogelijkheden en beperkingen. Een tulp kan geen boom worden en als ik blind ben, kan ik niet spelen in het nationale voetbalelftal. Het herkennen en erkennen van onze mogelijkheden en beperkingen is dan ook belangrijk voor het verkennen van onze vrijheidsruimte.

Het niet erkennen van de maatschappelijke en onze eigen grenzen maakt ons onvrij, omdat we dan dingen willen die we niet kunnen of maatschappelijk gezien niet kunnen. We ervaren die grenzen dan immers als onterechte beperkingen en niet als grenzen die nodig zijn voor het welzijn van onszelf en de maatschappij.

 

De mate van vrijheid heeft in deze tijd ook alles te maken met de mate waarin we ons laten beïnvloeden door alles wat reclames, influencers en sociale media ons voorhouden om zogenaamd succesvol en ‘in’ te zijn. Zijn we hiervan de slaaf of kiezen we vrij onze eigen weg.

 

De basis van de Franse revolutie was de strijd voor vrijheid, gelijkheid en broederschap. Naar mijn mening zou, gezien het voorafgaande, de volgorde moeten veranderen in broederschap, gelijkheid en vrijheid. Immers naast het feit dat we ‘broeders’ zijn, zijn we ook gelijken, gelijk. Onze vrijheid heeft broederschap en gelijkheid als voorwaarden. Een uitspraak van de vierde-eeuwse kerkvader Augustinus luidt: ‘Heb lief en doe wat je wilt’ en volgens de Russische anarchistische denker Bakoenin kan een mens alleen vrij zijn als alle mensen om hem heen vrij zijn. In vrijheid zijn we gelijk.

 

Het nemen van verantwoordelijkheid voor een persoonlijke invulling van het leven en voor de maatschappij en de wereld spelen een essentiële rol in ons gevoel van vrijheid. Als die verantwoordelijkheid er niet is en niet wordt ontwikkeld in onze opvoeding en onderwijs, wordt de basis gelegd voor onvrijheid, chaos, dictatuur of voor onderdrukking door minder- of meerderheden. Laten we kritisch blijven nadenken over wat vrijheid is, over waar we ‘vrij van’ en ‘vrij voor’ willen zijn.

 

In het voorwoord schreef ik dat in de Gnostiek het verwerven van inzicht in de oorsprong van de mens, zijn huidige situatie en zijn bestemming centraal staat. De mens is volgens gnostici afkomstig uit de goddelijke wereld en heeft een goddelijke kern. Die kern is verstrikt, gevangen geraakt in de materie. Wie de werkelijke situatie van zichzelf leert kennen en dus weet heeft van zijn goddelijke kern en van de mogelijkheid om terug te keren naar de goddelijke wereld, verwerft zelfkennis en kennis van God en heft onwetendheid op. En die kennis ligt besloten in onze goddelijke kern. Van daaruit kunnen we leren ‘weten’ en niet vanuit opgelegde inzichten van buiten.

Het bovenstaande betekent dat naast liefde/betrokkenheid en vrijheid ook bewustzijn een essentiële rol speelt in het denken en handelen van de Katharen.

 

Ons lichaam heeft, om zichzelf op een vanzelfsprekende en onbewust doeltreffende manier te ontwikkelen en te beschermen, een groot aantal aangeboren innerlijke neigingen, zogenaamde natuurdriften die we instincten noemen en die we ook kunnen omschrijven als aangeboren gevoelens om iets te willen of te doen. Kinderen zoeken en drinken automatisch aan de moederborst, gaan vanzelf kruipen en lopen en iedereen reageert automatisch op iets wat als bedreigend wordt ervaren door bijvoorbeeld weg te rennen en/of bescherming te zoeken.

Wat ons als mensen onderscheidt van dieren is dat wij naast instincten bewustzijn hebben en dit kunnen ontwikkelen om zo bewust te kunnen handelen. Bewust gedrag wordt gekenmerkt door gedrag dat niet instinctief gebeurt, maar dat volgt op iets waar we eerst over hebben nagedacht. Doordat we bewustzijn hebben, hebben we niet alleen reacties op wat we zien, horen, ruiken, proeven en denken, maar kunnen we door ‘op enige afstand’ naar onszelf te kijken die reacties als het ware ook zien en kunnen we dat onder woorden brengen voor onszelf en anderen. Daardoor krijgen we een beeld van de werkelijkheid en kunnen we er ook vanuit een bepaald standpunt naar kijken, bijvoorbeeld vanuit de normen, waarden en eerdere ervaringen van onszelf en anderen. Hierdoor krijgen we niet alleen een beeld van onszelf hoe we reageren in bepaalde situaties, maar kunnen we onze manier van reageren ook aanpassen. Als we ons bijvoorbeeld bewust worden dat we in bepaalde situaties altijd boos worden, kunnen we nagaan wat de reden daarvan zou kunnen zijn en of onze reactie wel echt gegrond of verstandig is en kunnen we proberen ons gedrag aan de nieuwe zienswijze aan te passen. Bewustzijn vormt zo de basis van zelfkennis en gewenste gedragsveranderingen, van onze groei en ontwikkeling. Willen we ons gedrag aanpassen dan vereist dat op de eerste plaats dat we ons bewust zijn dat we een bepaald gedrag vertonen, dat we dat niet ontkennen maar herkennen en erkennen en een beeld hebben van welk gedrag beter zou zijn voor onszelf en de omgeving.

Ook is het van belang om ons bewust te worden van wat onze diepste dromen zijn, omdat dat een voorwaarde is om vrij te zijn, om te kunnen handelen vanuit onszelf en niet vanuit datgene wat de omgeving van ons vraagt via verwachtingen, reclames, mode en ideologieën, want dat is geen vrijheid maar slaafsheid en na-aperij.

Tevens is het noodzakelijk om ons bewust te worden van wat onze sterke en zwakke kanten zijn omdat dat eveneens een voorwaarde is om vrij te zijn, om te kunnen bepalen welke zaken we wel en niet kunnen wensen en najagen, welke dingen we wel en niet kunnen bereiken. Een tulp kan alleen een tulp worden en geen boom.

 Bewustwording is niet alleen een voorwaarde voor vrijheid maar ook voor betrokkenheid. Ons bewust zijn van de mensen en alles om ons heen is een voorwaarde om erbij betrokken te kunnen zijn, er een verbinding mee aan te gaan. Wat we niet kennen, weten, voelen en zien bestaat voor ons niet en dus kunnen we er ook geen verbinding mee aangaan, ons erbij betrokken voelen.

Ook vrijheid is een voorwaarde om echt betrokken te kunnen zijn op onze omgeving omdat we alleen oprecht betrokken kunnen zijn, ons kunnen verbinden met mensen, de aarde, gebeurtenissen, ideeën, dingen en omstandigheden als we dat doen vanuit vrijheid en niet omdat we anderen en het andere nodig hebben om onszelf goed en waardevol te voelen. Dat is immers geen echte betrokkenheid, verbinding, maar afhankelijkheid.

Betrokkenheid op onze omgeving is noodzakelijk omdat zonder mensen en alles om ons heen het leven is als een school zonder leraren en boeken. We groeien en ontwikkelen ons door de confrontatie met de alledaagse werkelijkheid om ons heen.

Bewustwording is dus een voorwaarde voor vrijheid en betrokkenheid. Vrijheid en betrokkenheid zijn voorwaarden voor onze groei en ontwikkeling: de essentie van leven. Alles wat leeft, wil groeien, zich ontwikkelen en bloeien vanuit zijn of haar diepste levenskrachten.

Als we geen bewustzijn van onszelf ontwikkelen, ontwikkelen we geen vrijheid, geen echte betrokkenheid, geen eigen identiteit, geen echte persoonlijkheid en blijven we de speelbal van onze omgeving, groeien we niet op een natuurlijke manier met alle gevolgen van dien. We blijven een vreemde voor onszelf en dus ook voor anderen, en kunnen daarom geen positieve relaties aangaan.

 

Bewustzijn, vrijheid en betrokkenheid waren de pijlers van het denken en handelen van de Katharen. Vanuit deze waarden keken ze naar zichzelf, elkaar en de wereld en ontstonden opvattingen over hoe te denken en te handelen over zichzelf en de samenleving. Hierdoor zetten ze zich af tegen het geloof van de Katholieke kerk omdat hun God een dwingende, eisende en straffende God was en niet dezelfde God kon zijn die Jezus ‘mijn Vader’ noemde, de God van liefde.

Dat ze dit op juiste gronden deden, bleek toen in 1945 in Egypte de Nag Hammadi-geschriften werden ontdekt: een verzameling van 52 vroege gnostische en christelijke teksten uit de 2e-4e eeuw, die een fundamenteel ander, mystiek beeld geven van het christendom en, net als de Katharen, de wreedheden van de God van het Oude Testament verwierpen en zich op de historische Jezus beriepen.

De trieste werkelijk is echter dat de God van Dwang en Straf de God van Liefde bestreed in de kruistocht tegen de Katharen en hen zou uitroeien, zoals we in de volgende hoofdstukken zullen zien.

 

2. De kruistocht tegen de Katharen.

 

In de geschiedenis van het katharisme kunnen we drie periodes onderscheiden. De eerste periode loopt van rond 1150 tot 1209 en kan worden beschouwd als de bloeitijd.

De tweede periode begon in 1209 met de gewelddadige kruistocht tegen de Katharen en duurde tot 1244, het jaar waarin het kathaarse hoofdkwartier en de laatste nog niet veroverde kathaarse burcht, namelijk die van Montségur, werd veroverd door de kruisvaders.

 

Kruistochten of kruisvaarten waren zware militaire expedities in de middeleeuwen, georganiseerd en gefinancierd door de Katholieke Kerk in samenwerking met wereldlijke adel en vorsten, met als opdracht tegen ketters, dat wil zeggen mensen met afwijkende geloofsovertuigingen, zogenaamde 'heilige oorlogen'  te voeren die volgens de leer van deze kerk de uitvoering waren van de wil van God. De term kruistocht of kruisvaarder is afgeleid van het feit dat de ridders die aan kruistochten deelnamen herkenbaar waren aan het opgenaaide kruis op hun witte mantels. 

 

Het begin van de kruistocht tegen de Katharen wordt gekenmerkt door de belegering en inname van de stad Béziers in 1209, waarbij volgens bronnen rond de 20.000 mensen werden vermoord en er niet gekeken werd of het om ketters of niet-ketters ging.

Het einde van de tweede karthaanse periode werd gekenmerkt door de inname van de burcht van Montségur, waar onder aan de berg van Montségur meer dan tweehonderd Katharen levend werden verbrand. Maar daarmee was het katharisme nog niet uitgeroeid.

 

De derde periode van het katharisme wordt gekenmerkt door de inquisitie. Met het vernietigen van de verblijfplaatsen van de Katharen was, zoals reeds gezegd, hun gedachtengoed nog niet verdwenen en daarom werd er de inquisitie door de Katholieke Kerk opgericht: een speciale kerkelijke rechtbank, opgericht om ketters op te sporen, te ondervragen en te straffen, vaak met marteling om bekentenissen af te dwingen, wat leidde tot veroordelingen zoals de brandstapel. Hierbij werden methodes ingezet zoals die onder andere gebruikt werden door de geheime dienst van voormalige DDR, de Stasi. Burgers werden opgeroepen of gedwongen ‘ketters’ aan te geven en er werd gedreigd met allerlei vormen van straf als ze dat niet deden: een verfijnde psychologische methode waarmee angst en onzekerheid werd gezaaid, mensen elkaar niet meer vertrouwden en gemeenschappen uit elkaar vielen.

Inquisiteurs vervolgden niet alleen de levende ketters, maar ook werden de beenderen van belangrijke Katharen opgegraven en verbrand op de brandstapel en wel op grond van de volgende theologische opvatting:

In het Oude Testament staat dat alle doden bij het laatste oordeel zullen opstaan uit de dood en dat er dan een definitief oordeel zal worden uitgesproken over hun levensdaden. Door de botten van ketters te verbranden werd het onmogelijk gemaakt dat hun veroordeling door de Kerk zou kunnen worden herzien.

Al deze afschuwelijke methodes werden gebruikt door een christelijk instituut dat pretendeerde de boodschap van naastenliefde van Jezus als basis te hebben!

 

De gewelddadige vervolging van de Katharen was geen op zich staand gebeuren, maar de voortzetting van een zeer oude vijandschap van Katholieke Kerk tegenover aan de Katharen verwante Christenen, zoals we verderop in dit boek zullen zien.

 

De vraag die gesteld moet worden is waarom de Katholieke Kerk zo gebrand was om andersdenkende figuurlijk of letterlijk monddood te maken? Dat had alles te maken met de rol die de Kerk zich had toebedeeld in het leven van mensen, namelijk als redder van mensen uit de handen van het kwaad, omdat mensen zelf niet in staat zijn tot zelfverlossing.

Gnostici vinden echter dat Jezus had laten zien dat mensen alleen zichzelf kunnen redden door ‘hun eigen weten’ wakker te maken. Jezus spoort mensen aan ‘zichzelf te herinneren’ als een wezen met een goddelijke kern dat diep van binnen weet wat zijn uiteindelijke bestemming is en de weg daarnaartoe.

 

Volgens de orthodoxe katholieke leer kan de onmachtige en zondige mens alleen verlost worden door de genade van God en onder voorwaarden dat hij zich houdt aan de voorschriften en wetten van de Katholieke Kerk, anders is hij verdoemd tot een eeuwig verblijf in de hel of minstens tot een tijdelijk verblijf in het vagevuur omdat niemand perfect is.

Het moeten voldoen aan voorschriften en wetten gaat zo ver, dat een pasgeboren kind dat overlijdt en niet gedoopt is, niet in de hemel opgenomen kan worden. Met deze dwingende, van boven opgelegde liefdeloze geloofsopvattingen konden en kunnen gnostici niet leven. Jezus wordt in de gnostici teksten voorgesteld als iemand die de wreedheid van de straffende Jahweh aan de kaak stelt. Zo iemand kan niet de ware God zijn.

 

Uit een studie van de verhoren door de inquisitie van de Katharen blijkt een gelijkenis met de verwijten die gnostici tegen Jahweh richten. Voor gnostici is verlossing een gevolg van een vrije keuze van de mens om goed te denken en te handelen vanuit het eigen diepe weten van liefde, ook als dat in strijd is met de leer van welk instituut dan ook. En dat diepe weten is goddelijk omdat het verbonden is met de goddelijke bron van ons bestaan waaruit wij en alles voortkomen.

In elk mens schuilt een goddelijke vonk, maar de meeste mensen zijn zich daar niet van bewust. Het gnostisch denken helpt om ons weer met die goddelijke vonk te verbinden. Als we die verbinding hebben hersteld, beschikken we over gnosis, een persoonlijk weten van wat liefde is.

