Harrie Bielders
Boeken, verhalen, gedachten .......
De democratie in verval.
Inhoud.
Voorwoord.
Nawoord.
Voorwoord.
Wie de ontwikkelingen in de wereld ook maar enigszins volgt, zal niet kunnen ontkennen dat er absoluut geen sprake is van enige stabiliteit in de wereld, de politiek en de maatschappij, integendeel het stormt op alle fronten.
Op wereldniveau zijn de verhoudingen door de verkiezing en het gedrag van president Trump op scherp gezet, mede doordat zijn beleid voortdurend zwalkt en onvoorspelbaar is en gebaseerd op ‘Amerika first’. En dat in een tijd waarin ons welzijn en onze welvaart afhankelijk zijn van samenwerking, omdat onze natuurlijke en economische structuren wereldwijd met elkaar zijn vervlochten en het oplossen van de wereldwijde problemen, zoals de klimaatcrisis, de ongelijke verdeling van welvaart en de politieke, religieuze en culturele tegenstellingen en de daarmee samenhangende oorlogen, vluchtelingen- en migratiestromen alleen maar kunnen worden opgelost door samen te werken. We zouden moeten inzien dat het algemene belang ieders eigenbelang is. We kunnen niet zonder een gezonde aarde en elkaar, zowel als individu, groep, natie en continent.
Helaas is de internationale politiek een machtsstrijd met alleen maar verliezers. Deze machtsstrijd gaat ten koste van welzijn en welvaart van velen, omdat ze energie en geld kost die eigenlijk besteed zouden moeten worden aan het oplossen van de wereldwijde problemen die het leven op aarde bedreigen. Zo zijn de desastreuze gevolgen van de wereldwijde klimaatveranderingen al een halve eeuw bekend en toch zijn we niet bereid om samen de noodzakelijke maatregelen te nemen, er voldoende aandacht en geld in te investeren, ondanks de catastrofale gevolgen die wie overal in toenemende mate om ons heen zien en ervaren.
De oorlogen in Oekraïne, het Midden-Oosten en Afrika duren al jaren en komen maar niet tot een oplossing omdat er polariserende posities worden ingenomen en we niet bereid zijn om ons vermogen te gebruiken om te de-escaleren en conflicten op te lossen. We zijn nog altijd beter in het elkaar bestrijden dan op een vreedzame manier met elkaar samen te leven, wat de eigenlijke taak is van een samenleving.
Ons denken en handelen wordt nog in hoge mate bepaald door of-of-denken, denken in tegenstellingen, in wij-en-zij, goed-of-fout en niet in en-en-denken met aandacht voor achterliggende oorzaken, nuances, overeenkomsten, voor dat wat ons verbindt in ons natuurlijk streven naar groei en ontwikkeling.
Niet alleen op internationaal niveau er is sprake van polarisering, maar ook op nationaal en groepsniveau. Ook daar ligt het accent meer op verschillen dan op overeenkomsten, op dat wat we gemeenschappelijk hebben en ons verbindt, doordat de huidige invulling van ons vrijheidsstreven heeft geleid tot verdeeldheid, omdat vrijheid niet meer wordt opgevat als waar het oorspronkelijk voor stond, namelijk aan iedereen de ruimte bieden om zich te ontwikkelen, maar is verworden tot egoïsme, tot concurrentie, na-ijver, of zoals Ryan Holiday zegt in zijn boek ‘Discipline is het doel: De kracht van de zelfbeheersing’:
‘We leven in een tijd van vulgariteit, domheid, onvolwassenheid en egoïsme. Een tijd van vrijheid waarvan we hebben besloten dat het een vrijbrief is voor idioterie, domheid en overvloed. Kijk naar onze helden: realtity-tv-sterren, influencers, professionele worstelaars, youtubers, volksmenners. Dat zijn geen helden. Deze mensen dienen als voorbeeld hoe het niet moet zijn. De mensen die we moeten bewonderen zijn rustig, waardig, gereserveerd, serieus, professioneel, respectvol naar zichzelf en anderen toe.’
Het moge duidelijk zijn dat deze maatschappelijke en persoonlijke kenmerken invloed hebben op hoe we ons politieke systeem inrichten en hoe het in de praktijk functioneert.
Niet alleen op wereldniveau maar ook in ons eigen land staat het eigenbelang van politieke partijen en mensen voorop. Iedere politieke partij probeert zijn kiezers te behagen op weg naar de volgende verkiezingen. En de meeste kiezers stemmen op een bepaalde partij op basis van hun directe persoonlijke belang en steeds minder op basis van het algemeen belang. Individuele belangen overheersen veelal het algemeen belang.
Het politieke klimaat in Nederland wordt dan ook meer gekenmerkt door strijd tussen de coalitiepartijen dan door duidelijke maatregelen die de grote actuele problemen oplossen. Ook hier gaat machtsstrijd ten koste van welzijn en welvaart.
Deze gang van zaken zou een ernstige waarschuwing moeten zijn, omdat de geschiedenis heeft bewezen dat, als politieke leiders, van welke staatsvorm dan ook, niet het algemene belang dienen, maar vooral hun eigen belang, dat onherroepelijk leidt tot onvrede, opstand en chaos omdat we ons niet meer verenigd voelen in een gemeenschappelijke visie en dus in een gemeenschappelijke toekomst.
Het voorafgaande stemt niet vrolijk en hoopvol. Toch ben ik aan dit boekje begonnen vanuit een positieve kijk op de toekomst, omdat ik geloof in de kracht van het leven dat van nature streeft naar groei en ontwikkeling en in de potentie van mensen om via bewustzijn en reflectie keuzes te maken voor ‘de goede weg’ zoals die door de Chinese filosoof Lao-Tze wordt omschreven.
Lao-Tze ziet Dao, ‘De weg’, als de weg die we creëren terwijl we hem gaan. Alles wat we doen en de wijze waarop we ons leven leven, beïnvloedt onszelf en alles om ons heen.
Volgens Lao-Tze is er een goede en een verkeerde weg. 'Goed' betekent dat we afgestemd zijn op de wereld om ons heen, ermee in contact staan en er op de juiste manier op reageren zodat we een weg scheppen en lopen waarop wij en alle mensen om ons heen kunnen floreren. Een verkeerde weg is omgekeerd: alleen maar mikken op ons eigen succes en macht, ongeacht hoe het met andere mensen gaat. Dat is ‘verkeerd’ omdat het op de lange duur ons leven en dat van de mensen om ons heen niet ten goede komt.
Naast het geloof in de mogelijkheid dat we als mens en mensheid voor de goede weg kunnen kiezen, heb ik, ondanks alle chaos om me heen, vertrouwen in de toekomst, omdat de huidige chaos ook gezien kan worden als teken dat ‘het oude’ niet meer werkt en ons uitdaagt tot vernieuwing, verandering.
Crisissen treden doorgaans op als dingen in het leven niet meer verlopen zoals ze horen te verlopen. Denk aan ziektes en crisissen in relaties of in ons werk. Crisissen kunnen dan mogelijke aanjagers zijn van verandering.
Persoonlijke en maatschappelijke groei en ontwikkeling vinden niet alleen plaats zonder crisissen, zonder vallen en opstaan, maar gaan ook gepaard met een verhoging van de levensenergie, zoals we die zien in de lente en tijdens zachte en harde revoluties.
In veel oude culturen, zoals die van de Maja’s, is al voorspeld dat er in de huidige tijd een extra verhoging van de energie zal plaatsvinden om de enorme problemen op te lossen die het voortbestaan van de mensheid en de aarde bedreigen.