Om dat weten te bereiken, moeten we ons innerlijk vrijmaken van alle morele slavernij. Alleen wie zich vrij gemaakt heeft van uiterlijke morele dwang, kan de gnosis in zichzelf ontdekken, kan de goddelijke bron van liefde vinden en zijn leven vanuit liefde leven.

De gnostiek kent dan ook geen centraal leergezag, zoals dat het geval is binnen de Christelijke kerken, omdat de gnostische grondgedachte is dat elk mens zijn eigen weten, zijn eigen geweten heeft, zijn eigen gnosis, als hoogste morele toetssteen.

 

Een kernthema van de gnostiek is dat de mens van zichzelf vervreemd kan raken. De onverloste mens is zichzelf kwijt, verdwaald, waardoor hij het contact met zijn innerlijke wereld, de gnosis, verliest en leeft als een slaaf van onpersoonlijke machten.

Door zich weer te verbinden met zijn ware zelf, zich zijn oorspronkelijke goddelijke aard weer te herinneren, wakker te worden, te genezen van blindheid, kan de mens verlost worden uit zijn vervreemding, dwaling.

Volgens de gnostici waren de wonderen van Jezus, zoals verteld in het Nieuwe Testament, geen feitelijke gebeurtenissen, maar symbolische beschrijvingen van het herstellen door Jezus van de dwaling. De gnostische Jezus geneest mensen van hun zelfvergetelheid. Hij leert ze ‘zichzelf herinneren’. Een gnostische tekst die gevonden werd bij Nag Hemmadi luidt: ‘Sta op en herinner jezelf’.

De opstanding uit de dood is volgens gnostici geen verrijzenis uit de lichamelijke dood, maar eens spiritueel proces: jezelf herinneren als een vrij mens, die op eigen kracht in staat is tot liefde/betrokkenheid. En wie zichzelf herinnert, zal niet alleen weten wie hij echt is, maar ook zijn bestemming kennen.

 

Een centrale vraag die in veel spirituele tradities wordt gesteld is de vraag waarom er pijn en lijden is. Wat hebben die voor zin? Is er een reden waarom die er zijn in ons leven?

De Jahwistische visie uit het Oude Testament stelt dat alle lijden op aarde gezien moet worden als een straf van God voor de zonden van de mens. Het lijden is bedoeld om de mens op het rechte spoor te houden en dus een goedbedoelde straf van een liefdevolle vader. In het boek Job van het Oude Testament staat dan ook: ‘Wie zijn kinderen liefheeft kastijdt ze.’

Voor gnostici is dit alles volstrekt onaanvaardbaar. Lijden kan nooit voorkomen uit iets goeds. Lijden vraagt om barmhartigheid en geen beschuldigende vinger naar de lijdende mens, maar een houding die volgt uit een passage uit het evangelie van Johannes uit het Nieuwe Testament, waarin Jezus een blinde man ontmoet die vanaf zijn geboorte blind is. Jezus leringen vroegen Jezus waarom hij blind was geboren, of hij dat te wijten had aan zijn eigen zonden of die van zijn ouders. Jezus antwoordde: ‘Niet aan zijn eigen zonden en evenmin aan die van zijn ouder’.

 

Gnostici herleiden het lijden niet tot het goede, maar stellen een absoluut kwaad tegenover een absoluut goed, twee zaken die niet met elkaar verenigd kunnen worden. Daarom worden gnostici door hun tegenstanders ‘dualisten’ genoemd. Voor gnostici betekent dat dat iedereen kan kiezen uit twee ‘werelden’: ‘het rijk van het kwaad’ dat geregeerd wordt door angst of ‘het koninkrijk’ dat gedragen wordt door liefde/betrokkenheid. Liefde en angst zijn elkaar tegenpolen, zoals goed en kwaad. Angst leidt tot afstand nemen, omdat we ons bedreigt of onzeker voelen, terwijl liefde verbinding en betrokkenheid zoekt. Wie zich laat leiden door angst, loopt het gevaar terecht te komen in een wereld van geweld en onderdrukking, want angst leidt tot ‘verweer’. Wie zich laat leiden door het innerlijk weten van liefde, kan meewerken aan een wereld waarin verbondenheid, vrede en gerechtigheid heerst.

 

Volgens gnostici zijn zowel de wereld van het kwaad als van liefde hier op aarde aanwezig. Het kwade is onder ons, maar ook het goede en we kunnen kiezen tot welke wereld we willen behoren, waarbij niet het geloof maar onze daden bepalen tot welke wereld we behoren.

Deze zienswijze komt overeen met die van het Taoïsme dat in China ontstond tussen de vijfde en derde eeuw v. Chr. en haar naam ontleent aan het centrale begrip ‘Tao’ dat ‘De weg’ betekent, de weg die we creëren terwijl we hem gaan. Alles wat we doen en de wijze waarop we ons leven leven, beïnvloedt onszelf en alles om ons heen. Volgens Lao Tse is er een goede en een verkeerde weg.

‘Goed’ betekent dat we afgestemd zijn op de wereld om ons heen, ermee in contact staan en er op de juiste manier op reageren zodat we een weg scheppen en lopen waarop wij en alle mensen kunnen floreren.

‘Verkeerd’ betekent het tegenovergestelde: alleen maar mikken op ons eigen succes en macht, ongeacht hoe het met andere mensen en de wereld gaat. Die weg is verkeerd omdat deze op de lange duur ons leven en dat van anderen niet ten goede komt en zal bedreigen.

 

De Katharen vonden dat de Katholiek Kerk niet tot ‘het koninkrijk’ behoorden maar tot ‘rijk van het kwaad’ omdat ze de wereldlijke vormen van macht en materialisme hadden overgenomen en ‘de vriendschap voor de wereld’ verkoos boven ‘de vriendschap met God’. En daarom wezen de Katharen elke zeggenschap van de Kerk over hun christelijk geloof principieel af.

 

De Katharen kenden geen geloofsbelijdenis, voor hen was je christen - of niet - door daden. Ook geloofden zij, evenals de gnostici, in reïncarnatie, in het feit dat het koninkrijk gerealiseerd kon worden door een proces van evolutie van alle menselijke zielen door verschillende op elkaar volgende levens waarin de ziel opnieuw incarneert in een lichaam. Voor gnostici is reïncarnatie een herkansing: het volgende leven begint met een schone lei.

 

Vanuit de oosterse religies van het Hindoeïsme en het Boeddhisme was het geloof in reïncarnatie wijd verbreid. De Katholieke Kerk heeft de reïncarnatieopvatting nooit formeel afgeschaft, maar deze werd wel feitelijk verboden na het Concilie van Constantinopel II in 553 n. Chr. waar aanhangers ervan werden veroordeeld.

 

De katharen hadden geen negatief oordeel over degenen die zich niet tot hun geloof bekeerden. Dit in tegenstelling tot de houding van de Katholieke Kerk, die ongelovigen als ketters bestempelden en hen vervolgden. Voor de Katharen was iedereen geheel vrij om te besluiten wel of niet in de kathaarse leer te geloven, of in welk ander geloof dan ook.

Deze verdraagzaamheid en openheid heeft ook te maken met hun geloof in reïncarnatie. De Katharen hadden de overtuiging dat alle zielen zich ooit zouden bevrijden van het Kwaad door te kiezen voor de liefde. Iedereen zou dat op zijn manier en tijd doen, in dit of in een volgend leven. Een niet gelovige was voor hen een nog niet bevrijde goddelijke ziel.

 

Het dualisme van de gnostici heeft vaak de gedachte opgeroepen als zouden zij vinden dat de materiele wereld, en dus ook het lichaam, tot ‘de kwade wereld’ behoort. In de gevonden gnostische teksten is daarvan geen enkele aanwijzing te vinden.

Het beeld van een verheven geestelijke ziel en verderfelijk stoffelijk lichaam zien we in veel religieuze teksten van de klassieke oudheid. Het stamt af van de Griekse filosoof Plato die in zijn boek ‘Phaedo’ beschreef hoe de dood een verlossing betekende van de ziel uit haar gevangenschap van een verderfelijk lichaam. Deze gedachte kenmerkt het gehele Christendom doordat het onder invloed raakte van de Griekse filosofie.

Kerkvader en filosoof Augustinus (354-430) spreekt over ‘de lage lusten van de zinnen’ waarmee het zondige lichaam de geestelijke ziel aan zich bindt en gevangenhoudt.

De in 1228 heiligverklaarde St. Franciscus van Assisi kastijdde zijn ‘zondige lichaam’ veelvuldig tot bloedens toe. De protestante Calvijn sprak over ‘de zondigheid des vlezes’. Luther benadruk in zijn leerstellingen dat wat moeten streven naar ‘de dood van het vlees’.

 

Een dergelijke negatieve kijk op het lichaam wordt in geen enkele kathaarse tekst aangetroffen. Zij leggen de nadruk op de vrijheid als kenmerk van het geestelijk leven en niet op de zondigheid van het lichaam. Ook wezen de Katharen niet de door Jahweh geschapen materiële werkelijkheid af, zoals vaak wordt beweerd. Niet de materiële werkelijkheid zelf is volgens de Katharen het kwaad, maar de zweem van negativiteit en angst die Jahweh over zijn eigen schepping had gelegd en die de houding van veel christenen had bepaald tegenover het materiële, waardoor de mate van afwijzen van het materiële werd gezien als de mate waarin men een goed christen was.

Het is dan ook merkwaardig dat de Katholieke Kerk de katharen ervan beschuldigde de materiële werkelijkheid af te wijzen, wat nog steeds terugkomt in allerlei beschrijvingen van het katharisme en in touristenfolders.

 

Niet alleen ten aanzien van de negatieve houding ten opzichte van de materiele werkelijkheid bestond er een verschil van mening met de Katholieke Kerk, maar ook over de verhouding tussen mannen en vrouwen.

In het eerste boek van het Oude Testament wordt verteld hoe Eva door de slang wordt verleid om te eten van de boom van kennis van goed en kwaad, hoewel God dat had verboden. Eva verleidde daarna haar man Adam om hetzelfde te doen. Sindsdien verkeren volgens de christelijke kerk alle mensen in een staat van erfzonde, wat inhoudt dat ieder mens bij zijn geboorte een zondige natuur erft als gevolg van de zonderval van Adam en Eva, waardoor de mens een neiging heeft tot zondigen, verkeerd gedrag, en afgescheiden is van God, wat kan worden vergeven en hersteld door het geloof in Jezus Christus en zijn leer, voorschriften en wetten. En dit alles is volgens de kerkvader en felle bestrijder van de gnostiek Tertullianus (ca. 160-230) de schuld van Eva en alle vrouwen delen in haar schuld, wat een rechtvaardiging is geworden van de ondergeschikte rol van de vrouw in de christelijke kerken. Een sprekend voorbeeld hiervan is het volgende voorval:

Als de paus het gesprek aangaat met een delegatie van de Katharen, is een van de delegatieleden een vrouw. De vertegenwoordiger van de paus roept ontsteld en verontwaardigd: ‘Vrouw keer terug naar uw spinnewiel’ en weigerde te onderhandelen met een vrouw.

Waar de Kerk de nadruk legt op de zondigheid van het lichaam, telt voor Katharen vooral de vrijheid van het geestelijke aspect van de mens, sterker nog: die vrijheid is voor de katharen de essentie van de verbinding met God. God is louter geest en volkomen vrij. De vrijheid van geest is wat de mens gemeen heeft en verbindt met God en om die eenheid met God in volheid te realiseren, moet je volkomen vrij zijn.

Omdat de Katharen en gnostici de nadruk leggen op het geestelijk aspect van de mens, zijn vrouwen en mannen in spiritueel opzicht volledig gelijkwaardig. De uiterlijke verschillen tussen de stoffelijke lichamen van mannen en vrouwen zijn voor hen van geen enkel belang.

Voor de Katholieke Kerk zijn vrouwen verbonden met de zondige materie en mannen met de verheven geest. Kerkvader Augustinus vertelt hoe vrouwen met hun ‘lage listen en lusten’ de mannen tot zonde verleiden, zoals Adam werd verleid door Eva. Dit soort uitspraken bevestigen de verachting van het katholieke geloof voor alles wat lichamelijk is. Ze ziet de seksuele lust als een list van de duivel en vrouwen zijn door hun wellustige aard zijn willige werktuig.

 

In het volgende hoofdstuk zullen we nagaan hoe de Katholieke Kerk tot deze en andere zeer betwistbare en verwerpelijke opvattingen kwam die de basis vormden voor de strijd tegen de Katharen en voor de teloorgang van de oorspronkelijk geloofsopvattingen zoals die in de gnostiek gangbaar waren in de tijd direct na het leven en leringen van de historische Jezus.  


3. Een stukje geschiedenis van het Christendom.

 

Anderen als ketters beschouwen, betekent dat jij vindt dat jij het ware geloof hebt en dat de anderen daar een onjuiste invulling aan geven. Zo geloofde de Katholieke Kerk dat zij de enig ware leer verkondigde en dat de Katharen daar te veel of fundamenteel van afweken en dat het katharisme daarom besteden moest worden. Uit nadere bestuderingen van de geloofsgeschiedenis blijkt echter dat het katharisme als gnostiek en spirituele stroming meer aanspraak kan maken op de betiteling als ‘oorspronkelijk christendom’ dan de leer van Katholieke Kerk, de leer van Rome. Daarom is het goed om in de geschiedenis van het vroege christendom te duiken.

 

Uit die geschiedenis blijkt dat de strijd tegen de Katharen niet op zich staat, maar een voortzetting is van de oude strijd van de Rooms-Katholieke Kerk om ‘de macht over de geest’ van Europa. De kruistocht tegen de Katharen was geen strijd tegen een plaatselijke ketterij, maar onderdeel van de strijd tegen de vrijheid van de geest als wezenlijk onderdeel van de gnostiek. Deze vrijheid moest bestreden worden en wel vanaf het moment dat het kerkelijke instituut van Rome zich vormde en de Romeinse keizer Constantijn haar bescherming verleende en tot staatsgodsdienst uitriep, waardoor de Kerk van Rome werd meegesleurd in het macht- en veroveringsdenken van Romeinse rijk.

Bram Moerland schrijft in zijn boek ‘De Katharen: De overwinning van de vrijheid’ dat daarom de val van de burcht van Montségur meer is dan alleen een ketterse burcht die werd vernietigd. Het is een keerpunt in de geschiedenis waarop machten die al vanaf de eerste eeuwen de vrijheid van geest aan banden wilden leggen ten faveure van hun eigen macht, een grote overwinning behaalden.

 

Zoals eerder besproken, ontwikkeld een geloof zich, net als politieke partijen en andere bewegingen, langzaam van een eerste idee tot een systeem met uitgangspunten, principes, regels en rituelen die voortdurend veranderen op basis van nieuwe inzichten en interpretaties, vaak na heftige debatten en soms onder invloed van wereldlijke machten. Daarom kunnen we stellen dat het ‘ware christendom’ nooit heeft bestaan, maar er vanaf het begin een divers ontwikkelingsproces heeft plaatsgevonden, waarbij vaak geen open discussie werd gevoerd, maar macht werd gebruikt.

Pas driehonderd jaar na Christus werd er een visie vastgelegd die we nu ‘christelijk’ noemen en wel in 325 tijdens een vergadering van bisschoppen die bekend staat als de synode van Nicea. Deze synode kan worden beschouwd als een zeer belangrijk moment in de geschiedenis van de geloofsstroming die we kennen als het christelijke geloof van de Katholieke Kerk, die ook vaak de Kerk van Rome wordt genoemd omdat Rome de hoofdzetel werd van deze stroming na een machtsstrijd tussen de verschillende bisschoppen als hoofd van de verschillende christelijke gemeenschappen. Naast de Roomse stroming bleven er echter ook veel andere opvattingen bestaan over de betekenis van het leven en de uitspraken van Jezus.

 

De Kerk van Rome, de Katholieke Kerk, droeg uit dat Jezus de beloofde Messias was zoals in het Oude Testament beloofd. Maar dat was onder de eerste aanhangers van Jezus uit de eerste eeuwen niet vanzelfsprekend. Voor hen was Jezus iemand die een radicale breuk predikte met het Oude Testament dat ten tijde van Jezus het Joodse leven domineerde en waarin onder andere het principe van ‘oog om oog, tand om tand’ wordt voorgestaan. Zo staat in Exodus 21, vers 22-25 geschreven dat Mozes in aanvulling op de Tien Geboden een aantal leefregels ontving, waaronder de volgende:

 

‘Wanneer twee mannen aan het vechten zijn en een van hen een zwangere vrouw raakt met als gevolg dat zij een miskraam krijgt, maar ze heeft verder geen letsel opgelopen, dan moet een boete worden geëist waarvan de hoogte door haar echtgenoot wordt vastgesteld. De rechters moeten op de betaling toezien.

Heeft ze wel ander letsel opgelopen, dan geldt: een leven voor een leven, een oog voor een oog, een tand voor een tand, een hand voor een hand, een voet voor een voet, een brandwond voor een brandwond, een kneuzing voor een kneuzing, een striem voor een striem.’

 

In het Nieuwe Testament staat een totaal andere houding en wel die is beschreven in Mattheüs 3, vers 38-47, als een uitspraak van Jezus:

 

‘Gij hebt gehoord dat er is gezegd: oog om oog, tand om tand. Gij hebt gehoord dat er is gezegd: gij zult uw naasten liefhebben en uw vijanden haten. Maar ik zeg u: hebt uw vijanden lief.’

 

Ten opzichte van de logica van het geweld is dat absurd, maar alleen door absurd te handelen ten opzichte van de logica van het geweld kan de eindeloze herhaling van geweld worden doorbroken. Immers geweld schept haat en nieuw geweld wordt altijd gerechtvaardigd door voorafgaand geweld. Als schakel in de keten van geweld is de mens slaaf van zijn haat. Door Jezus wordt hij opgeroepen om die slavernij te doorbreken en in liefde zijn morele vrijheid te uiten. Deze oproep van Jezus stond voor zijn volgelingen in schril contrast met de God van het Oude Testament en groeide uit tot de gnostiek, waarin liefde en vrijheid centrale thema’s werden.

 

Naast de gnostische stroming ontstond er ook een stroming die vasthield aan het gedachtegoed van het Oude Testament waarin Jezus gezien werd als de beloofde Messias en dat de God waarover Jezus sprak dezelfde was als Jahweh, de god van het Oude Testament. Deze stroming kreeg uiteindelijk de meeste greep op de vormgeving van het christelijke geloof, dat opnieuw geweld zag als een rechtvaardiging om God te dienen, zelfs de God van liefde waarover Jezus sprak, en dat mensen als de Katharen, die niets anders wilden dan Jezus navolgen in zijn levenswandel van naastenliefde, op de brandstapel zette.

De vraag is hoe dat kon gebeuren. Hiervoor moeten we dieper ingaan op de manier hoe die cultuur van geweld tot stand kwam.

 

Het kerkelijk christendom leert, zoals eerder gezien, dat door het eten van de appel van de boom van goed en kwaad, wat ‘de zondeval’ wordt genoemd, alle mensen vanaf hun geboorte in staat van zonde leven. Zo staat in het Oude Testament, Psalm 51:

 

‘Zie, in ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.’

 

Het kerkelijk christendom leert ook dat God in Jezus mens is geworden en de zondeval van de mensheid heeft hersteld door daarvoor plaatsvervangend te boeten door te lijden en te sterven aan het kruis. Jezus is ‘het lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt’, zoals dat in het Agnus Dei van de Katholieke mis wordt gezegd, wat ‘de verzoeningsleer’ wordt genoemd.

De verlossing van de zonde kan niet door de mens zelf verdiend worden, het is een geschenk van God en men kan dit geschenk alleen krijgen door het Christelijke geloof en door zich houden aan haar voorschriften en wetten. De verzoeningsleer als grondslag van het Christendom wordt gevierd in de mis van de Katholieke Kerk en het avondmaal van de protestanten.

 

Gnostici wijzen de opvatting af dat God in Jezus mens is geworden en de daaraan gekoppelde verzoeningsleer en zijn van mening, zoals eerder werd aangaven, dat de onverloste staat van de mens niet veroorzaakt is door de zondeval van Adam en Eva, maar omdat de mens zichzelf is vergeten en dat ‘zichzelf herinneren’ alleen door de mens zelf kan gebeuren. Voor gnostici is Jezus een persoon die de boodschap verkondigde dat God in elk mens aanwezig is en die zijn medemensen opriep om naar de Christus in zelfzelf op zoek te gaan.

 

Daarmee ontkende ze de centrale rol van de Kerk in de verlossing van de mens, wat inging tegen het machtsdenken van de Kerk en dus weerstand opriep. Volgens de Kerk kon de toegang tot de hemel alleen bereikt worden door het belijden van en het handelen volgens het Christelijke geloof. Doet men dat niet dan rest alleen de toegang tot de hel: een plaats van extreme, vaak eeuwige, fysieke en mentale straf en lijden na de dood, gekenmerkt door pijn, duisternis en de afwezigheid van God.

 

De verzoeningsleer heeft zijn oorsprong in de opvattingen van bisschop Irenaeus uit Lyon die leefde aan het einde van tweede eeuw. Een bisschop is een hooggeplaatste christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom, een kerkelijk gebied, en die fungeert als opvolger van de apostelen, het geloof verkondigt en de priesters in zijn regio leidt.

Ondanks het feit dat niet alleen gnostici en de Katharen maar ook de belangrijke theologen uit de eerste eeuwen de leer van bisschop Irenaeus verwierpen, is de verzoeningsleer ‘de ene zaligmakende waarheid’ van de kerk geworden. De vraag is hoe dat kon.

 

Zoals eerder gezegd, heeft het Christelijke geloof zich geleidelijk ontwikkeld. Om in de diversiteit van interpretaties van het leven en de uitingen van Jezus enige ordening te scheppen, ontstond er een stroming die vond dat er één zaligmakende/heiligmakende waarheid moest komen die zou gelden voor alle christelijke mensen en dat die gestalte moest krijgen in een instituut dat deze waarheid moest beschermen en uitdragen. Bij één waarheid hoorde maar één kerk, zoals de eerdergenoemde bisschop Irenaeus vond. Als God één is, kan er maar één ware kerk zijn en slechts één vertegenwoordiger van God binnen de kerkelijke gemeenschap, namelijk de bisschop.

De koppeling van de ene zaligmakende waarheid met die éne vertegenwoordiging van God op aarde had tot gevolg dat de verzoeningsleer werd verbonden met de macht van het instituut kerk en aan de bisschoppen als Gods vertegenwoordigers op aarde, waardoor de kerk van Rome de enige hoeder werd van die ene zaligmakende leer. Met de ‘ene zalig makende leer’ begon ook de uitsluiting van andersdenkenden en was iedereen die een andere zienswijze had een ketter.

Uit het feit dat Irenaeus zijn pijlen in zijn boek ‘Adversus Haereses’ (Tegen de ketters) voornamelijk richtte tegen het gedachtengoed van de gnostici, mag worden afgeleid dat de gnostiek toen een populaire opvatting was van de leer van Jezus.

Historisch gezien is van de Kerk van Rome als de belangrijkste christelijke stroming voortgekomen uit degenen die zich schaarden achter de opvattingen van bisschop Irenaeus.

 

Het christelijke geloof kreeg als instituut vorm, invloed en macht toen in 313 de Romeinse keizer Constantijn met het Edict van Milaan godsdienstvrijheid garandeerde in het Romeinse rijk en het Christendom onder keizer Theodosius in 394 de officiële staatsgodsdienst werd. Voor die tijd was het christelijke geloof door de Romeinse heersers verboden omdat het volgens hen het heersende polytheïstische geloof, het geloof in meerdere goden, en de keizerverering bedreigde en daardoor de staatsveiligheid en sociale orde verstoorde. Zo beval keizer Diocletianus in 303 dat de heilige boeken van het christendom ter vernietiging moesten worden overgedragen aan de burgerlijke autoriteiten en dat kerkelijk bezit moest worden geregistreerd. In een rituele handeling moesten christenen hun trouw aan de keizer en de goden van het keizerrijk betonen. Daarom gingen vele christenen ‘ondergronds’ en hielden hun rituelen in catacomben, onderaardse gangenstelsels met kamers en nissen, die voornamelijk gebruikt werden als begraafplaatsen.

 

Op aandringen van keizer Constantijn werd in 325 de eerder genoemde synode van Nicea georganiseerd en werd onder dwang van Constantijn de verzoeningsleer van bisschop Irenaeus uitgeroepen tot grondslag van het christendom. Het besluit kwam tot stand onder protest van sommige aanwezige bisschoppen en werd al helemaal niet gesteund door vele christenen, zoals de donatisten in Carthago, de arianen in Alexandrië en paulicianen in Turkije, allemaal christelijke stromingen die door de tijd waren ontstaan. Toen liet de Kerk haar repressieve karakter zien en startte, met steun van keizer Constantijn, een methodische vervolging van andersdenkenden en vooral van de gnostici.

 

Op de synode van Nicea werd ook de samenstelling van het Nieuwe Testament vastgelegd en werd beslist welke christelijke teksten die door de tijd waren geschreven, er wel of niet in werden opgenomen, afhankelijk of ze wel of niet pasten bij de toen geldende geloofsopvattingen. Alle teksten die ‘niet pasten’ werden verboden en werden daarom vernietigd of heimelijk verstopt, zoals de later gevonden Nag Hammadi-geschriften, een verzameling van 52 teksten (evangeliën, hymnes, mythen) die in 1945 bij Nag Hammadi werden ontdekt. Zij laten vroegchristelijke ideeën zien die afwijken van de Bijbel, zoals het Evangelie van Thomas en Judas, en geven inzicht in de diversiteit aan opvattingen van het vroegere christendom. Het grootste deel van deze geschriften kan beschouwd worden als gnostische teksten.

 

Op de synode van Nicea werd ook het zonnekruis, dat in tijd van de Romeinen het symbool was van de oppergod Jupiter, het symbool van het christendom. De zondag, voorheen gewijd aan Jupiter, werd de wekelijkse rustdag in plaats van de Joodse sabbat op zaterdag. 

Keizer Constantijn bemoeide zich ingrijpend met de vormgeving en inhoud van het instituut kerk en gaf aan bisschop Eusebius de opdracht om een geschiedenis te schrijven van de vroege kerk. Eusibius voorzag de visie van bisschop Irenaeus van zogenaamde historische feiten, zoals dat Petrus de stichter en de eerste bisschop zou zijn van de christelijke gemeente in Rome en zou zijn vervolgd en gekruisigd, terwijl daar historisch geen duidelijke bewijzen voor zijn.

Petrus was volgens het Nieuwe Testament de belangrijkste apostel van de twaalf apostelen die de eerste volgelingen waren van Jezus en door hem werden gekozen om zijn leer te verspreiden. ‘Apostel’ stamt af van het Griekse ‘apostolos’, wat gezant, boodschapper of vertegenwoordiger betekent.

 

In de strijd om de macht tussen de verschillende christelijke gemeenten die door de verschillende apostelen waren gesticht, werd het verhaal van Eusebius over Petrus gebruikt om aan de Romeinse bisschop een bijzondere plaats en verantwoordelijkheid te geven voor het brengen van eenheid binnen het christendom in de strijd om het gelijk tussen allerlei christelijke stromingen, wat uiteindelijk leidde tot het dogma dat de paus de directe opvolger is van Petrus en daarmee de ‘Plaatsbekleder van Jezus-Christus op aarde’, de leider van de Rooms-Katholieke en het staatshoofd van Vaticaanstad.

 

In 1870 werd tijdens het eerste Vaticaanse concilie de Paus als onfeilbaar verklaard, als reactie op het opkomende rationalisme en liberalistisch denken. De Paus kon door ‘ex cathedra’ (vanaf de pauselijke zetel) te spreken, een bindende en onfeilbare geloofsuitspraak doen. Hierdoor kon de Kerk haar machtspositie als hoeder van ‘de waarheid’ behouden in een wereld waarin de vrijheid van denken en handelen steeds meer ruimte vroeg en kreeg.

 

Keizer Constantijn maakte voor zijn machts- en veroveringsdrift maar al te graag gebruik van het oudtestamentische beeld van ‘de God der wrake’, die aan zijn zijde zou staan en zijn tegenstanders zou verpletteren. Zijn keuze voor Jahweh kan gezien worden als een slimme politieke zet. Vanaf die tijd ontstond er een samenwerking tussen de wereldlijke en kerkelijke machten en trokken deze doorgaans samen ten strijde tegen zowel groepen als personen die de wereldlijke en kerkelijk macht bedreigden.

 

De Kerk werd niet alleen in zijn macht- en veroveringshonger meegesleurd, maar ook in de manier van leven van de wereldlijke machthebbers. De kerkelijke machthebbers gingen zich omgeven met luxe gebouwen, kleding en spullen en gingen een manier van leven leiden die gebruikelijk was bij de wereldlijke machthebbers. Hierdoor werd ‘geld’ een belangrijk item, omdat die luxe ergens van betaald moest worden, wat leidde tot allerlei maatregelen die in de ogen van vele gelovigen tegen de oorspronkelijk leer van Jezus ingingen, zoals de mogelijkheid om door geld aan de kerk te schenken kwijtschelding te krijgen van tijdelijke straffen en dus van een verblijf in het vagevuur. Vanaf de 11de eeuw werd het gebruikelijk om aflaten te kopen (kwijtschelding van tijdelijke straffen voor zonden).