Bekend is dat de stand van de planeten invloed heeft op de aarde en dus ook op ons. Het sterren- en planetenstelsel zijn voortdurend in beweging en volgen al eeuwenlang bepaalde cycli. Zo draait de aarde elke 24 uur om haar lengteas, waardoor we dagen en nachten hebben, draait de aarde in 12 maanden om de zon met een bepaalde schommeling waardoor de seizoenen ontstaan en doorloopt de aarde in 12 maanden de zogenaamde dierenriem waardoor ze gedurende elk twaalfde deel van het jaar een zodanige stand heeft ten opzichte van een specifieke planetenconstellatie dat ze daarmee een energetische verbinding heeft die ons beïnvloedt.
Door haar eigen plaats binnen het sterrenstelsel en door haar eigen bewegingscyclus doorloopt ook de zon op haar eigen manier de verschillende dierenriemtekens en wel in omgekeerde richting en in een cyclus van precies 25.920 jaren. De zon staat dus tijdens elk twaalfde gedeelte van de cyclus, een sterrenmaand, in een bepaald teken van de dierenruim en wel gedurende een periode van 2160 jaar. In onze tijd verlaat de zon de invloed van het dierenriemteken Vissen en komt onder invloed van het teken Waterman. Hierdoor wordt het energieniveau op aarde sterk verhoogd, wat zeer ingrijpend is maar ook noodzakelijk om ons als mensen op een hoger niveau te laten functioneren, omdat de toestand van de wereld in veel opzichten zo alarmerend is dat ze in haar voortbestaan wordt bedreigd, wat een totaal nieuw gedrag vereist.
De overgang van de ene periode naar de andere gaat altijd gepaard met destabilisatie, onzekerheid en angst. Het oude brokkelt af, het blijkt toch niet wat we ervan verwacht hadden of levert zoveel problemen dat de toekomst er duister uitziet. Wat ervoor in de plaats komt, is nog niet duidelijk. De oude zekerheden vallen weg en er is nog geen echt nieuw houvast. Hierdoor raken we ontregeld, worden we onzeker en uit onze comfortzone gehaald. We zijn dan geneigd om als verdediging barricades op te werpen, onze zienswijze te verharden, ons terug te trekken in nostalgie en om letterlijk ten strijde te trekken tegen datgene wat niet past binnen het ons bekende veilig wereldje.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat we in deze tijd een verharding zien van standpunten binnen en tussen o.a. godsdiensten, politieke opvattingen, wetenschapsrichtingen en filosofische en spirituele stromingen en de groei van groepen die nostalgisch teruggrijpen op ‘een beter verleden’ dat in werkelijkheid niet bestaan heeft.
Door de energieverhoging van het Watermantijdperk zullen we in staat gesteld worden om ons bewustzijn te verruimen, meer open te staan voor de aardse en bovennatuurlijke werkelijkheid en ons betrokken te voelen bij wat er om ons heen gebeurt en moet gebeuren.
Maar ook zal wat er tot nu toe verborgen in ons leefde aan het licht komen, niet alleen het goede maar ook het kwade. Dat betekent dat ook onze negatieve impulsen die we vroeger verborgen wisten te houden of onderdrukt werden door de normen van religies en culturen, nu naar buiten komen, hetgeen we overal om eens heen zien. De kwade krachten van dictatuur, nationalisme, populisme, radicalisme, terrorisme, narcisme en egoïsme krijgen alle ruimte. Het lijkt of we terugvallen naar het niveau van de dieren, zoals de oud assistent van de secretaris-generaal van de VN, Robert Muller de huidige tijd typeerde.
De diepere bedoeling van deze schijnbaar negatieve ontwikkeling is dat we die negatieve egokrachten, doordat ze zo duidelijk zichtbaar worden, kunnen ervaren, zien, herkennen en erkennen, zodat we ze kunnen ontmaskeren en omvormen tot zelfbewuste positieve krachten. We kunnen onze egoïstische, negatieve gevoelens pas omvormen tot zelfbewuste positieve krachten als we ze zien, erkennen, ons er bewust van worden.
De verhoging van de energie van het Watermantijdperk kan en zal ons helpen om nieuwe wegen te zoeken en te bewandelen, de weg van betrokkenheid met de aarde en elkaar, de weg van ons hart in plaats van de weg van ons ego, of om met de woorden van Robert Muller te spreken:
‘We hebben de verantwoordelijkheid om van deze planeet een Paradijs te maken. Wij mensen hebben niet meer genoeg aan logica en rede. Dat tijdperk hebben we gehad en het voldoet niet meer. We gaan nu het tijdperk van de liefde binnen: liefde voor onszelf, de mensheid, de planeet en de wonderbaarlijke schepper van dit alles’.
Aan het begin van dit boekje staat een tekst van de Belgische hoogleraar klinische psychologie en psychoanalyse Paul Verhaeghe uit zijn boek ‘Onbehagen’:
‘Een maatschappijkritiek kan omvang en oorzaken aangeven, samen met aanwijzingen voor verbetering. De verwevenheid van individu en samenleving maakt verandering tot een gedeelde verantwoordelijkheid. Afgeven op ‘het systeem’ zonder het eigen aandeel onder ogen te nemen, is puberaal, net zoals het afschuiven van maatschappelijke verantwoordelijkheid op het individu al te gemakkelijk is en al helemaal als dat onder het voorwendsel van ‘vrijheid’ gebeurt.’
Deze tekst maakt duidelijk dat ik en jij als individu niet los staan van de samenleving, maar er een eenheid mee vormen, zoals een golf en druppel van de oceaan een zijn met de oceaan en er geen golf of druppel bestaat zonder oceaan en omgekeerd. Ik, jij, wij allen vormen samen de samenleving en die beïnvloeden elkaar voortdurend. Wij kiezen onze regering en formuleren samen wetten, regels, normen en waarden en de manier waarop die worden toegepast en nageleefd bepalen mede hoe wij ons als persoon en maatschappij ontwikkelen. Wij hebben onze regering gekozen en de meerderheid van de Amerikanen hebben Trump gekozen en wij en de Amerikanen kunnen onze regeringen steunen, corrigeren en wegsturen.
Betrokkenheid bij de wereld en de mensheid vereist niet alleen dat we ons verantwoordelijkheid voelen voor wie we kiezen om ons aller belang te dienen, maar ook trouw te zijn aan de instituties die we hebben opgericht om ons te beschermen tegen onrecht in welke vorm dan ook.
Het verleden heeft bewezen dat door desinteresse en wegkijken tirannen, die geen boodschap hadden aan deze instituties, niet alleen aan de macht konden komen, maar ook lang, te lang aan de macht konden blijven met alle vormen van onderdrukking die de essentie van leven, namelijk groei en ontwikkeling van mensen en de maatschappij blokkeren.
In dit boekje wordt op zoek gegaan naar de oorzaken van het persoonlijke, maatschappelijke en politieke verval dat leidt tot het verval van de democratie, die bewezen heeft tot nu toe de beste vorm te zijn om vanuit onze gezamenlijke verantwoordelijkheid sturing te geven aan een samenleving waarin iedereen kan groeien en zich ontwikkelen tot een bewuste, vrije en betrokken persoon.
Het ons bewust worden van de oorzaken van het verval schept de mogelijkheid om weer een gemeenschappelijke doelen, wetten, regels, normen en waarden en een gemeenschappelijke toekomst te ontwerpen waarmee we ons verbonden voelen en waarvoor we ons gemotiveerd willen inzetten.
1. Staatsvormen.
Door de eeuwen heen hebben mensen geëxperimenteerd met regeringsvormen om hun gemeenschap op een wijze te laten functioneren die overeenkwam met de opvattingen van een persoon, groep of de hele gemeenschap, wat heeft geleid tot een aantal bekende bestuursvormen:
1. De monarchie.
Het woord monarchie komt van de Griekse woorden μόνος (monos) en ἄρχειν (arkhein), die respectievelijk ‘één’ en ‘heersen’ betekenen. De monarchie is dan ook van oorsprong een regeringsvorm waarbij één persoon, de monarch, heerst en dus de macht heeft. Dit kan een koning, keizer, paus, farao, sultan of nog wat anders zijn. Vaak is deze macht erfelijk en is er dus sprake van een dynastie. Een dynastie is de opeenvolging van heersers die tot dezelfde familie behoren.
We kennen een constitutionele en absolute monarchie. Een constitutionele monarchie is de aanduiding voor een bestuursvorm waarin de monarchie berust op een constitutie of grondwet, waardoor de macht van het hoofd van de staat, de monarch, beperkt is.
Landen met een constitutionele monarchie zijn onder andere Nederland, Belgje, Luxenburg, Engeland, Noorwegen, Spanje en Japan. De macht en dus de taken van de monarch zijn in deze landen doorgaans alleen nog ceremonieel van aard.
In een absolute monarchie regeert de monarch met absolute en totale macht, wat wil zeggen dat deze een onbeperkte regeermacht heeft. Landen met een absolute monarchie zijn Brunei, Oman, Saoedi-Arabië, Eswatini, de Verenigde Arabische Emiraten, Qatar en Vaticaanstad.
Een absolute monarchie wordt ook wel een autocratie genoemd. Het woord autocratie komt van het Oudgriekse ὐτός (auto) en κράτος (kratos) die respectievelijk ‘zelf’ en ‘macht’ betekenen.
Landen als Liechtenstein, Monaco, Marokko, Jordanië, Koeweit, Bahrein en Bhutan zijn landen waar de grondwet de monarch aanzienlijke bevoegdheden verleent. De monarchie in deze landen is dan ook vorm tussen een constitutionele en absolute monarchie.
2. De republiek.
Het woord republiek komt van het Latijnse ‘res’ en ‘publica’ die respectievelijk ‘zaak/zaken/belang’ en ‘publiek’ betekenen. ‘Republiek’ betekent dus ‘publieke zaak’ of ‘algemeen belang’. De republiek als staatsvorm houdt dus in dat de regering van een republiek het algemeen belang dient.
In tegenstelling tot de monarchie waarin de monarch niet wordt gekozen, maar de macht krijgt omdat hij of zij tot een bepaalde dynastie behoort, wordt het staatshoofd van een republiek gekozen. Vaak heeft het staatshoofd van een republiek de titel ‘president’, hoeft hij/zij niet tot een bepaalde familie te behoren en wordt hij/zij voor een bepaalde termijn gekozen.
Het idee achter een republiek is dat iedereen die er woont een gelijkwaardig burger is met evenveel rechten, dat het niet uitmaakt in welke familie je geboren bent en dat de regering voor het volk, door het volk en van het volk is.
We kennen verschillende soorten republieken:
Presidentiële republiek: de president wordt rechtstreeks verkozen door het volk en heeft veel macht. Hij of zij is tegelijk staatshoofd en regeringsleider. Een bekend voorbeeld is de Verenigde Staten van Amerika, daarom heet dit ‘het Amerikaans model'.
Semipresidentiële republiek: de president wordt rechtstreeks verkozen door het volk en heeft veel macht. Hij of zij is alleen staatshoofd en iemand anders is regeringsleider. Een bekend voorbeeld is Frankrijk, daarom heet dit ‘het Frans model'.
Parlementaire republiek: de president wordt gekozen door het parlement en heeft beperkte macht. Vaak heeft hij of zij vooral ceremoniële taken zoals het brengen van staatsbezoeken. Een bekend voorbeeld is Duitsland, daarom heet dit ‘het Duits model'.
Eenpartijstaat: één partij heeft het recht om te regeren en te bepalen welk partijlid de president mag zijn. Een bekend voorbeeld is de Volksrepubliek China.
De federale republiek of bondsrepubliek is een de staatsvorm van een land dat zowel een republiek als een federatie is van deelstaten, zoals Zwitserland met deelstaten die zelfbestuur hebben.
Een volksrepubliek of volksdemocratie is een term waarmee republieken worden aangeduid met een bestuursmodel dat geïnspireerd is door een marxistische/communistische ideologie.
Het concept van een volksdemocratie is afkomstig van Lenin, die als overgangsfase tussen het autocratische tsarisme en de uiteindelijk na te streven klasseloze maatschappij een democratische dictatuur van het proletariaat en de boeren wilde instellen. In de overgangsfase moesten de klassenverschillen worden overwonnen met het voorlopig gebruik maken van instituties uit de parlementaire democratie, totdat de klasseloze maatschappij is bereikt. De geschiedenis heeft laten zien hoe de meeste volksrepublieken echter dictaturen werden.
3. De dictatuur.
Bij een dictatuur is er, net als bij de absolute monarchie, sprake van alleenheerschappij, maar heeft de alleenheerser met geweld de macht gegrepen en zich een grote of absolute macht toegeëigend. De alleenheerser kan een persoon of een groep zijn. Van een groepsdictatuur is sprake bij een militaire dictatuur en een eenpartijstelsel.
Bij een militaire dictatuur is de macht in handen is van het leger. Aan het hoofd van een militaire dictatuur staat een officier uit het leger, maar vaak ook wordt de leiding gevormd door een junta, een kleine groep legerofficieren.
Bij een eenpartijstelsel is er in een staat maar één politieke partij toegestaan. Oppositiepartijen zijn verboden of minstens uitgesloten van verkiezingen.
Voorbeelden van eenpersoonsdictaturen zijn Mao Zedong in de Volksrepubliek China, Jozef Stalin in de Sofjet-Unie, Adolf Hitler in Duitsland, Benito Mussolini in Italië, Idi Amin Dada Oumee in Oeganda en Kim Jong-un in Noord-Korea. Zij leidden of leiden hun land op totalitaire wijze, met geweld en terreur als middelen om hun politieke doelen te verwezenlijken.
Een dictatuur waarin één persoon alles voor het zeggen heeft, wordt ook een autocratie genoemd.
Bekende voorbeelden van militaire dictaturen zijn het bewind van Francesco Franco in Spanje van 1936 tot 1975, het bewind van generaal Augusto Pinochet in Chili van 1973 tot 1990 en de Argentijnse junta van 1976 tot 1983.
Voorbeelden van landen met een eenpartijstelsel zijn China, Cuba en Noord-Korea.
Een dictatuur onderwerpt het volk aan haar macht, wat resulteert in onderdrukking en zal er alles aan doen om haar macht te behouden door een totalitair systeem, het totalitarisme: een systeem waarbij de staat bijna volledige controle heeft op het dagelijks leven van mensen, zowel in politiek, cultureel, filosofisch, godsdienstig als in sociaal en economisch opzicht.