 

Maarten Luther King verzette zich in het beging van de 15de fel tegen dit soort praktijken en stelde dat alleen het leven volgens de christelijke leer vergiffenis van zonden kon brengen. Zijn en andere protesten leidde tot de afscheiding van de Rooms-Katholieke kerk en het ontstaan van het Protestantisme.

Tijdens de Franse Revolutie in 1789 kwam het Franse volk in opstand tegen de samenwerkende machten van staat en kerk die hen zowel materieel, moreel als psychisch onderdrukten, wat leidde tot moordpartijen en inbeslagname of vernietiging van bezittingen van de adel en kerk.

Sinds die tijd groeide in de politiek ‘de scheiding van kerk en staat’: het principe dat de overheid en religieuze instellingen gescheiden opereren, waarbij de staat zich niet bemoeit met kerkelijke zaken en andersom, om zo religieuze neutraliteit en vrijheid te waarborgen. Dit principe is sinds de 19e eeuw in mindere of meerdere mate wereldwijd in praktijk gebracht.

Kerk en staat zijn dan wel in vele landen gescheiden, geloof en politiek niet, want er is over en weer regelmatig overleg tussen kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders en politici over elkaars belangen. Verder kunnen politieke partijen die opgericht zijn vanuit een religieuze achtergrond via verkiezingen en vertegenwoordiging in de volksvertegenwoordiging invloed uitoefen op het regeringsbeleid. De concrete invulling van het beginsel van ‘de scheiding van kerk en staat’ kent in de praktijk dan ook verschillende invullingen, zoals:

 

- Secularisme of Laïcisme, zoals in Frankrijk en Portugal, waar er een scheiding van kerk en staat bestaat die kan betiteld worden als exclusief neutraal, wat inhoudt dat religie volledig uit de publieke sfeer en overheidsinstellingen wordt geweerd. Religie wordt beschouwd als een strikte privézaak. Religieuze symbolen en attributen zijn in overheidsgebouwen verboden, er wordt geen religieus onderwijs gegeven op scholen, er wordt geen overheidssteun gegeven aan religieuze instellingen en er wordt een cultuur nagestreefd waarin vrijheid van meningsuiting en zingeving centraal staan.

 

- Coöperatie tussen kerk en staat, zoals in Nederland, België, Duitsland en Spanje. De staat stelt zich inclusief neutraal, of compenserend neutraal op ten opzichte van geloven.

Een neutrale opstelling wil zeggen dat de overheid iedereen gelijk aanspreek en behandeld ongeacht zijn religieuze achtergrond.

Een compenserend neutrale opstelling houdt in dat de overheid niet strikt onverschillig is, maar actief ongelijkheid tussen levensbeschouwingen bestrijdt en streeft naar het waarborgen van de gelijkwaardigheid van alle godsdiensten en levensbeschouwingen in het publieke domein. 

 

- Staatsgodsdienst, zoals onder andere in Engeland, waar feitelijk geen strikte scheiding bestaat tussen staat en kerk en er sprake is van een staatskerk, de Church of England. De koning of koningin is het hoofd van de kerk en benoemt aartsbisschoppen en bisschoppen op advies van de premier, 26 anglicaanse bisschoppen hebben ambtshalve zitting in het Hogerhuis en de kerk speelt een formele rol bij staatsaangelegenheden zoals de kroning. 

Hoewel de kerk veel autonomie heeft, moet wetgeving over kerkelijke zaken soms worden goedgekeurd door het Britse parlement. Ondanks deze verbinding is Engeland in de praktijk een multireligieuze en grotendeels geseculariseerde samenleving, losgemaakt van religieuze invloed, waarbij de invloed van de kerk op het dagelijks leven beperkt is. 


Na deze korte uiteenzetting over de gevolgen van het verzet tegen de macht van de kerkelijke en wereldlijke macht, gaan we terug naar de vierde eeuw toen het instituut Kerk zijn vorm begon te krijgen en ze haar hoofdwaarheden en -waarden formuleerden en de eeuwenlange algemene cultuur van ‘het vijanddenken’ daarin automatisch werd meegenomen.

Het geweld tegen andersdenkenden zouden we tot dan toe kunnen zien als een culturele erfenis uit het verleden die mensen onbewust mee- en overnamen in hun denken en handelen, zoals dat altijd het geval was en is. Maar aan het einde van de vierde eeuw gebeurde er iets waardoor deze milde kijk niet meer kan worden verantwoord, omdat het geweld tegen andersdenkenden theologisch werd gerechtvaardigd en wel door de Afrikaanse filosoof, theoloog en bisschop Augustinus van Hippo (354-430), een plaats gelegen in het huidige Algerije. Hij rechtvaardigde het geweld tegen andersdenkenden als de wil van God. En het was de plicht van bisschoppen om de wil van God uit te voeren. Daarmee werd het geweld tegen andersdenkenden onderdeel van het uitvoeren van het gezag van Kerk, wat uiteindelijk niet alleen leiden tot de ondergang van de Katharen, maar tot het eeuwenlang bewust en structureel vervolgen van andersdenkenden. Daarmee verloor de Kerk in de ogen van velen de basis van haar bestaan, namelijk de leer van naastenliefde die door Jezus werd gepreekt en die tot een breuk zou moeten leiden met de eeuwenlange cultuur van vijanddenken en ‘oog om oog, tand om tand’, wat leidde tot een versterking van het gnostische denken dat overal aanwezig was.

 

Vanwege het historisch belang van de theologische rechtvaardiging van geweld door Augustinus, gaan we na in het hiernavolgende in op de omstandigheden waarin en waardoor dit gebeurde.

In 394 verkondigde een zekere Pelagius zijn opvattingen over het christelijke geloof op pleinen en straten in Rome. Hij luisterde naar mensen en onderhield zich met hen op een manier die mensen niet waren gewend, namelijk niet streng en gebiedend. Zijn boodschap maakte op de bewoners van Rome diepe indruk en werd door hen als fris en vernieuwend ervaren. Hij sprak over de vrijheid en verantwoordelijkheid van iedereen voor zijn individuele weg naar de waarheid en zei dat Jezus het bewustzijn van vrijheid bij de mens tot leven wilde brengen. Wat ook opviel was dat hij er niet op uit was om aanhangers te werven, maar hij vertrouwede erop dat ieder mens met deze inzichten zelf zijn weg tot de waarheid zou vinden.

Deze gedachtegang heeft grote overeenkomst met wat we tot nu toe gezien hebben als de opvattingen van gnostici en de latere Katharen die haaks stonden op wat sinds keizer Constantijn de kerkelijke leer was geworden. Die leer hield, zoals eerder vermeld, onder andere in dat men alleen Christen was als men de autoriteit van de Kerk erkende als de behoedster van de ene zaligmakende waarheid.

 

De opvattingen van Pelagius kwamen bisschop Augustinus ter ore en deze begon een felle aanval op wat hij beschouwde als ketterse gedachten. Augustinus beschouwde de zondigheid van de mens en de verlossing door Jezus Christus als de kern van het christelijke geloof, wat hij gemeenschappelijk had met de eerder genoemde bisschop Irenaeus,

Voor Irenaeus was de kern van de christelijke boodschap de vergeving van de zonden door het lijden van Christus, wat volgens hem een blijde boodschap was omdat het gezien moest worden als een daad van liefde van God voor de mens. Voor Irenaeus stond de hemelpoort wagenwijd open voor degenen die geloven in de genade van God, de onverdiende gunst ofwel de welwillendheid of vergeving van God.

Augustinus echter hield de hemelpoort gesloten met de groots mogelijke somberheid over de mogelijkheid voor de mens om ervoor te zorgen alsnog toegang te krijgen. Slechts enkele uitverkorenen zullen worden gered. Het besluit voor de redding van enkelen is door God al aan het begin der tijden genomen en daar valt voor een mens niets meer aan te veranderen. Augustinus beschouwde de mens door en door zondig en niet in staat ook maar één daad te verrichten die niet zondig is.

  Hoewel deze opvatting in de loop van de tijd werd afgezwakt, vormen ze nog steeds de grondslag van vele christenen, met name voor de volgelingen van Calvijn en Luther: de protestanten. Een uitspraak van Calvijn is:

 

‘De mens onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.’

 

Het is duidelijk dat de opvattingen van Augustinus frontaal botste met de opvattingen van Pelagius omdat hij beweerde dat de mens een vrije wil zou hebben en met goede daden invloed zou kunnen uitoefenen op ‘Gods eeuwige genadebesluiten’. Voor Augustinus is de mens daarentegen voor zijn verlossing volledig afhankelijk van Gods onverdiende genade.

 

Vóór Pelagius had Augustinus al afgerekend met de christelijke donatisten die fel gekant waren tegen ‘het heilige verbond tussen de Kerk en de Romeinse staat’. Zij vonden het verkeerd dat de Kerk de wereldlijke macht te hulp riep voor het oplossen van kerkelijke verschillen. Bovendien geloofde zijn in de vrije wil van de mensen.

Augustinus slaagde erin dat het bestuur van Carthago een wet uitvaardigde waarin van niet-katholieke christenen de burgerrechten werden ontnomen, ze ontslagen werden uit openbare ambten, er een verbod op vrije meningsuiting gold, donatistische bisschoppen werden verbannen en er gebruik gemaakt mocht worden van fysiek geweld. Augustinus schreef over deze maatregelen:

 

‘Dat mag gedaan worden op aanwijzing van het gezag van God, die zonder twijfel weet wie gedood dient te worden’.

 

Tot zijn spijt moest Augustinus constateren dat veel christenen, evenals de heidenen, zo verhard waren in het kwaad, dat ze ‘alleen nog maar reageren uit angst’. Angst was daarom een gerechtvaardigd middel om mensen te dwingen christen te worden.

De term ‘heidenen’ is een term die voor het eerst in de vierde eeuw door vroege christenen werd gebruikt voor mensen in het Romeinse Rijk die polytheïsme, het geloof in en de verering van meerdere goden beoefenden, ofwel religies van volken anders dan het christendom, het jodendom en de islam.

 

Na de confrontatie met de donatisten kwam de confrontatie met Pelagius die de overdracht van de erfzonde van Adam en Eva op alle andere mensen ontkende. Hij was van mening dat we niet zondigen door een gebrek van de menselijke natuur, maar vrijwillig. Morele en spirituele groei wordt bepaald door een vrije keuze tussen goed en kwaad. Pelagius geloofde wel in genade, maar zag die als de liefde van God, uitgestort in de harten van mensen.

 

Verontrust over de toenemende populariteit van Pelagius liet Augustinus in Jerusalem een synode bijeenroepen waar hij zelf niet bij aanwezig was, maar wel enkele afgevaardigden. Op die synode werd Pelagius streng ondervraagd, maar zijn logica werd als overtuigend ervaren en zijn opvattingen werden niet veroordeeld, wat de woede opwekte van Augustinus, die daarom een nieuwe synode bij elkaar riep. Maar Pelagius had opnieuw geen moeite om de verzamelde bisschoppen te overtuigen van de christelijkheid van zijn standpunten. Hij werd opnieuw vrijgesproken van ketterij. Augustinus blijf echter bij zijn standpunt dat de opvattingen van Pelagius ingingen tegen de christelijke leer en organiseerde een synode van Afrikaanse bisschoppen in zijn eigen thuisland in Noord-Afrika, waar de leer van Pelagius fel werd veroordeeld omdat hij de betekenis van de doop zou hebben ontkend, omdat hij niet kon geloven dat ongedoopte kinderen uitgesloten zouden worden van Gods genade en geen toegang hadden tot het hemelrijk, omdat dit niet overeenkwam met Gods liefde en barmhartigheid. Hij besluit van de synode werd opgestuurd naar de paus Innocentius I, met als argument dat de katholieke kerk anders haar autoriteit zou verliezen ‘als de enige macht die de mens kon bevrijden van zichzelf’.

De paus besloot op grond van wat hem was medegedeeld alle pelagianen te excommuniceren, tenzij ze van mening veranderden.

Excommuniceren houdt in dat geëxcommuniceerde geen deel meer uitmaakt van de Kerk en wordt uitgesloten van deelname aan de sacramenten van het doopsel, vormsel, boete en verzoening, de ziekenzalving, wijdingen en huwelijk en van de liturgie van de Kerk.

 

Maar evenals Augustinus gaf Pelagius de strijd om het gelijk niet op. Na de dood van Innocentius I stuurde Pelagius een boek met zijn gedachten over de vrije wil van de mens en andere opvattingen op naar zijn opvolger, paus Zosimus. Deze was zeer onder de indruk van de opvattingen van Pelagius en liet de Afrikaanse bisschoppen per brief weten dat hij de opvattingen van Pelagius in overeenstemming vond met de christelijke leer. De brief werd met verontwaardiging in Afrika ontvangen, waar men besloot andere middelen aan te wenden. Augustinus stuurde een delegatie onder leiding van zijn vriend, bisschop Alypius, naar de Romeinse keizer Honorius en schonk hem tachtig Numibische paarden. Honorius verklaarde vervolgens de leer van Pelagius als ketterij en beval de excommunicatie van Pelagius en zijn aanhangers. Keizer Honorius zetten paus Zosimus onder druk door te dreigen dat zijn soldaten Rome zouden plunderen als hij Pelagius niet veroordeelde. Zosimus bezweek onder deze druk veroordeelde in 418 Pelagius officieel en wel via een decreet, een officiële, bindende verordening.

Omdat de veroordeling aanvankelijk geen effect had, werd een aanvullend decreet uitgevaardigd met de verbeurdverklaring van alle bezittingen van de pelagianen. Omdat de aanklager deelde in de opbrengst van de verbeurdverklaarde goederen, ging die rigoureus te werk en werd sindsdien niets meer van Pelagius vernomen.

 

Deze gebeurtenissen worden hier redelijk uitgebreid beschreven omdat Augustinus met zijn handelswijze een band smeedde tussen de Kerk en de bestuurder van een staat door te lobbyen met de kerkelijke belangen bij de wereldlijke macht.

Nadat keizer Constantijn het Christendom had erkend, was dit een beslissende gebeurtenis, waarbij het een radicale minderheid onder de christenen lukte om zijn wil op te leggen aan andersdenkenden, door steun te zoeken bij de wereldlijke macht, wat een eeuwenlang een patroon zou worden binnen de Kerk en waar onder andere de Katharen mee te maken zouden krijgen.

Het verontrustende aan dit patroon is dat het gebaseerd is op een negatief mensbeeld, namelijk dat de mens zondig is en dat dit de macht van kerk en staat rechtvaardigt. De zondige, nietige mens heeft immers een sterke hand nodig ten behoeve van zijn eigen zielenheil, wat een verbond tussen kerk en staat rechtvaardigt, omdat het in belang is van de onderdrukten zelf.