Naast deze absolute dictaturen zijn er een groot aantal landen die de schijn van een democratie uitstralen, maar in feite neigen naar een dictatuur of het in feite gewoon zijn, zoals de huidige Sovjet-Unie en de Volksrepubliek China. Maar ook Trump in Amerika, Erdogan in Turkije, Netanyahu van Israël en Viktor Orbán van Hongarije gaan sluipenderwijs de richting op van een dictatuur. Een dictatuur ligt altijd op de loer als personen of groepen de macht eenzijdig naar zich proberen toe te trekken om hun politieke opvattingen door te drukken door het nemen van onwettelijke maatregelen en het systematisch ondermijnen van de democratische instituties die juist bedoeld zijn om alleenheerschappij onmogelijk te maken, zoals de rechtelijke macht en de vrije pers.
De dictatuur is volgens de Griekse filosoof Aristoteles de deviante, afwijkende vorm van de monarchie waarin de monarch zijn macht misbruikt.
4. De aristocratie.
Het woord aristocratie is afkomstig van het Oudgrieks ἄριστος en κρατεῖν die respectievelijk ‘beste’ en ‘heersen’ en betekenen ofwel ‘geregeerd door de besten’. De macht binnen een aristocratische regeringsvorm zou dus eigenlijk niet gebaseerd moeten zijn op geld of afkomst, maar op kennis, inzicht en intellectuele, militaire of andere capaciteiten. In de praktijk was en is de macht binnen een aristocratisch bestel echter doorgaans in handen van een groep rijke, vooraanstaande families die vaak tot de adel behoren en waarvan het ‘lidmaatschap’ erfelijk is.
Ook kan het lidmaatschap van een partij, zoals in Syrië onder Asad, in Irak onder Saddam Hoessein en in de Sovjet-Unie, China en Cuba een voorwaarde zijn voor het bekleden van bepaalde hogere posten en kan het partijlidmaatschap tot een positie leiden die gelijk is aan die van de adel.
5. De oligarchie.
Het woord oligarchie stamt af van het Oudgriekse ὀλίγος (oligos) en ἄρχειν (archein) die respectievelijk ‘weinig’ en ‘heersen’ betekenen. Een oligarchie kan dan ook omschreven worden als een staatsvorm waarin een selecte groep mensen de macht heeft en die macht voornamelijk gebruikt voor hun eigenbelang, wat in de praktijk inhoudt dat een groepje rijken de touwtjes in handen heeft en haar macht gebruikt om hun rijkdom te vergroten of in ieder geval te behouden.
De term oligarchie komt van de Griekse filosoof Aristoteles. Hij schrijft dat er sprake is van een oligarchie wanneer een groep mensen regeert op grond van hun rijkdom. Aristoteles zag de oligarchie als de perverse, ontspoorde vorm van de aristocratie, zoals de tirannie of dictatuur de ontspoorde vorm is van de monarchie. Een oligarchie wordt, evenals een dictatuur, doorgaans gekenmerkt door het afdwingen van publieke gehoorzaamheid.
Saoedi-Arabië is hierboven aangeduid als een absolute monarchie, omdat er sprake is van een koning die aan het hoofd van de regering staat. Toch kan dit land ook als een oligarchie worden bestempeld omdat het op microniveau wordt geregeerd door talloze prinsen die alleen door hun afkomst in die positie staan en omdat het land veel restricties kent op het gebied van mensenrechten.
Vanuit het begrip oligarchie is ook het woord oligarchen ontstaan. Dit zijn personen die door hun rijkdom de regering zodanig kunnen beïnvloeden dat ze directe invloed hebben op het regeringsbeleid. Het Rusland onder Poetin is hier een sprekend voorbeeld van. Maar ook in de Verenigde Staten van Amerika zijn onder Trump oligarchische invloeden te bespeuren nu een groot aantal miljardairs, zoals Musk, Trump hebben gesteund in zijn verkiezingscampagne en dat zeker vooral gedaan hebben uit eigenbelang en wel omdat ze van Trump verwachten dat hij hun zakelijke belangen dient of in ieder geval beschermt. Sprekend in deze context is dat de CEO van Meta, Mark Zuckerberg, voorheen een felle tegenstander van Trump was, maar zijn zijde koos toen bleek dat Trump de nieuwe president zou worden. Zuckerberg deed dit vast en zeker om steun te krijgen voor zijn strijd tegen wetten van Europa om bepaalde informatie op zijn social platform Facebook en Instagram te verbieden. Controle van wat op deze platforms wordt geplaats kost veel mankracht en dus veel geld en dat past niet in het straatje van een onderneming die alleen maar uit is op winst.
Nieuw is dat de steun van miljardairs aan de regering in Amerika in alle openbaarheid gebeurt, maar al eeuwen wordt achter de schermen grote invloed uitgeoefend door bepaalde groepen en grote bedrijven op het regeringsbeleid van de meeste landen, onder andere door een leger van lobbyisten die er vaak niet voor terugschrikken om bestuurders en ambtenaren op alle niveaus om te kopen.
De oligarchie kan gezien worden als een deviante, afwijkende vorm van de aristocratie, waarbij een bepaalde groep mensen de macht vooral gebruikt voor hun eigen persoonlijke belangen.
6. De democratie.
Het woord democratie stamt af van het Oudgriekse δῆμος (dèmos) en κρατειν (kratein), die respectievelijk ‘volk’ en ‘heersen’ betekenen. Democratie betekent dus letterlijk ‘volksheerschap’ en is een bestuursvorm waarin de wil van het volk de bron is van een legitieme, wettelijke machtsuitoefening
We kennen een directe en indirecte democratie.
In een directe democratie stemmen burgers persoonlijk over wetten, besluiten en benoemingen. Zuivere vormen van directe democratie zijn zeldzaam, wel zijn er mengvormen van een indirecte en directe democratie, waarin regelmatig volksraadplegingen of referenda worden gehouden, zoals in Zwitserland dat een half-indirecte democratie kent waarin burgers in zogenoemde Volksvergaderingen, de Landsgemeinden, samenkomen om te vergaderen over wetsvoorstellen en vervolgens te stemmen.
In een indirecte democratie laat het volk zich vertegenwoordigen door een gekozen orgaan, zoals een raad of parlement, wat het geval is de meeste Westerse landen. De meeste van deze landen kennen een parlementaire democratie, waarbij de burgers via gekozen vertegenwoordigers in het parlement het regeringsbeleid bepalen en controleren.
Het hoogste bestuursorgaan in Nederland is De Staten-Generaal, die bestaat uit de Eerste en Tweede Kamer en samen het parlement van Nederland vormen.
De Staten-Generaal hebben samen met de regering de wetgevende macht. De regering wordt gevormd door het kabinet met aan het hoofd de minister-president. Het kabinet bestaat uit een aantal ministers die ieder de verantwoordelijkheid hebben voor een bepaald beleidsgebied. De bevoegdheden van de Staten-Generaal liggen vast in de Grondwet.
Het parlement ofwel De Staten Generaal bestaat uit volksvertegenwoordigers die door de bevolking worden gekozen via verkiezingen en wel volgens het principe van evenredige vertegenwoordiging: een kiessysteem waarbij het aantal zetels in het parlement evenredig is met het percentage behaalde stemmen. Een politieke partij die 20% van de stemmen behaalt, heeft dus recht op 20% van het aantal zetels in het parlement.
De leden van De Tweede Kamer worden gekozen tijdens de Tweede Kamerverkiezingen. De verkiezing van de leden van de Eerste Kamer, ook wel senaat genoemd, vindt om de vier jaar plaats. De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van Provinciale Staten en de kiescolleges van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba, en het kiescollege niet-ingezetenen: Nederlanders die buiten Nederland wonen.
De leden van de Provinciale Staten worden om de vier jaar gekozen op basis van evenredige vertegenwoordiging. Naast de landelijke politieke partijen kunnen ook provinciale partijen meedoen.
De Staten-Generaal ofwel het parlement heeft twee functies, namelijk het (mede)creëren van de wetgeving en het controleren van de regering. Als de regering de wetten niet goed uitvoert kan het parlement het vertrouwen in de regering opzeggen en de regering wegsturen via een motie van wantrouwen.
Een wetsvoorstel moet door beide kamers worden goedgekeurd, eerst door de Tweede Kamer en vervolgens door de Eerste Kamer. De bevoegdheden van beide kamers zijn niet gelijk. De Tweede Kamer heeft meer macht dan de Eerste Kamer. De Tweede Kamer heeft het recht van amendement en het recht van initiatief, de Eerste Kamer kan een wetsvoorstel enkel goed- of afkeuren.
Een amendement is een formele wijziging van een (officieel) document. Het recht van initiatief of het initiatiefrecht houdt in het recht om een wetsvoorstel in te dienen.
Elk van de kamers van de Staten-Generaal heeft een zelfgekozen voorzitter. Op sommige momenten moeten beide kamers van de Staten-Generaal samenkomen in een verenigde vergadering. In dit geval is de voorzitter van de Eerste Kamer de voorzitter van de verenigde vergadering. Redenen om samen te vergaderen zijn Prinsjesdag, troonopvolging en een noodtoestand.
Het Nederlandse parlementaire stelsel is in theorie dualistisch, wat wil zeggen dat er een taakverdeling bestaat tussen bestuur en volksvertegenwoordigers. Het bestuur/ kabinet/regering is er om te besturen en de volksvertegenwoordigers dienen het bestuur te controleren.
Een duaal stelsel wordt vaak gezien als methode om de politiek opener te maken, transparanter en daarmee aantrekkelijker. Idealiter hoort daarbij dat de volksvertegenwoordiging, ook de regeringspartijen, zich kritisch en onafhankelijk opstellen ten opzichte van het kabinet.
In de praktijk is het parlementaire stelsel in Nederland echter niet dualistisch en bestaat er een zeer sterke verwevenheid van het parlement en de regering doordat het regeringsbeleid vooraf doorgaans al in grote lijnen wordt vastgelegd in een regeerakkoord dat tot stand komt in ‘torentjes- en achterkamertjesoverleg’ door de partijen die zitting hebben in het kabinet.
In een democratie is de voltallige bevolking soeverein, wat wil zeggen dat die het hoogste gezag heeft, direct of indirect en is alle autoriteit gebaseerd op de instemming van het volk. Deze bestuursvorm heeft als basis het beginsel van vrijheid en gelijkheid. Als iedereen vrij en gelijk is, zoals vermeld in het eerste artikel van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, dan heeft niemand méér recht dan een ander om bepaalde wetten vast te stellen of beslissingen te nemen.
Het toepassen van deze theorie in de politieke praktijk is doorgaans niet eenvoudig omdat, zoals de Franse filosoof, socioloog en staatsman Alexis de Tocqueville (1801-1859) zei, vrijheid en gelijkheid op gespannen voet met elkaar staan. Een te grote vrijheid gaat ten koste van gelijkheid en een te grote gelijkheid ten koste van vrijheid. Ook waarschuwde hij voor de tirannie van de meerderheid omdat hierdoor minderheden in de verdrukking kunnen komen. Op de gevaren die de democratie kunnen ondermijnen, wordt verderop uitgebreid teruggekomen.
7. De ochlocratie.
Het woord ochlocratie komt van het Griekse ὀχλοκρατία en κρατία die respectievelijk ‘menigte/massa’ en ‘heerschappij’ betekenen. Ochlocratie betekent dus ‘heerschappij van de massa’ en wordt door de Griekse historicus en politicus Polybius (ca. 203 –120 v.Chr.) omschreven als een ontaarde vorm van democratie, omdat een ochlocratie een vorm van bestuur is waarin de macht feitelijk in handen is van de massa en wel via massale en vaak ongecontroleerde opstanden, demonstraties, volksbewegingen die vooral gericht zijn op eigenbelang. In een ochlocratie worden beslissingen doorgaans genomen op basis van wat de meerderheid wil en wordt hiertegen onvoldoende tegenwicht geboden door de besturende partijen als het algemene belang in het geding is.
Een democratie kan ontaarden in een ochlocratie zoals de monarchie kan ontaarden in tirannie en een aristocratie in een oligarchie en dat gebeurt als het eigenbelang van een groep boven het algemeen belang wordt gesteld. Vanwege de ontaarde vorm van democratie wordt ochlocratie in het Nederlands ook wel ‘heerschappij van het gepeupel’ genoemd.
Ilja Pfeijffer zegt in een interview over zijn boek ‘Alkibiades’, een historische roman rond het verval van de Atheense democratie, dat wij ons in Nederland in een ochlocratie bevinden.
‘Een belangrijk symptoom hiervan is dat politici bang zijn voor de publieke opinie. Er is nauwelijks nog een politicus die de moed heeft om een lange termijnvisie te ontwikkelen; niemand durft verder te kijken dan de volgende opiniepeiling. Bij de bestrijding van de coronapandemie hebben we hier de gevolgen van gezien. Er was toen sprake van een medische noodsituatie waarvoor een beleid werd uitgestippeld op basis van wetenschappelijke inzichten. Maar dat beleid werd voortdurend aangepast onder druk van de publieke opinie.
Een ander symptoom is een afnemend respect voor de instituties. Dat zie je vooral bij populisten. Het eerste wat zij doen is zich afzetten tegen de instituties door te spreken van “Haags gedoe”, of een “nepparlement”. Ten slotte is er in een ochlocratie sprake van versnippering, waarbij de politiek een soort gevecht wordt tussen verschillende deelbelangen. De politiek is dan een spel om te winnen voor je eigen achterban – ten koste van anderen. Dat zie je duidelijk terug in de stikstofcrisis, die een strijd is geworden tussen verschillende groeperingen. Dit alles heeft geleid tot een kortademig, bijziend beleid zonder lange termijnvisie. Er is sprake van een totale systeemcrisis van allerlei samenhangende fundamentele problemen. En de overheid heeft geen oplossend vermogen, omdat niemand buiten het systeem durft te kijken.’
8. De theocratie.
Het woord theocratie kom van het Griekse θεός (theos) en κρατία (kratia) die respectievelijk ‘God’ en ‘macht’ of ‘kracht’ betekenen. Theocratie betekent dus ‘heerschappij van God’.
Een staatsvorm wordt een theocratie genoemd als geestelijken het bestuur domineren met een beroep op een goddelijke boodschap.
Een geestelijke is iemand die, vaak door een bepaalde religieuze wijding, de bevoegdheid heeft gekregen om godsdienstonderricht te geven, bepaalde gewijde handelingen te verrichten of religieuze bestuursfuncties uit te oefenen.
Een voorbeeld van een theocratie is het Vaticaan waar de paus het hoofd is van Vaticaanstad en de Rooms Katholieke Kerk op basis van uitspraken in de Bijbel.
Een ander prominent voorbeeld van een theocratie is Iran waar ayatollahs de uiteindelijke macht hebben en hun macht en beleid baseren op de Koran.
Een ayatollah is een titel van een sjiitische geestelijke. Het woord ayatollah is een samentrekking van de woorden āja[t] en Allah en betekent ‘teken van God’. Zij die deze titel dragen, zijn de kenners van de sjiitische islam en bepalen de rechtspraak, ethiek en filosofie.