Het is een model van ultieme onderdrukking omdat het gebaseerd is op angst, namelijk dat ongehoorzaamheid aan de machtigen leidt tot de straf van eeuwige uitsluiting uit de hemel en dat alleen gehoorzaamheid aan de machthebbers een eeuwig leven in de hemel mogelijk maakt.

 

Het voorafgaande laat zien hoe de leer van Kerk gestalte kreeg door de bemoeienis van een aantal wereldlijke en kerkelijke machthebbers, en wel in een richting die sterk afwijkt van de richting die werd aangegeven in de uitspraken en leer van liefde van Jezus, zoals we die kennen uit gnostische opvattingen over liefde en vrijheid van groeperingen als de donatisten en Katharen en die deel uitmaken van het gedachtengoed van de gnostiek.  


4. Over de gnostiek en de rol van verhalen.

 

In de voorafgaande hoofdstukken is het gedachtegoed van de gnostiek in grote lijnen aan de orde gekomen. Omdat de gnostiek gezien wordt als het oorspronkelijke christelijk gedachtengoed dat gebaseerd is op liefde en vrijheid en haaks staat op de opvatting dat andersdenkende beschouwd moeten worden als vijanden en daarom bestreden moeten worden, is het van belang de opvattingen van de gnostiek nader te onderzoeken, om inzicht te krijgen in wat ze zou kunnen betekenen voor ons denken en handelen in de huidige tijd, waarin het vijanddenken de wereld beheerst en de gnostische waarden van liefde/betrokkenheid en vrijheid met voeten worden getreden.

 

Vanuit de voorafgaande hoofdstukken kunnen we de betekenis en de hoofdgedachten van gnostiek als volgt samenvatten:

 

  • Het begrip gnostiek stamt af van het Griekse ‘Gnosis’ (γνῶσις) dat ‘inzicht/kennis’ betekent. In de Gnostiek staat het verwerven van inzicht in de oorsprong van de mens, zijn huidige situatie en zijn bestemming centraal.
  • De mens is afkomstig uit de goddelijke wereld en heeft een goddelijke kern, waarvan de meeste mensen zich niet bewust zijn. Die kern is verstrikt, gevangen geraakt in de materie. Het gnostisch denken helpt om ons weer in staat te stellen ons weer met die goddelijke vonk te verbinden.
  • Een kernthema van de gnostiek is dat we als mens van onszelf vervreemd kunnen raken. We kunnen onszelf kwijtgeraakt, verdwalen, waardoor we het contact met onze innerlijke wereld, de gnosis, verliezen en leven als slaven van onpersoonlijke machten.
  • Door ons weer te verbinden met ons ware zelf, ons onze oorspronkelijke goddelijke aard weer te herinneren, wakker te worden, te genezen van blindheid, kunnen we verlost worden uit onze vervreemding, verdwaling.
  • Als we die verbinding met onszelf hebben hersteld, beschikken we over gnosis, een persoonlijk weten van wat liefde is en verwerven we inzicht in onze oorsprong, onze huidige situatie en bestemming.
  • Gnostici vinden dat mensen alleen zichzelf kunnen redden en wel door ‘hun eigen weten’ wakker te maken. Dat ‘weten’ ligt besloten in onze goddelijke kern. Alleen vanuit die kern kunnen we leren ‘weten’ en niet vanuit opgelegde inzichten van buiten.
  • Daarom moeten we ons innerlijk vrijmaken van alle morele slavernij. Alleen wie zich vrij gemaakt heeft van uiterlijke morele dwang, kan de gnosis in zichzelf ontdekken, kan de goddelijke bron van liefde vinden en zijn leven vanuit liefde leven. En liefde kan alleen bloeien in vrijheid. Vrijheid is de essentie van de verbinding met God. God is louter geest en volkomen vrij. De vrijheid van geest is wat de mens gemeen heeft en hem verbindt met God en om die eenheid met God in volheid te realiseren, moet je volkomen vrij zijn.
  • Het verwerven van inzicht in onze oorsprong, onze huidige situatie en bestemming betekent dat naast liefde/betrokkenheid en vrijheid ook bewustzijn een essentiële rol speelt in het gnostisch denken en handelen. De gnostiek spoort mensen aan om ‘zichzelf te herinneren’ als een wezen met een goddelijke kern dat diep van binnen weet wat zijn uiteindelijke bestemming is en de weg daarnaartoe.
  • ‘De opstanding uit de dood’ van Jezus is volgens gnostici geen verrijzenis uit de lichamelijke dood, maar eens spiritueel proces: jezelf herinneren als een vrij mens, die op eigen kracht in staat is tot liefde/betrokkenheid. En wie zichzelf herinnert, zal niet alleen weten wie hij echt is, maar ook zijn bestemming kennen.
  • Gnostici stellen een absoluut kwaad tegenover een absoluut goed, twee zaken die niet met elkaar verenigd kunnen worden. Daarom worden gnostici ‘dualisten’ genoemd. Voor gnostici betekent dat dat hij kan kiezen uit twee ‘werelden’: ‘het rijk van het kwaad’ dat geregeerd wordt door angst of ‘het koninkrijk’ dat gedragen wordt door liefde/betrokkenheid, waarbij niet het geloof maar onze daden bepalen tot welke wereld we behoren.
  • Liefde en angst zijn elkaars tegenpolen, zoals goed en kwaad. Angst leidt tot afstand nemen omdat we ons bedreigt of onzeker voelen, terwijl liefde verbinding en betrokkenheid zoekt. Wie zich laat leiden door angst, loop het gevaar terecht te komen in een wereld van geweld en onderdrukking, want angst leidt tot ‘verweer’. Wie zich laat leiden door het innerlijk weten van liefde, kan meewerken aan een wereld waarin verbondenheid, vrede en gerechtigheid heerst.

 

Elke cultuur, dus ook elke christelijke cultuur, wordt gekenmerkt door verhalen, waarin de opvattingen en waarden van een cultuur zijn vastgelegd. Een cultuur omschreven kan worden als het geheel van gedeelde normen, waarden, gewoonten, tradities, taal, kunst en symbolen van een groep mensen, dat hun manier van leven en denken bepaalt. De verhalen van een cultuur geven het leven richting en zijn bedoeld om dat wat er wordt gedacht en mensen beweegt vast te leggen, uit te drukken en uit te dragen.

 

In de vorige hoofdstukken speelden verhalen uit het Oude en Nieuwe Testament een belangrijke rol in de discussie over de juistheid van bepaalde christelijke opvattingen. Deze verhalen en de verschillende interpretatie ervan hebben geleid een diversiteit aan christelijke stromingen, waaronder de gnostiek, waarvan de hoofdgedachten hierboven zijn weergegeven.

 

Verhalen worden, zoals gezegd, van oudsher onder andere verteld en opgeschreven om bepaalde gedachten en opvattingen duidelijk en invoelbaar te maken, zoals dat bijvoorbeeld het geval is bij sprookjes.  

Bram Moerland verteld in zijn boek ‘Gnosis en gnostiek’ hoe het verhaal van Hans en Grietje gebruikt kan worden om het proces van het bereiken van volwassenheid uit te drukken, zoals dat door de existentiefilosoof Karl Jaspers wordt uiteengezet:

Een kind voelt zich aanvankelijk geborgen in de zorg van de ouders, maar als het het ouderlijk huis verlaat, dreigt het die geborgenheid te verliezen, wat een angstig en onzeker gevoel veroorzaakt. Veel jongvolwassene proberen een nieuwe geborgenheid te vinden in een of andere ideologische droom, een krachtig, vaak utopisch toekomstbeeld gebaseerd op specifieke politieke of maatschappelijke waarden. Dat mislukt volgens Jaspers omdat het leven zich niet in een droom van geluk laat persen. De ideologie wordt een gevangenis en je loopt het gevaar je eigen identiteit te verliezen, wat weer leidt tot nieuwe angsten en onzekerheid. Het daaraan ontsnappen kun je alleen op eigen kracht. Niemand kan dat voor je doen, wat het geval is bij alles waar je aan vast zit. Wie dat lukt, zal de verloren geborgenheid in zichzelf kunnen hervinden en echt volwassen kunnen worden door de omslag te maken van een geborgenheid die gevonden wordt ‘van buiten’ naar een verbondenheid met en een geborgenheid in zichzelf.

 

Hans en Grietje worden in het sprookje achtergelaten in een groot en donker bos en verliezen hun geborgenheid. In het koekhuisje van de heks zien we de verlokking van de ideologie, in de dreiging opgegeten te worden door de heks het verlies van de persoonlijke identiteit en in het ontsnappen aan de heks de bevrijding uit de ideologische gevangenschap.

 

Een kind aan wie het verhaal van Hans en Grietje wordt verteld, zal het deze uitleg er niet in zien, maar weet toch waar het verhaal over gaat en wel vanwege de emotionele ontroering die het verhaal oproept en wel die van het zich verloren voelen, van het vinden van iets boeiends, van angst, van moed om in bedreigende situaties iets te doen, van bevrijding en van de ervaring dat uiteindelijk alles goed kan komen. Het verhaal van Hans en Grietje bereid de ziel van het kind voor op het latere leven als volwassene, om met levenssituaties om te kunnen gaan.

Het verhaal van Hans en Grietje heeft zeer waarschijnlijk niet echt plaatsgevonden, maar is rond 1812 opgeschreven door de Duitse broers Jacob en Wilhelm Grimm en is gebaseerd op een oudere volksvertelling. 

 

Bepaalde opvattingen en processen worden van oudsher vormgegeven, verbeeld in verhalen omdat ze zo invoelbaar worden gemaakt. En dat is belangrijk omdat we onszelf en de wereld door onze emotionele reacties op verhalen leren kennen en een eigen zienswijze en moraal ontwikkelen, omdat we door verhalen ontdekken wat we wel of niet prettig vinden, wat we als slecht en goed ervaren, mooi of lelijk, wat ons wel of niet aanspreekt.

 

We vertellen niet zomaar een verhaal, we willen ermee uitdrukken wat ons beweegt, wat er in ons omgaat. Onze reacties op wat ons beweegt, wat we ervaren bij gebeurtenissen in ons leven leiden tot bepaalde opvattingen en vervolgens tot een bepaald gedrag. Daarnaast beïnvloeden, ‘bewegen’ we anderen met wat we via onze verhalen delen en beïnvloeden we dus ook de cultuur waarin we leven. Verhalen zijn zo gezien een belangrijk sturingsmechanisme in ons persoonlijk en maatschappelijke leven.

 

Het probleem met verhalen is dat ze tijd- en persoonsgebonden zijn. Het zijn mensen die verhalen schrijven en vertellen als uitdrukking of interpretatie van wat ze gezien, ontdekt of meegemaakt hebben, of wat vanuit hun inbeeldingsvermogen of fantasie in hen is opgekomen. Als dit laatste het geval is, is het duidelijk een fictief verhaal. Maar ook verhalen die voortkomen uit de beschrijving van wat er zich werkelijk heeft afgespeeld zijn nooit helemaal objectief, omdat ze altijd gekleurd zijn door de bril van de waarnemer, wat mooi verwoord is door Henri Cueco in zijn boek ‘Gesprekken met mijn tuinman’:

 

‘Mensen die geschiedenis schrijven zijn het nooit met elkaar eens, en toch is het echt gebeurd. Over één ding dat maar één keer is gebeurd, vertellen ze wel honderd verschillende verhalen. Ze schrijven er boeken over. De mensen die erbij waren zagen niet allemaal hetzelfde. Zelfs met de televisie weet je niet echt wat er is gebeurd, en zelfs wanneer je erbij bent zie je het niet goed, of je ziet niet alles, of je ziet alleen wat je kan of wil zien.’

 

Naast deze subjectivering van de werkelijkheid door verhalen, kunnen we uit eigen ervaring weten dat verhalen die doorverteld worden gewild en ongewild worden gekleurd door eigen opvattingen en interpretaties van ‘de doorvertellers’, waardoor verhalen zowel qua vorm en inhoud in de loop van de tijd veranderen. Verhalen laten dan ook de cultuur zien van een bepaalde periode, land of volk en hoe deze cultuur zich door de tijd ontwikkelt, evolueert.

 

Hoe verhalen invloed kunnen hebben op de ontwikkeling van culturen, wordt onder ander duidelijk in de revolutie die er binnen het buurland van de Joden, Babylonie, plaatsvond. Daar heerste aanvankelijk een stammencultuur, waarin het individu eigenlijk niet bestond, maar lid was de stam, de stam alles bepaalde en ook wraak nam als een lid van de stam iets werd aangedaan en wel vanuit de opvatting dat als iemand uit de stam iets werd aangedaan, de stam als geheel iets werd aangedaan. Deze stammencultuur met bloedwraak maakte plaats voor een rechtstaat met individuele verantwoordelijkheid. De toenmalige koning van Babylonië, Hammurabi, stelde de individuele verantwoordelijkheid van de mens in plaats van de collectieve verantwoordelijkheid van de stam. De onderlinge bloedwraak tussen stammen werd vervangen door rechtspraak namens de koning. Hij stelde rechters aan die mensen beoordeelden naar hun daden aan de hand van zijn wetboek.

 

De opvattingen van Hammurabi waren gebaseerd op ‘het zondvloedverhaal’ dat al was geschreven vóór zijn tijd en later werd opgenomen in het Oude Testament en waarin werd beschreven dat God vertoornd was over de zonde van de mensheid en hij daarom de hele mensheid liet omkomen in een zondvloed, met uitzondering van Noach. Deze werd vooraf gewaarschuwd en bouwde een groot schip waarin hij zijn gezin en van elke soort dieren een exemplaar meenam. Na het zakken van het water bevolkte hij zo opnieuw de aarde.

De Babylonische versie verschilt echter van de Bijbelse versie. De Babylonische versie eindigt namelijk met het verwijt aan de god van de wraak die de zondvloed veroorzaakte, namelijk waarom alle mensen werden gestraft, terwijl ze niet allemaal schuldig waren. Dat verwijt wordt uitgesproken door Ishtar, de Babylonische god van de liefde. Zij sluit haar verwijt als volgt af: ‘Ieder mens zijn eigen zonde’, wat wil zeggen dat schuld een individuele zaak is en straffen individueel dienen toegediend te worden. Zo leidde Babylonische versie van het zondvloedverhaal in Babylonië tot het nieuwe bewustzijn van individuele verantwoordelijkheid.