Ook het bestuur van de orthodoxe Autonome Kloosterrepubliek Athos op het schiereiland Oros Athos in het noordoosten van Griekenland is een theocratie. Oros Athos wordt bestuurd door monniken en omvat meerdere Orthodoxe kloosters die dateren uit de tiende tot en met de zestiende eeuw.
*
In dit hoofdstuk werden de belangrijkste staatsvormen behandeld:
De zwart gekleurden staatsvormen hebben de potentie van ‘de goede weg’ en wel die van groei en ontwikkeling van mensen, de samenleving en de wereld. De rode gekleurde staatsvormen zijn duidelijk ‘slechte wegen’, omdat ze de groei en ontwikkeling van mensen, de maatschappij en de wereld belemmeren. Groei en ontwikkeling zijn de essentie is van alle leven.
‘Slechte wegen’ worden onder andere gekenmerkt door machtsuitoefening, eigenbelang, kortetermijnvisies, ongenuanceerd denken en het willekeurig omgaan met afgesproken regels en objectieve feiten.
In de huidige tijd zien we een tendens naar het bewandelen van ‘slechte wegen’ in weerwil van het feit dat de meeste mensen echt ‘goede wegen’ zouden willen bewandelen, omdat iedereen diep van binnen de wens heeft tot groei en ontwikkeling. De vraag is dan ook wat de oorzaken zijn deze negatieve tendens.
Naar mijn mening ligt de oorzaak in een complex geheel van de volgende factoren die elkaar beïnvloeden:
1. Secularisering, dat kan omschreven worden als het proces waarin de georganiseerde godsdiensten hun greep op de maatschappij verliezen.
2. Kapitalisme, dat omschreven kan worden als een economisch systeem dat niet primair gericht is op de behoeftebevrediging van mensen, maar op het maken van winst via investeringen in ondernemingen.
3. Individualisering, dat kan omschreven worden als het maatschappelijke proces waardoor mensen meer als individu dan als groep in de samenleving komen te staan.
4. Dehiërarchisering. Als een hiërarchie een systeem is om mensen te organiseren in verschillende rangen en niveaus en mensen op basis van hun ‘rang’ zeggenschap hebben over anderen, kan dehiërarchisering omschreven worden als het proces waarin mensen de zeggenschap van mensen die binnen een ‘organisatie’ in hiërarchie hoger staan als zij, steeds minder accepteren. Een proces dat we al eeuwen kennen binnen de puberteit en wel als kinderen steeds minder het gezag van de ouders accepteren. Dit proces zien we nu op alle niveaus plaatsvinden.
5. Populisme. De term populisme stamt af van het Latijnse ‘populus’ dat ‘volk’ betekend en is de naam voor een manier van communiceren en politiek bedrijven waarin er een diepe tegenstelling wordt gezien tussen ‘het volk’ en ‘de elite’, waarbij de populist eenzijdig de kant kiest van het volk.
Deze factoren zullen in de volgende hoofdstukken worden uitgediept, waarbij het van belang is ze vooral in samenhang te beschouwen, omdat de processen die deze factoren kenmerken nooit op zich staan, maar met elkaar verweven zijn. Ze beïnvloeden elkaar voortdurend doordat ze elkaar aanzwengelen, afzwakken of versterken, zoals we dat kennen binnen de klimaatproblematiek, waarin het ene proces het andere beïnvloedt en er een kettingreactie aan negatieve gevolgen ontstaat. De problemen kunnen dan ook alleen in onderlinge samenhang worden opgelost. Daarom zal in het volgende hoofdstuk kort aandacht besteed worden aan de filosofie van het holisme die de basis vormt van denken in samenhangen, van het en-en-denken.
2. Holisme.
De theorie van het Holisme werd tussen 1924 en 1933 ontwikkeld door Jan Christiaan Smuts, die leefde van 1870 tot 1950. Hij was een Zuid-Afrikaans staatsman en filosoof en studeerde in Leiden, Cambridge en Straatsburg. De kern van zijn theorie, die hij Holisme noemde, was dat het geheel meer is dan de optelsom van de delen. Een boom is meer dan de optelsom van wortels, stam, takken en bladeren. Het is ook een systeem waarin allerlei verschillende dynamische processen plaatsvinden van bijvoorbeeld sapstromen, verdedigingsmechanismen tegen bedreigingen, uitwisselingen met de omringende lucht en ondergrondse verbindingen met soortgenoten.
De filosofie van het Holisme bepleit een verschuiving van het paradigma van de machine naar het paradigma van het organisme. Een paradigma is een stelsel van modellen en theorieën dat binnen de wetenschap het denkkader vormt waar vanuit de werkelijkheid wordt geanalyseerd en beschreven. De filosofie van het Holisme pleit om de werkelijkheid niet als een machine te beschouwen maar als een organisme omdat de werkelijkheid niet staties is zoals een machine, maar dynamisch.
Het holistisch denken beschouwt de wereld en alle erop en er omheen in termen van verwevenheid en integratie. Ze legt de nadruk op de onderlinge betrekkingen in plaats van op de verschillende onderdelen op zich. Binnen een mens, gemeenschap, organisatie, maatschappij, bos, tuin of plant is er een voortdurende wisselwerking tussen de verschillende onderdelen, vinden er dynamische processen plaats die voortdurende veranderingen teweegbrengen afhankelijk van de verschillende omstandigheden en ontwikkelingsstadia. Ze zijn niet statisch zoals machines.
Bij een klok ligt van tevoren vast wat ze wel en niet kan. Ze kan zich niet autonoom ontwikkelen, wel kunnen haar mogelijkheden worden uitgebuit. Een organisme kan zich wel autonoom ontwikkelen en verandert voortdurend zoals we dat zien bij mensen en in de natuur. Machines worden geconstrueerd, organismen groeien. De activiteiten van een machine worden bepaald door de structuur ervan: een boormachine versus een klok. Bij organismen is het verband precies omgekeerd. De structuur van het organisme wordt bepaald door de processen: een plant die veel of weinig water krijgt.
Machines functioneren volgens een lineaire opeenvolging van oorzaak en gevolg: water doet een watermolenrad draaien en dat drijft vervolgens de molenstenen aan die het graan malen tot meel. Als een machine kapotgaat, heeft dat meestal één oorzaak: bij de molen is een tandrad kapotgegaan of de batterij van de klok is leeg.
Het functioneren van organismen is veel ingewikkelder. Als een organisme hapert, wordt dat vaak veroorzaakt door een aantal factoren die tegelijk optreden en elkaar versterken. Een plant die te weinig water krijgt, laat als tegenmaatregel een aantal bladeren vallen om verdamping van water tegen te gaan. Tegelijk kan er een infectie optreden, bijvoorbeeld door spint. Als de plant na verloop van tijd doodgaat, is het niet altijd duidelijk of dat lag aan te weinig water of aan de spintbesmetting of juist aan de samenhang tussen beide mogelijke doodsfactoren. Hetzelfde geldt voor elke ‘organisatie’ in welke vorm dan ook, dus ook voor een democratie en andere staatsvormen.
Binnen holistisch of het organismisch denken is er natuurlijk aandacht voor machine-achtige activiteiten. Het ontleden ervan wordt zeer zinnig gevonden. Doch deze ontledende reductionistische activiteiten kunnen nooit de pretentie hebben volledig te zijn. Reductionisme en Holisme worden binnen de holistische benadering gezien als complementaire benaderingen, benaderingen die elkaar aanvullenen, compleet maken, omdat ze beter bij de complexiteit van de werkelijkheid aansluiten.
Het traditionele wetenschapsdenken kan vanuit de lineaire benaderingswijze van ‘juist of niet juist’ gekenschetst worden als ‘of-of-denken’. Het holistisch denken wordt gekenmerkt door ‘het en-en-denken’.
Een goed voorbeeld van de en-en benaderingswijze zien we binnen de gezondheidszorg, zoals ik die in april 2016 beschreef in de column ‘Onze gezondheid’.
In 1948 spraken artsen en specialisten wereldwijd met elkaar de volgende simpele, maar duidelijke definitie van gezondheid af:
Gezondheid is de afwezigheid van ziekte.
In 2011 heeft Machteld Huber, huisarts en freelance onderzoeker bij het Louis Bolk Instituut in Driebergen, samen met anderen een nieuwe omschrijving geformuleerd:
Gezondheid is het vermogen je aan te passen en zelfregie te voeren in het licht van de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen in je eigen leven.
Op de website www.ipositivehealth.com wordt dit concept uitgewerkt en wordt gesteld dat gezondheid bepaald wordt door 6 samenhangende factoren:
Ik vind deze visie zeer hoopvol voor de door velen gewenste en gepraktiseerde holistische benadering van ‘gezondheid’, een benadering waarbij in de spreekkamer van artsen en specialisten niet alleen gekeken wordt naar onze lichamelijke of psychische klachten, maar ook hoe we in het leven staan, wat onze persoonlijke omstandigheden zijn en hoe we daarmee omgaan.
Een van de consequenties van deze benadering is dat er bij het constateren van een ‘ziekte’ niet alleen een diagnose wordt gesteld van wat er aan de hand is, maar ook dat er, onder andere aan de hand van bovengenoemde factoren, op zoek wordt gegaan naar de mogelijke achterliggende oorzaken. Immers als de oorzaken niet worden weggenomen, zal de aandoening uiteindelijk niet overgaan, terugkeren en wellicht chronisch worden.
De holistische benaderingswijze vereist een andere manier van mensen opleiden, breder. De verschillende disciplines, vakgebieden moeten leren openstaan voor en samenwerken met andere vakgebieden willen we complexe problemen echt kunnen oplossen.
Een arts zal dan ook meer vaardigheden moet hebben dan alleen het kunnen duiden en behandelen van specifieke ziekteverschijnselen. Het vereist dat hij naast zijn specifieke medische deskundigheid enige kennis, kunde en feeling heeft met alle vakgebieden die iets kunnen doen om ziektes te voorkomen en die hem ondersteunen om patiënten echt te genezen en hen zelf de verantwoordelijk te laten nemen voor hun gezondheid.
Het ontledende, reductionistische denken heeft een bijdrage geleverd aan het erkennen van ieders eigen identiteit, aan het besef dat de kwaliteit van de maatschappij wordt gevormd door de verschillende individuele kwaliteiten. Zo zal het holistisch denken een bijdrage leveren aan een ontwikkeling waarin al die verschillende individuele kwaliteiten zich met elkaar verbinden en individuen hun leven weer als zinvol ervaren, zoals elk stukje van een legpuzzel met zijn eigen vorm en kleur pas echt tot zijn recht komt en zijn doel vindt als het zijn plekje in het geheel van de legpuzzel heeft gevonden. We kunnen ons als mens alleen waardevol voelen en een zinvol leven leiden als we een waardevol plekje hebben in de samenleving door er met onze eigen persoonlijke capaciteiten een bijdrage aan te leveren. Vinden we dat plekje niet dan blijven we een van de vele stenen op de chaotische stapel stenen van de ingevallen muur of een van die vele puzzelstukjes in de puzzeldoos die allemaal wachten om samen een mooie puzzel te vormen.
Het zich uitbreidende gevoel van eenzaamheid en depressiviteit heeft mijn inziens alles te maken met het feit dat we ons niet verbonden voelen met een geheel, een groep en de maatschappij.
Naast het vinden van onze eigen identiteit, van dat wat we zijn, van wat we dromen, van dat wat we ambiëren, kunnen en niet kunnen, is het dan ook van belang om onze eigen waardevolle plek te vinden in onze omgeving en maatschappij, een plek waar we het gevoel hebben een zinvolle bijdrage te leveren. De Griekse filosoof Aristoteles zei:
‘Onderzoek wat jou echt diep plezier geeft, want daar ligt je roeping’.
Ons zinvol voelen en gewaardeerd kan alleen in de verbinding met onze diepste dromen en in een verbindende relatie met anderen.
Oud-president John F. Kennedey zei tijdens zijn inauguratie op 20 januari 1961:
‘Vraag niet wat uw land voor u kan doen, maar vraag wat u voor uw land kunt doen. Vraag niet wat Amerika voor u zal doen, maar wat wij samen kunnen doen voor de vrijheid van de mens.’
Om een waardevolle bijdrage te kunnen leveren aan het welzijn van anderen is het belangrijk, noodzakelijk, dat we gezond zijn en we onszelf optimaal ontplooien, onze eigen capaciteiten maximaal ontwikkelen. Goed voor onszelf zorgen, degenen willen worden die we diep in onszelf zijn door eigenwijs te zijn, nee te durven zeggen tegen zaken die we niet willen en ons belemmeren, en ja te zeggen tegen zaken waardoor we groeien, is niet egoïstisch. Een appelboom kan alleen als appelboom groeien en bloeien en een bijdrage leveren aan zijn omgeving door zo veel mogelijk vruchten te dragen.
In het en-en denken staat het individu niet tegenover de maatschappij, maar vormen ze samen een twee-eenheid. Zonder elkaar kunnen ze niet bestaan.
Om onze eigen en waardevolle plek te vinden in de maatschappij moeten we onze eigen ingewikkelde groeiprocessen en die van de maatschappij leren kennen en doorgronden. Daarbij kan het holistisch denken ons helpen. Het geeft ons inzicht en maakt ons vertrouwt met de complexe groei- en ontwikkelingsprocessen van onszelf en de wereld, met de complexiteit van onder andere de klimaatproblemen, en geeft ons zicht op de rol die wij als individu daarin spelen en op de bijdrage die we als individu kunnen leveren aan de oplossing ervan. Holisme komt van het Griekse woord ‘holos’ wat ‘geheel’ betekent. Een alleen als geheel, dus samen, kunnen we problemen oplossen en iets bereiken. Het vraagt om een ontwikkeling van ik en jij en van ik en jij naar wij, naar samen. Laten we proberen samen een mooie legpuzzel te maken.
3. Secularisering.
Secularisering of secularisatie stamt af van het Latijnse ‘saeculum’ dat onder andere ‘wereldlijk’ betekent en is de benaming voor het algemene fenomeen van ‘verwereldlijking’, wat inhoudt dat de invloed van religies op de levenshouding van mensen afneemt, wat ook wel ‘ontkerkelijking’ wordt genoemd.
Zoals bij alle maatschappelijke ontwikkelingen zijn er meerdere oorzaken te noemen voor dit proces. Veel sociologen zien als het begin van de secularisering de toename van het rationele en wetenschappelijke denken, dat alternatieve verklaringen bood voor de religieuze antwoorden op existentiële levensvragen: vragen die gaan over ons bestaan, zoals: ‘Wie of wat zijn we?’ en ‘Wat is de zin van het leven?’. De ontwikkeling van het denken leidde tot meer inzicht hoe wijzelf en de wereld functioneren en tot zelfbewustzijn, wat het begin was van het proces van individualisering, dat verderop uitgebreid zal worden besproken.