 

Opmerkelijk is dat het verwijt van Ishtar niet in de Bijbelse versie werd opgenomen. Het past echter wel in de algemene gang van zaken dat verhalen in de loop van de tijd worden aangepast of weggemoffeld als ze niet passen in de opvattingen van mensen. En zo gebeurde dat ook toen het Joodse volk, nadat het was verbannen naar Babylonië, terugkeerde naar hun eigen land en het Oude Testament werd geschreven als een verzameling van verhalen die veelal waren overgenomen uit Babylonië en andere culturen. Zo komt het zondvloedverhaal van Noach uit het Babylonische Gilgamesjverhaal. Het verhaal van Jozef in Egypte is van oorsprong een Egyptisch verhaal en de tien geboden en nagenoeg alle andere wetten in het Oude Testament zijn ontleend aan Hammurabi. De verhalen die werden opgenomen in het Oude Testament moesten uitdrukking geven aan de toen geldende Joodse geloofsopvattingen. Aan de verschillende verhalen werden verbindende teksten en commentaren toegevoegd. Vele verhalen uit het Oude Testament zijn dus niet oorspronkelijk joods, ze bestonden al voordat ze in een raamwerk werden geplaatst dat de geschiedenis van het Joodse volk moest beschrijven. Het Oude Testament is dus geen geschiedenisboek en ook niet ‘Gods woord’, maar een groot verhaal dat de waarden van de toenmalige Joodse cultuur weergeeft.

 

Het Joodse volk kwam tijdens hun ballingschap in Babylonië niet alleen gedachtewereld van Hammurabi tegen, maar zeker ook de leer van Iraanse profeet Zarathustra. Zijn kernboodschap was dat elk mens een eigen moreel besef heeft, een innerlijk weten van goed en kwaad. Zarathustra plaats daarmee de keus voor goed en kwaad geheel bij de individuele mens. Maar de mens kan dat weten ook inlossen voor een morele slavernij aan allerlei ideologieën. Deze opvattingen zijn ook terug te vinden in de leer van Jezus en die van de gnostiek. Ook de opvatting dat ieder mens een goddelijke kern in zich draagt komen we bij Zarathustra tegen.

De god van Zarathustra plantte een vonk van hemzelf in de mens. Als de mens handelt in overeenstemming met de kennis van goed en kwaad en de goddelijke liefde die in hem aanwezig is, verbindt hij zijn eigen wil met die van God.

De opvattingen van Zarathustra werden door de Joden met afschuw bekeken. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ze, toen ze het Oude Testament samenstelden, het eerste boek lieten beginnen met een aanval op de leer van Zarathustra en wel op het feit dat elk mens innerlijk weet wat goed en slecht is en dus een eigen moreel besef heeft. Wat goed en slecht was werd naar hun mening bepaald door Jahweh en alleen hij oordeelde hierover.

Jezus gaf echter de morele macht over het eigen leven weer terug aan de individuele mens, overeenkomstig de leer van Zarathustra. Maar het merendeel van de christelijke stromingen volgde de Oudtestamentische opvattingen. Maar nu de macht van de kerkelijke instituties afneemt, komen de ideeën van Zurathustra en Jezus vanzelf weer boven.

 

Ook in de geschiedenis van het Oude Griekenland zien we bovenstaande strijd tussen de opvattingen over wie de morele macht heeft over de mens. Eerst was er de opvatting dat de goden het lot van de mensen bepaalden. Als mensen iets wilden bereiken, moesten ze daar de goden nederig om smeken. Maar geleidelijk ontstond de opvatting dat dat mensen hun lot zelf in handen kunnen nemen. Niet de goden bepalen het lot van de mensen, maar de mens is vrij om dat zelf te doen.

De Griekse heldenverhalen, zoals die van Odysseus, laten zien dat de mens meester kan zijn over zijn eigen lot, als hij maar zijn verstand gebruikt en op zijn eigen kracht vertrouwt. Dit leidde tot een nieuw idee van vrijheid: het recht van de mens om zijn eigen leven volgens zijn eigen opvattingen vorm te geven. Dit leidt weer tot een nieuwe sociale ordening: een samenleving van vrije mensen en de democratie. Het bestaansrecht van de staat wordt de verdediging van de vrijheid van de individuele mens.

Ook in de gnostiek kennen we deze vrijheid van de mens om zichzelf te scheppen. Helaas kiest de Kerk na de dood van Jezus voor het tegendeel. De mens is machteloos en alleen het geloof kan hem redden.

 

Uit het bovenstaande blijkt dat geloofsopvattingen menselijke opvattingen zijn, gebaseerd op verhalen die voortdurend worden aangepast aan eigen opvattingen. Verhalen waarvan wordt beweerd dat ze ‘van God komen’ en ‘Gods woord’ zijn, zijn in werkelijkheid altijd ‘menselijke verhalen’ omdat ze, ook al zouden ze Gods woord zijn, altijd gekleurd worden door onze persoonlijke opvattingen en interpretaties. Het is dan ook onjuist als mensen beweren dat een religie gebaseerd is op ‘Gods woord’ en daarom dé waarheid kent en verkondigt.

 

Hoe verhalen tot Gods woord worden gemaakt is te illustreren aan de hand van het verhaal van de tien geboden die Mozes zou hebben ontvangen van God, met als toegevoegde boodschap dat het goed zou gaan met wie zich aan de door God gegeven wetten houdt en slecht met wie dat niet doet.

Uit historisch onderzoek blijkt dat de geboden uit het Oude Testament reeds vermeld stonden in de wetten van koning Hammurabi van Babylonië. Ze werden door de Joden meegenomen uit hun Babylonische gevangenschap, aangepast aan de plaatselijke omstandigheden en gepresenteerd als door Jahweh aan Mozes gegeven. Echter met één groot verschil. Hammurabi benoemt zichzelf als wetgever en opperrechter en Mozes presenteert de god Jahweh als wetgever en opperrechter naar het voorbeeld van Hammurabi. Jahweh oordeelt als een rechter over mensen en straft en beloont hen en ontwikkelt zich in de loop van het Oude Testament als ‘een god der wrake’. Wie goed doet krijgt voorspoed, wie slecht doet krijgt rampspoed. Een steeds terugkerende tekst in het Oude Testament is dat Jahweh het Joodse volk ongenadig zal straffen als het zijn geboden niet navolgt.

Hammurabi schiep een nieuwe sociale orde, de schrijvers van het Oude Testament vertaalde deze rechtsorde in een religieus concept waarin de wereldlijke rechter van Hammurabi de oordelende en bestraffende god Jaweh werd, die door de latere gnostici niet werd aanvaard omdat die god volgens hen dwars staat op de God zoals die door Jezus werd voorgesteld: een god van liefde, vrijheid, verdraagzaamheid en barmhartigheid.

 

Het subjectiviteitskarakter van verhalen vraagt dat we zowel onze eigen verhalen en die van anderen kritisch moeten bekijken, nagaan in hoeverre ze op waarheid berusten én of ze, vanuit de gnostische dualiteitsgedachte, deel uitmaken van ‘het rijk van het kwaad’ of van ‘het koninkrijk’, en of ze, vanuit de Taoïstische visie, deel uitmaken van ‘de goede of de slechte weg’.

 

We worden geboren met een verlangen om aan het leven betekenis te geven, zin. We kunnen die betekenis ‘van buiten’ halen, wat de gemakkelijkste weg is, maar kunnen die ook zelf scheppen, wat volgens gnostische opvattingen de bedoeling is. Als we dat doen, worden we de auteur van ons eigen levensverhaal en kunnen we daar in alle vrijheid onze eigen rol in spelen. Dat is waarom vrijheid een kernpunt is van het gnostisch denken.

Als we ‘het verhaal van God’ of andere ideologische verhalen kritiekloos tot ons nemen, plaatsen we de zin van het bestaan buiten onszelf. Daarmee snijden we ons af van de bron van zingeving die in onszelf ligt en wel in onze verbinding met ‘Al wat is’, wat we God noemen.

 

Een ideologie is een samenhangend stelsel van ideeën, normen en waarden over de inrichting van de mens en de samenleving. Grote ideologische verhalen kunnen ontstaan door een geniale verteller en een collectieve bijval. Een groot verhaal slaat alleen aan bij grote groepen mensen als het aansluit bij de authentieke levenservaring van de mensen die het aanhoren. En omdat mensen en ‘het leven’ zich steeds verder ontwikkelen, moeten goede verhalen zich ook ontwikkelen, zodat mensen ze kunnen ervaren als stimulans in het proces van hun persoonlijke en maatschappelijk ontwikkeling.

Fundamentalisme ofwel strikte, vaak radicale interpretatie van religieuze of ideologische verhalen, waarbij ‘heilige’ teksten van bijvoorbeeld de Bijbel, Koran of Marx letterlijk worden genomen, betekent dan ook de weg naar de uiteindelijke dood van grote verhalen, het worden koude verhalen die mensen niet meer raken.

 

Op onze zoektocht naar geborgenheid en zingeving kunnen we gemakkelijk in de ban raken van verhalen van bepaalde ideologieën, erdoor gevangen raken en onze eigen identiteit verliezen. Vooral ideologieën die inspelen op onze onderbuikgevoelens en makkelijke oplossingen bieden voor complexe problemen, trekken als de rattenvanger van Hamelen gemakkelijk veel volgers. Door ons met een dergelijke ideologie te verbinden, leggen we het stuur van ons leven in handen van anderen en denken dat we dan zelf niets meer hoeven te doen, want anderen doen het toch voor ons. We beseffen dan niet alleen dat we zelf ook iets kúnnen doen, maar ook moéten doen omdat we zelf verantwoordelijk zijn voor ons eigen leven.

 

We geven niet alleen gemakkelijke ons levensstuur over aan politieke maar ook aan religieuze ideologieën omdat dat de meest gemakkelijke weg is. Ze wijzen ons een duidelijke weg naar ‘de hemel’ en wij hoeven die alleen maar te volgen. Zo leren we echter niet het zoeken van onze eigen weg vanuit onze eigen dromen en onze specifieke capaciteiten, maar volgen we slaafs wat anderen voor ons hebben uitgestippeld. Zo verliezen we onze vrijheid als voorwaarde is om te kunnen groeien als persoon en maatschappij.

In de gnostiek wordt de morele slavernij, het ons afhankelijk maken van een ideologie, voorgesteld als een ziekte. Jezus geneest mensen van die ziekte. De verhalen dat Jezus lichamelijk zieken genas staan symbolische voor het herstel uit de ziekte van de morele slavernij.

 

Als we gevangen zitten in een ideologie, kunnen we daar uit ontsnappen door terug te keren naar wat ons primair beweegt vanuit een houding van liefde/betrokkenheid en vrijheid. Als we bijvoorbeeld als christen of marxist terugkeren naar de oorspronkelijke bewogenheid die eraan ten grondslag ligt en deze herkennen er erkennen, zullen we ontdekken dat wat ons eerst leek te scheiden, ons verbindt, namelijk liefde en betrokkenheid bij mensen en hun drang naar vrijheid. Zowel in de oorspronkelijke leer van Jezus als van Marx staat welzijn en vrijheid van mensen centraal.

In de strijd tussen Joden en Palestijnen voelden een Joodse en Palestijnse vrouw die beide een kind hadden verloren in de onderlinge strijd, zich met elkaar verbonden door het gemeenschappelijke verdriet over dit verlies. In hun gemeenschappelijke bewogenheid voelden ze zich verbonden, ondanks de ideologische tegenstellingen waarin ze in hun leven waren terechtgekomen. Wat ons verbindt schept kracht en vrijheid, wat ons scheidt brengt gevangenschap en angst.  

 

Grote verhalen kunnen alleen bijdragen aan onze ontwikkeling en dus blijven bestaan als ze ons raken in onze eigen diepe ervaring van liefde/betrokkenheid en vrijheid. Gnostische verhalen kregen dan ook erkenning bij groepen als de Katharen, omdat ze erin herkenden van wat er diep in henzelf leefde. De belangstelling voor de gnostiek in onze tijd groeit omdat mensen steeds meer ‘verinnerlijken’ en daar hun verbondenheid met allen en alles ontdekken, ondanks of misschien wel omdat de kapitalistische cultuur ons steeds meer ‘naar buiten’ trekt en concurrentje en verdeeldheid die het zaait als onbevredigend worden ervaren.

 

De weg naar verinnerlijking, het ontdekken wat er diep in ons leeft is echter geen gemakkelijke weg. Ontdekken vereist zoeken en zoeken vereist het stellen van vragen. En daarom hebben we het stellen van vragen als een oerdrang meegekregen. Kinderen stellen voortdurend wat-, wie-, wanneer-, waarom-, waar- en waardoorvragen vanuit een natuurlijke nieuwsgierigheid die voortkomt uit de basale drang van alle leven, namelijk groei en ontwikkeling. Het zijn vragen die kinderen stellen vanuit de aangeboren behoefte om de wereld en zichzelf te leren kennen en vat te krijgen op het dagelijkse leven, zich er veilig in te voelen en er hun weg in te vinden.

Naarmate ze door al die vragen zichzelf en de wereld om zich heen ontdekken, gaan ze ook ontdekken dat ze een onderdeel zijn van die wereld en alles wat daarin gebeurt en dat ze daar een bepaalde rol in spelen en invloed kunnen uitoefenen op hun eigen leven en op wat er om hen heen gebeurt.

Zo ontdekken en ontwikkelen ze zich als een individu met specifieke karaktertrekken, capaciteiten en dromen en kunnen ze vanuit vrijheid kiezen welke rol ze daarmee willen spelen op het wereldtoneel en wel vanuit het gegeven dat we als mensen het leven alleen als zinvol en gelukkig kunnen ervaren als we ons als persoon kunnen ontwikkelen en het gevoel hebben een waardevolle bijdrage te leveren aan het functioneren van onze omgeving, zoals we ons in een groep alleen thuis kunnen voelen en worden gewaardeerd als we als persoon door onze eigen manier van zijn er een positieve rol in spelen.

 

Dit ingewikkelde proces vereist voortdurend het stellen van wat-, wie-, wanneer-, waarom-, waar- en waardoorvragen, waarop we, om ons als persoon te ontwikkelen tot een autonoom en authentiek iemand, eigen antwoorden moeten zoeken en vinden.

 

Helaas verliezen we vaak onze aangeboren nieuwsgierigheid en stellen we na verloop van tijd de kindervragen niet meer, opgeslokt en meegevoerd door de sleur van alledag en de grote hoeveel opvattingen die, zonder dat we een vraag hebben gesteld, dagelijks via sociale media bij ons binnenkomen en die ons, mooi en slim verpakt, laten weten  wat we moeten doen en laten om een gelukkig leven te leiden, verpakt in algoritmes die erop gericht zijn om een pril gevormde eigen mening of een ‘modemening’ alsmaar te bevestigen, in plaats van deze via een diversiteit aan opvattingen kritisch te bevragen om ons zo te dwingen een gegronde persoonlijke mening te vormen.

 

Het is gemakkelijker om kant en klaar maaltijden te kopen dan zelf te koken. Het gemakkelijker om een werkstuk of scriptie te schrijven met behulp van AI dan deze zelf te schrijven. Het is makkelijker om de mening van anderen over te nemen in plaats van deze zelf te vormen. Maar we ontwikkelen op deze manier niet onze eigen kookkunst, niet een eigen manier van denken en formuleren en niet het vormen van een eigen mening. We worden er lui en gemakzuchtig door, terwijl groei en ontwikkeling inspanning en doorzettingsvermogen vraagt, zoals dat geldt voor sporters, studenten en alle mensen die iets willen bereiken in een vak of beroep.

Ook het stellen van vragen en het zoeken naar antwoorden vereist inspanning en doorzettingsvermogen en is een voorwaarde voor onze persoonlijke groei en ontwikkeling, omdat we daardoor zicht krijgen wie we zelf zijn, wat onze capaciteiten zijn die om ontwikkeling vragen en wat onze dromen zijn die vragen om gerealiseerd te worden, waardoor we ons kunnen ontwikkelen als persoon en daarmee een persoonlijke bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van de gemeenschap en maatschappij, wat, zoals eerder gezegd, de enige manier is voor een zinvol en gelukkig leven.

 

Het ontwikkelen van onze eigen identiteit en vrijheid vraagt om het maken van ons eigen verhaal, dat niet star is maar dat, net als onze levensweg, zich alsmaar ontwikkelt op basis van onze ervaringen en veranderende inzichten. Verhalen met ervaringen en inzichten van anderen kunnen daar een rol in spelen, maar mogen we niet zomaar aannemen en kritiekloos verder te vertellen. Laten we de woorden ervan op onze tong leggen en ze proeven om niet alleen te ontdekken wat er onder onze primaire reacties, die vaak onderbuikgevoelens zijn, aan diepere gevoelens verscholen ligt, maar ook om te kijken of verhalen aansluiten bij ons persoonlijk verhaal en of we ons verhaal misschien moeten bijstellen of aanvullen.

 

Het belang van het maken en hebben van een eigen verhaal wordt ook aangegeven in de uitdrukking ‘Op verhaal komen’. Het houdt in dat we na een drukke of emotionele periode weer tot rust, tot onszelf willen komen, omdat zo’n periode ons wegtrekt van dat wat diep in onszelf leeft. We zijn door zo’n drukke periode te lang naar buiten gericht geweest en dat vraagt weer om verinnerlijking, terugkeren naar ons diepste zelf, naar de bron van onze persoonlijke levensenergie, inzichten en idealen.

Ook de uitdrukking ‘Je verhaal halen’ houdt verband met ‘je eigen verhaal’, immers je wil aan iemand waarvan je vindt dat hij je onjuist heeft bejegend duidelijk maken wat jij van dat gedrag vindt, hem of haar jouw verhaal vertellen, hem of haar daarmee confronteren.

 

Voor gnostici is het ideale mensentype de pneumaticus: een innerlijk vrij mens, die bereid is geraakt en bewogen te worden in de ziel, in de kern van wat we zijn en wat we gemeenschappelijk hebben met onze schepper.

Het woord pneuma is het oudgriekse Pneuma (πνεῦμα) en betekent adem, lucht, wind, geest, levensadem. Voor gnostici staat pneuma voor de geestelijke vrijheid die de wind verbeeld: hij kan waaien waarheen hij wil.

Pneumatici ervaren de liefde als de bron van alle bewogenheid, omdat verbondenheid met iemand of iets een voorwaarde is om erdoor bewogen te worden. En liefde kan in de ogen van gnostici alleen bloeien in totale openheid voor alles wat er is. En alleen iemand die vrede met zichzelf sluit, de strijd tegen zichzelf en anderen staakt, kan deze openheid bereiken. Dat betekent dat we onszelf moeten ontwapenen, ons pantser moeten afleggen en bereid zijn om geraakt te worden, ook door pijn en verdriet. In de vrije ruimte die dan bestaat krijgt de liefde de ruimte om zich aan te dienen als de bestaansgrond van onszelf en onze medemens. Liefde beweegt en laat zich bewegen en schept zo steeds weer nieuwe verhalen die mensen op hun beurt weer bewegen.

 

Het mensbeeld van de gnostiek bundelt de individuele verantwoordelijkheid van koning Hammurabi, de kennis van goed en kwaad van de profeet Zarathustra, de vrijheid tot zelfbestemming van de Grieken en liefde van Jezus als het fundament en doel van ons menszijn.

 

Tegenover dit bevrijdende mensbeeld staat een benauwende visie waarin de mens zondig is en onmachtig om van zijn zonden bevrijd te worden, maar dat alleen God dat kan doen, met als voorwaarde dat de mens zich onderwerpt aan zijn wetten.  

Gnostici huldigen de opvatting dat de macht die wil onderwerpen alleen succes heeft als mensen in die macht geloven en zich eraan onderwerpen. Mensen zijn van nature niet alleen vrij om te kiezen voor het goede of het kwade, maar ook om zichzelf over te leveren aan onderdrukkende machten en een slaaf te worden.

Illustratief voor de mogelijkheid hiervoor is het antwoord dat de secretaresse van Hitler gaf op de vraag of ze geen medelijden had met de Joden die op bevel van Hitler waren omgebracht. Ze antwoordde:

 

 ‘Maar natuurlijk had ik medelijden met hen, maar ik meende dat ik dat moest opofferen aan een groter ideaal’.

 

De secretaresse had dus kennis van goed en kwaad, maar begaf zich in de morele slavernij van een dienaar van het Kwaad.

Het is gemakkelijk om haar te veroordelen, maar wat doen mensen die de huidige dictators, autocraten en populisten ‘bewusteloos’ volgen, hun kwaadaardige uitspraken en handelswijzen accepteren of wegwuiven met als argument dat ze een of ander algemeen belang dienen?  

 

Niet alleen hebben de gnostiek en de Kerk tegenstelde opvattingen over het mensbeeld, maar ook over de persoon van Jezus als God. In de gnostiek is Jezus geen god maar de brenger van de boodschap dat de mens zichzelf kan verlossen uit de wereld van angst en scheppend in het leven kan staan met als basis liefde.

God is in de visie van gnostici het Zijn dat er was voor alle begin, voor alle tijden en ruimten. Het Zijn is zuiver bewustzijn, het Oerzelf dat geheel met zichzelf samenvalt en als hoofdkenmerken diepte en stilte heeft.

Ook de mens heeft volgens gnostici als schepping van God bewustzijn en kan zich bewust worden van zijn diepste zijn: liefde, de verbondenheid van en met alles en iedereen, en wel door stil te zijn, ‘stil te staan’ bij alles wat we tegenkomen, denken en doen. En als we dat doen, vinden we antwoorden op wie we in het diepst van ons wezen zijn en wat onze bestemming is. Dat is de kern van de visie van de gnostiek.

 

‘Je bent je antwoord’ is de titel van het laatste deel van het boek ‘Gnosis en gnostiek’ van Bram Moerland, maar daaronder een tekst van Valentinus, een vroege christen die door de Romeinen tijdens de christenvervolging werd vermoord:

 

‘Wij strijden niet om de waarheid, want elk mens is zichzelf tot waarheid.’

 

Veel mensen kennen de wereld alleen ‘van horen zeggen’. Ze nemen genoegen met die verhalen en willen of durven zelf niet te ervaren hoe het is om in-de-wereld te zijn, om echt te bestaan. Ze leven dus niet echt, ze zijn er wel, maar laten zich leven en maken zichzelf geen onderdeel van het groei- en ontwikkelingsproces dat de essentie is van leven.

Als we ons niet zelf intens verbinden met ‘de wereld’ om ons heen, ontdekken we niet wat er diep in ons leeft. Dat ontdekken we alleen als we ons te verbinden met de wereld en ‘luisteren’ naar wat dat bij ons aan reacties oproept, wat we door die verbinding ervaren en wat dat zegt over onszelf en de wereld. Hierdoor leren we onszelf en de wereld kennen, zoals kinderen dat doen door het stellen van wat-, wie-, wanneer-, waarom-, waar- en waardoorvragen.

 

Liefde als een van de centrale thema’s in de gnostiek betekent dat we verbonden zijn met het Alles, alles en iedereen en we ons in alleen in die verbinding echt kunnen leren kennen en ons ontwikkelen. Die verbinding geeft antwoorden. Liefde geeft antwoorden. Als we bereid zijn geraakt te worden door het leven, stellen we ons open voor de antwoorden op de vragen die het leven ons dagelijks stelt en verwerven we de kennis, gnosis, die ons leven de juiste en onze persoonlijke richting kan geven.

 

Om te voorkomen dat we niet verstrikt raken in onze eigen antwoorden, doen we er verstandig aan elke dag het antwoord van gisteren weer los te laten, om ons zo weer steeds opnieuw open te kunnen stellen voor de voortdurend veranderende stroom van het leven, die ons meevoert naar onze bestemming. We zijn allemaal in het diepst van ons wezen filosofen, zoekers naar de waarheid. En zoals mijn filosofieleraar voortdurende benadrukte: ‘Philosophie c’est douter’ ofwel ‘Filosofie is twijfelen’.

Vrijheid als een ander centrale thema van de gnostiek betekent niet alleen dat we ons losmaken van de morele druk van buiten, maar ook ervoor zorgen dat we niet gevangen raken in onze eigen opvattingen, maar bereid zijn ons voortdurend open te stellen voor nieuwe inzichten.     

 

Na afronden van dit hoofdstuk over de gnostiek, de rol van verhalen en het belang van het maken van ons eigen verhaal, vroeg ik me af wat mijn verhaal is en welke antwoorden ik heb op de vragen die het leven vanuit onze kinderlijke drang tot ‘weten’ ons stelt.


5. Mijn verhaal en antwoorden.

 

Ik ben geboren aan het einde van de tweede wereldoorlog en had het voorrecht te mogen leven in een tijd waarin de omslag plaatsvond van een strikte religieuze naar een meer seculiere, wereldlijke cultuur, van een cultuur waarin het leven werd bepaald door de opvattingen en regels van religies en instituties naar een cultuur waarin het individu inspraak eiste en de vrijheid kreeg om zijn leven zelf vorm te geven vanuit zijn persoonlijke aspiraties en capaciteiten. Vanuit die ervaring heb ik de tegenstellingen tussen het starre Kerkdenken en vrijheidscultuur die ontstond in de revolutionaire jaren zestig van de vorige eeuw aan den lijve mogen ondervinden en voelde ik me altijd sterk betrokken bij alle ‘strijdgroepen’ die zich verzetten tegen machtsdenken en -handelen en dus ook bij de strijd van de Katharen.

 

Zo voelde ik me in de jaren zestig van de vorige eeuw verbonden met de strijd van velen voor de idealen van persoonlijke vrijheid en het algemeen welzijn van de wereld en de aarde. In deze strijd voelden we ons met elkaar verbonden en voelden we dat we samen tot dingen in staat waren die we alleen niet voor elkaar konden krijgen. Hierdoor ontstond er naast een individualiseringsproces een bewustwording van de kracht van samen en werd er gezocht naar en geëxperimenteerd met nieuwe vormen van samenleven, zoals communes, waarbij onder andere gekeken werd naar gemeenschapsvormen zoals de kibboets in Israël en de kolchozen in Rusland.

Het woord kibboets betekent in het Hebreeuws ‘kolonie van pioniers’. Ze werden gesticht in de periode na het uitroepen van de staat Israël in 1948 als veilige havens voor Joden na de Holocaust van de Tweede Wereldoorlog.

Het woord kolchozen betekent in het Russisch letterlijk ‘collectieve huishouding’. Kolchozen was een alternatief voor de sovchozen, collectieve staatsboerderijen, waarbij de arbeiders in dienst waren van de staat. De kolchozenboerderijen waren in eigendom van groepen samenwerkende boeren en de staat. De boeren waren echter niet in dienst van de staat en kregen een aandeel in de winst. Een bepaald percentage van de productie moest worden afgedragen aan de staat tegen een door de staat vastgestelde prijs. De kolchozen werden opgezet als onderdeel van de collectivisatie van de landbouw die in plaats kwam van het heersende landbouwsysteem dat beheerst werd door grootlandbouwbezitters die hun arbeiders uitbuitten.

 

Gezien het eerder beschreven conservatieve karakter van de Rooms Katholieke Kerk klinkt het wellicht vreemd dat ik met bovenstaande vrijheidsidealen in aanraking kwam tijdens mijn priesteropleiding die ik vanaf mijn 10de tot mijn 22ste levensjaar volgde aan het klein- en grootseminarie van een Rooms-Katholiek priesterorde.  Maar de vernieuwende wind van de jaren zestig waaide ook tijdelijk in de Rooms Katholieke Kerk. De in 1958 gekozen Paus Johannes XXIII riep tot ieders verbazing het Tweede Vaticaanse Concilie bijeen.  Deze kerkvergadering van bisschoppen staat bekend als de kerkvergadering van het ‘aggiornamento’: het ‘bij de tijd brengen’ van de Katholieke Kerk. De gemoderniseerde Kerk diende een open kerk te zijn, een kerk die ‘de ramen openzette voor frisse lucht van buiten’. Daarom werden ook vertegenwoordigers van de protestantse en orthodoxe kerk en leden van andere religies en politieke ideologieën als waarnemers uitgenodigd. Het Vaticanum II vond plaats van 11 oktober 1962 tot 8 december 1965 en bracht een vernieuwde wind die ook doordrong in de kloosters waarin ik in 1956 als twaalfjarige aan mijn priesteropleiding was begonnen. Er werd daar veel aandacht besteed aan de persoonlijke ontwikkeling van de studenten, niet alleen door de brede gymnasiumopleiding, maar ook door de aanwezigheid van verschillende hobbyclubs, het zangkoor, de harmonie, de toneelclub, de carnavalsvereniging, discussiegroepen en de verschillende sporten. Iedere student had een persoonlijke begeleider, waarbij je altijd terecht kon. Ook zeer vormend waren ‘rust, reinheid en regelmaat’, de drie R-en die toen algemeen golden als basiselementen van een goede opvoeding.

 

De drie R-en hebben hun oorsprong in de Notes on Nursing van de Britse verpleegkundige Florence Nightingale (1820-1910), de grondlegger van de moderne verpleegkunde. De drie R-en werden overgenomen in de aanbevelingen voor de opvoeding van baby’s en kinderen omdat ze hun positieve werking inmiddels niet alleen bewezen hadden in het herstel van zieken maar ook in het scheppen van een goed opvoedings- en leefklimaat voor onze groei en ontwikkeling als mens en maatschappij.

 

Rust. Ons lichaam blijft lichamelijk en geestelijk gezond als we de natuurlijke ritmes volgen van slapen en waken en van het in- en uitademen en dus van een evenwichtige afwisseling van inspanning en ontspanning en van naar buiten gekeerd zijn en introspectie.

Regelmaat. Een vast ritme aan activiteiten geeft structuur, houvast en rust, we hoeven niet elk moment bezig te zijn met wat we wanneer moeten doen en kunnen daardoor onze aandacht richten op waar we mee bezig zijn.

Reinheid. De derde R, reinheid, heeft niet alleen betrekking op het nemen van maatregelen om infecties te voorkomen en gezond te blijven, maar ook op het gezond houden van onze psyché, ons geestelijk welzijn, van dat waar we ons in onze dromen en gedachten mee bezig houden, of dat positief/opbouwend of negatief/afbrekend is voor onszelf en onze omgeving.

 

De zondigheid en zonden die veelal een grote rol speelde in de katholieke cultuur, speelden in mijn kloostertijd geen voelbare rol. Het leven van elke dag was gericht op groei en ontwikkeling. Het vaste dag- en weekritme, de uren van stilte, de aandacht voor een juiste manier van denken en handelen en de vele ontwikkelingsmogelijkheden hebben in mijn persoonlijke groei en ontwikkeling een positieve rol gespeeld.

 

Hoewel het dagelijkse leven zich tien jaar lang voornamelijk afspeelde tussen de kloostermuren, was er een grote openheid naar buiten. We werden opgevoed en opgeleid om in de wereld een rol te spelen als missionaris in verre landen of als zielzorger in eigen omgeving. ‘Zielzorger’ werd niet op de eerste plaats gezien als ‘mensen bekeren tot het katholieke geloof’ maar vooral om mensen te helpen een goed en fatsoenlijk leven te leiden.

Het zicht op deze taak kregen we door de vele verhalen en diapresentaties van missionarissen die regelmatig terugkwamen van hun missie in verre landen. Zo hadden we al vroeg beelden van anderen landen en culturen, van wat zich daar afspeelden en wat onze taak zou kunnen zijn. In de praktijk was dat veelal wat we nu ontwikkelingswerk noemen. Veel mensen waren in hun dagelijks leven qua scholing en gezondheidszorg afhankelijk van instituties die bemenst werden door paters, broeders en zusters van religieuze ordes, werk dat na de secularisatie werd overgenomen door Ngo’s, niet-gouvernementele organisaties, onafhankelijke, non-profit instellingen zonder winstoogmerk die zich inzetten voor maatschappelijke belangen.

 

Tijdens de twee jaren filosofie op het grootseminarie in het Zuid-Belgische Tournai deden we onderzoek naar de maatschappelijke situaties in arbeidswijken en leerden we via de lessen ‘dialoog met het marxisme’ ons te verplaatsen in de marxistische denkwereld van vakbonden die in het sterk geïndustrialiseerde Wallonië een belangrijke rol speelden. We deden dit als voorbereiding op de mogelijkheid om als priesterarbeider mee te werken aan een menselijk bestaan van de arbeiders en aan een sociale samenleving. De priesteropleiding was mensgericht met als basis de christelijke deugden van onderlinge betrokkenheid, rechtvaardigheid en de visie dat we hier maar tijdelijk zijn met als taak te groeien in bewustzijn, liefde en vrijheid.

 

Helaas riep het nieuwe elan van het concilie Vaticanum II weerstand op bij de conservatieve vleugel van de Kerk en werden vele ‘nieuwdenkers’ door de kerkelijke overheden de wacht aangezegd, uit hen ambt gezet en soms zelfs geëxcommuniceerd, zoals dat al eeuwen het geval was.

Omdat met name in Nederland de drang tot kerkelijke vernieuwing zeer groot was, werd daar na verloop van tijd door het Vaticaan ingegrepen en werden conservatieve bisschoppen benoemd en wel door de invloed van conservatieve lobbyisten in Rome.

Ook leidde de voornemens tot vernieuwing niet echt tot fundamentele veranderingen. De meeste veranderingen waren cosmetisch van aard. Zo mocht de liturgie, die doorgaans voornamelijk in het latijn plaatsvond, in de landstaal plaatsvinden en stond de priester tijdens de mis niet meer met de rug naar de gelovigen, maar werd het altaar naar de ruimte gericht waar de gelovigen zich bevonden.

Omdat de Kerk niet of niet genoeg meeging in het nieuwe elan, voelden velen zich niet meer gezien, integendeel, ze ervoeren de Kerk steeds meer als een antimacht van het nieuwe streven naar vrijheid en persoonlijke ontwikkeling. En die antimacht had, zoals al eeuwenlang, als basis dat de Kerk van mening was dat zij als plaatsvervanger van God het enige instituut was dat mensen op het juiste pad kon brengen en houden. Mensen waren van nature zondig en niet in staat om daar vanuit eigen kracht verandering in te brengen. Mensen keerden zich dan ook massaal af van de Kerk. De start van een grootschalig en ingrijpend secularisatieproces was begonnen.

 

De vernieuwende cultuur drong ook niet door in het gezin en de omgeving waarin ik was geboren en de eerste twaalf jaar van mijn leven was opgegroeid. Het was een door en door katholiek gezin waarin de strikte regels van de Kerk werden nageleefd met alle straffen van hel en verdoemenis die golden als je je niet aan deze regels en geboden hield. Het enig fijne was dat je kon biechten, waardoor je zonden werden vergeven, wat vooral van belang was als je doodzonden had gedaan.

 

Een doodzonde is in de katholieke theologie een zeer ernstige, bewuste en vrijwillige overtreding van Gods wet, die ‘de heiligmakende genade’ en de band met God verbreekt. Het wordt gezien als een 'doodzonde’ omdat het de geestelijke verbinding met God doodt, in tegenstelling tot ‘dagelijkse zonden’. Dagelijkse zonden zijn in de katholieke theologie minder ernstige overtredingen van Gods wet die de band met God wel verzwakken, maar niet verbreken. Ze ontstaan vaak uit menselijke zwakheid, zoals kleine leugens, roddels, ongeduld, luiheid of egoïstische gedachten in het dagelijks leven.

Het leven van mijn lieve moeder werd zodanig door het christelijke zondebesef beheerst dat ze al een paar dagen na gebiecht te hebben al niet meer de heilige communie ging halen tijdens de mis omdat ze zich daarvoor te zondig voelde. Ze was extra bang voor de dood omdat ze niet wist of ze wel in de hemel zou komen. Mijn opvattingen dat God liefde was, maakten geen indruk, ze was zo gehersenspoeld door de christelijke zondeleer, dat ze erin gevangen zat en er op geen enkele manier uit kon ontsnappen. Omdat ik veel van mijn moeder hield, deed me dat veel pijn. Het wakkerde mijn strijdvuur aan tegen dit en ander onderdrukkend machtsdenken en -handelen.

 

Na tien jaar brak ik mijn priesterstudie af met als belangrijkste reden dat ik een celibatair leven niet zag zitten. Ik zag vanuit mijn kloosterraam verliefde paartjes door het park wandelen en wilde deze liefde niet missen. Het celibataire leven voelde voor mij als onnatuurlijk en voor velen met mij. Van onze groep van elf studenten die naar het grootseminarie gingen werd er maar één priester, met als belangrijke rede de verplichting tot een celibatair leven. Een groot deel ging na hun uittreding uit het klooster werken in de sociale sector.  

 

Na mijn uittreding ging ik weer thuis wonen en kwam ik terecht in een cultuur die in alle opzichte botste met de mijne. De geboden van de Kerk en de wil van mijn vader moesten nageleefd worden en centraal stonden de schoolprestaties. Dit leidde tot zodanige conflicten met mijn vader dat ik na twee jaar besloot weg te gaan uit deze verstikkende situatie. Toen ik de straat uitfietste voelde dat natuurlijk spannend, maar vooral als een bevrijding. Nu kon ik mijn leven zelf vormgeven.

Mijn vertrek had tot gevolg dat mijn vader mijn aanwezigheid 25 jaar lang niet kon verdragen. Als ik mijn moeder bezocht, ging hij weg. Ik was een afvallige geworden en dat werd bestraft met uitsluiting, zoals dat ook door de Kerk gebeurde.

 

Ik kwam terecht in de cultuur van de jaren zestig waarin jongeren inspraak eisten en er regelmatig studentenopstanden uitbraken om machtsstructuren te breken. Op de HTS streden we voor een studentenraad en die kwam er redelijk soepel omdat de directie geen zin had in rellen zoals die in delen van het land plaatsvonden. We wilden ons leven op onze eigen manier vormgeven en vonden dat ‘de maatschappij’ ons daar de mogelijkheden voor moest geven. Het was een proces dat nog steeds voortduurt en een voortdurende afweging van individuele en algemene belangen vereist.

 

Op zingevingsgebied kwam ik in aanraking met nieuwe inzichten en rituelen vanuit het Oosten, zoals het Hindoeïsme en het Boeddhisme, en van de antroposofie en andere spirituele stromingen. Gewend als ik vanuit mijn kloostercultuur was om te mediteren, verdiepte ik me in oosterse meditatietechnieken die bedoeld waren om mentale stilte te bereiken, gedachten stop te zetten en zo ruimte te geven voor het voelen van wat er diep in ons leeft. De kloostercultuur die inhield dat je je regelmatig terugtrok in stilte en tijd nam voor bezinning en reflectie, is altijd bij me gebleven, zij het in nieuwe vormen. Ook de cultuur van regelmaat is me dierbaar gebleven en probeer ik in het dagelijks leven vorm te geven omdat ik dat nog steeds als prettig en heilzaam ervaar.

Ook de opvatting dat er na de dood ons leven doorgaat in een andere dimensie heb ik meegenomen uit mijn christelijke opvoeding. Ik ben die opvatting trouw gebleven, niet omdat de Kerk of iemand anders dat zegt, maar omdat ik diep van binnen voel dat het leven niet eindig kan zijn, omdat het leven in essentie groei en ontwikkeling is en de natuurwet van behoud van energie ons vertelt dat energie niet verdwijnt en van de ene vorm naar de andere overgaat.

Ik herinner me nog heel duidelijk het moment waarop ik ontdekte dat mensen in vele culturen geloven in reïncarnatie, in het steeds weer terugkeren op aarde en wel zolang totdat we een zodanige ontwikkeling hebben doorgemaakt dat we ‘rijp’ zijn om in een andere, hogere sfeer onze ontwikkeling voort te zetten. Toen ik dat ontdekte, ervoer ik dat als een wowmoment, omdat ik me niet kan voorstellen dat mijn verblijf hier op aarde op zich staat en geen verbinding heeft met ‘verder’, geen onderdeel is van een proces dat zich steeds verder ontwikkelt. Ik voel diep van binnen dat ‘leven’ niet eindig kan zijn, net zoals ‘vandaag’ niet op zich staat maar zijn betekenis en zin heeft in de voortdurende reeks van gisteren en morgen, in het ontwikkelingsproces van onze groei als persoon en maatschappij.

En net zoals onze scholen en opleidingen een essentiële rol spelen in dit ontwikkelingsproces, zie ik elk nieuw leven als een steeds nieuwe scholingsmogelijkheid om ons als spiritueel wezen te ontwikkelen naar een steeds hoger niveau. En net zoals elke school, opleiding en stage specifieke ontwikkelingsmogelijkheden biedt, kunnen we onze opeenvolgende aardse levens zien als mogelijkheden om specifieke ontwikkelingsdoelen te realiseren. Ik deel de opvatting dat we als ziel incarneren in een specifiek stoffelijk lichaam en in specifieke omstandigheden die passen bij de ontwikkelingsdoelen die we van tevoren hebben geformuleerd samen met onze geestelijke levenscoaches die er ook in de niet aardse sferen zijn om ons te begeleiden op onze levensweg.

‘Zo boven, zo beneden’ en ‘Zo beneden, zo boven’ is op alle ontwikkelingsprocessen van toepassing omdat het leven hier op aarde een onderdeel is van een groter ontwikkelingsproces en alle ontwikkelingsprocessen daarbinnen op dezelfde wijze verlopen, namelijk leren door vallen en opstaan, door het voortdurende evalueren van ons denken en handel en op basis hiervan nieuwe leerdoelen stellen. Elk leven is in essentie zielsontwikkeling.

 

Ik heb door de reis die ik mocht maken door de tijd de knechtende macht van de Kerk en andere instituten ervaren en de bevrijding gevoeld als ik me van hun macht bevrijdde. Ik heb mogen ervaren dat bewustwording, vrijheid en liefde/betrokkenheid voorwaarden zijn om ons te kunnen ontwikkelen als persoon en maatschappij. Het blijken oeroude gnostische waarden te zijn, die alsmaar weer in ons naar boven komen als we de verschillende vormen van onderdrukking en van gevangenschap in negatieve ideologieën bestrijden en terugkeren naar het aandachtgeven aan wat diep in onszelf leeft, wat daar vraagt om gezien en ervaren te worden als dé brandstof voor echte groei van dat wat we in essentie zijn en wat zin geeft aan ons leven.


De geschiedenis leert dat de beschreven gnostische waarden door de eeuwen heen overal aanwezig waren, zich ontwikkelden en voortdurend werden bestreden omdat machtsbeluste mensen en instituten niet van bewuste, vrije en betrokken mensen houden omdat deze zich tegen hun macht keren en deze bedreigen. ‘Hou jij ze dom, dan hou ik ze arme’ is een gezegde dat vaak opduikt in vermeende gesprekken tussen kerkelijke en wereldlijke machthebbers. Ze proberen, zoals alle machthebbers, onze oerdrang tot vrijheid te onderdrukken ten gunste van hun macht. Maar uiteindelijk kunnen ze drang om ons in vrijheid te ontwikkelen tot bewust, vrije en betrokken mensen er niet onder krijgen. Deze drang zal, net zoals planten zich door harde aardkorsten, asfalt en de kleinste speetjes heen worstelen, altijd weer een weg vinden om zich te manifesteren. Laten we alle ruimten geven aan deze oerdrang en haar vorm geven in ons denken en handelen.

 

‘Volgens mij heeft ieder mens een heel duidelijk gevoel dat zegt: zo klopt het voor mij. Zo ben ik en zo leef ik zonder iemand anders te kopiëren.’


Pater Anseln Grün, Happinez 2-2026, pag.47.

 

  

P.s.

- Voor een uitgebreide weergave van wat ik mocht ontdekken over onze ontwikkelingsprocessen hier op aarde en binnen het grotere geheel: zie de boekjes:

- ‘Een trap van steen en wolken, De levensloop van de mens’.

- ‘Visioenen van de buitenaardse werkelijkheid. 35 visioenen van Jaap Hiddinga.

De tekst van deze boekjes kun je vinden op de website ‘harriebielders.nl’ onder ‘Boeken’ in het hoofdmenu.