De aandacht voor en de nadruk op het denken vond plaats tijdens de Verlichting, een periode tussen ongeveer 1670 en 1800 waarin gestreefd werd licht te brengen in de duisternis die de Middeleeuwen kenmerkten en waarin de adel en de Kerk een dominante en onderdrukkende rol speelden. De adel leefde in weelde ten koste van het gewone volk en de Kerk dwong het volk te leven volgens haar wetten, normen en waarden door te dreigen met de eeuwige hel en kon kathedralen en bisschoppelijke paleizen bouwen met het geld dat mensen schonken en van mensen werd gevraagd in ruil voor de belofte van een hiernamaals in de hemel.
De invloed van de Rooms-Katholieke Kerk kon zo groot worden en zich verspreiden over een groot deel van de wereld doordat het Christelijke geloof in 394 de staatsgodsdienst werd van het Romeinse Rijk. De macht en de invloed van het Romeinse Rijk en de Kerk smolten vervolgens samen. Zo werd de Kerk een even grote onderdrukkende en rijke macht als het Romeinse Rijk en de daaropvolgende adellijke dynastieën.
Tegelijk met de Romeinse veroveringen van gebieden en hun bevolking, veroverde de Kerk hun ‘zielen’, wat later ook het geval was toen veel christelijke Europese volkeren landen over heel de wereld gingen koloniseren. De wereldlijke en kerkelijke macht bepaalden zo samen eeuwenlang het alledaagse leven van vele mensen in hun denken, doen en laten.
Terug naar De Verlichting. De Verlichting legde de nadruk op rationaliteit ofwel de kracht van de rede, het verstand, op empirisme dat stelde dat de zintuigelijke waarneming de enige basis is voor ware kennis en op individuele rechten. De verlichtingsidealen konden zich wijd verspreiden door de boekdrukkunst die rond 1450 was uitgevonden in Mainz en wel door de Duitse Johannes Gutenberg.
Door ruimte te geven aan het eigen denken kwam onder andere de dominantie van de regels en de moraal van de Kerk onder druk te staan. Mensen accepteerden deze steeds minder. Ook kwamen groepen in opstand tegen de rijkdom van de Kerk die volgens hen dwars stond op de kerkelijke leer. Dit leidde binnen de Rooms-Katholieke Kerk in het begin van de 16de eeuw onder andere tot de opstand van de religieuze beweging van de Reformatie, wat uiteindelijk leidde tot een afsplitsing van de Protestanten met als hoofdrolspeler de priester Maarten Luther.
Het toenemende bewustzijn en de afkeer van de macht en onderdrukking van de rijke en onderdrukkende adel en kerk kwam in 1789 tot uitbarsting in de Franse Revolutie, waarin zowel kerkelijke als adellijke figuren en bezittingen het doelwit waren, wat leidde tot een geweldsgolf van terechtstellingen van personen en vernietigingen van paleizen en kerken.
De Franse Revolutie wordt dan ook gezien als het begin van de emancipatiebeweging van het volk ten opzichte van de adel en de kerk, die in de jaren zestig van de vorige eeuw haar vervolg kreeg in de emancipatie van het individu. Ontworstelde zich tijdens de Franse Revolutie het volk aan de macht van de adel en de Kerk, in de jaren zestig ontworstelde het individu zich aan de overheersing van ‘het volk’ en wel aan haar instituties, zoals het gezin, regeringen en andere ‘bazen’, wat het begin was van het proces van dehiërarchisering, waarop verderop wordt teruggekomen.
Het zich ontworstelen aan de invloed van de kerk heeft er onder andere toe geleid dat, volgens het SCP-rapport ‘Buiten Kerk en Moskee’ uit 2022, Nederland een seculier, ontkerkelijkt land is geworden. Voor het eerst waren er in dat jaar meer niet-gelovigen dan gelovige mensen.
De meeste religies kenmerken zich door een duidelijke visie op de zin van het leven. Zo ziet het Hindoeïsme elk menselijk leven hier op aarde als een van de vele op elkaar volgende levens, met als doel om via een reeks van wedergeboortes, incarnaties, steeds deugdzamer te worden om uiteindelijk niet meer te hoeven incarneren en het eeuwig Nirwana te bereiken.
Ook het Christelijke geloof kent een duidelijk levensrichting. De Bijbel stelt dat wij hier op aarde zijn om God te dienen en daardoor hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn. Dit ‘dienen’ houdt in dat we een deugdzaam leven behoren te leiden, wat wil zeggen dat we ons leven leiden op basis van deugden: positieve grondhoudingen, normen en waarden die zowel goed zijn voor onszelf als anderen.
De klassieke deugdenleer of ofwel het nadenken over welke deugden we zouden moeten hebben om een goed mens te zijn, gaat terug tot de Griekse filosofen Plato en Aristoteles. Zij formuleerden de volgende kardinale deugden:
De deugden werden vanuit het oude Griekenland overgebracht naar het oude Rome en vervolgens overgenomen door de christelijke wereld en geïntegreerd in de katholieke theologie en de westerse wereld.
De secularisatie of ontkerkelijking heeft naast de bevrijdende ook ontwortelende aspecten. Werden er voorheen duidelijk richting gegeven en kaders gesteld aan het leven van mensen en de mensheid in de vorm van duidelijke normen en waarden, toen deze wegvielen ontstond er een vacuüm waar iedereen persoonlijk antwoorden moest geven op de van nature opkomende vragen over de zin en invulling van het leven. Maar omdat mensen dat niet gewend waren, ontstond er enerzijds een sfeer van verdwaaldheid en anderzijds een explosie van nieuwe opvattingen en daarmee verbonden gedragingen.
Een typisch voorbeeld van de verdwaaldheid is een gebeurtenis die ik persoonlijk heb meegemaakt tijdens de studentenrevolutie in de jaren zestig, toen ik bouwkunde studeerde aan de HTS. Toen we pleitten voor medezeggenschap en dit beargumenteerden met allerlei filosofische kreten van de Duits-Amerikaanse maatschappijkritische filosoof en socioloog Herbert Marcuse, zagen we bij de directie een soort verwarring, omdat ze enerzijds geen echte tegenargumenten tegen onze eisen hadden en anderzijds bang waren dat er onrust en opstand zou ontstaan, zoals op vele hogescholen en universiteiten het geval was. Ze waren gewend om van bovenaf alles te bepalen en hadden niet geleerd om dat in overleg met alle betrokkenen te doen. Schoorvoetend konden ze niets anders doen dat het experiment van een studentenraad aan te gaan. In vele andere gevallen werd eerst het aloude middel van repressie, onderdrukking gebruikt.
Op individueel vlak is deze verdwaaldheid te illustreren met de situatie waarin een puber zich afzet tegen zijn ouders en besluit op kamers te gaan wonen. Voorheen regelden de ouders alles voor hem, maar nu hij op eigen benen moet staan, blijkt dat hij op een hele hoop gebieden niet gewend en capabel is om zijn eigen boontjes te doppen, wat na een eerste fase van de euforie van vrijheid een fase van verwardheid oplevert.
Op maatschappelijke gebied gebeurde hetzelfde bijvoorbeeld in de voormalige DDR, waarvan de bevolking jarenlang niet alleen werd gedomineerd door een onderdrukkend communistisch regiem, maar ook op een hele hoop gebieden door dat regiem werd verzorgd. Iedereen die trouw was aan hun ideologie was verzekerd van werk, inkomen en huisvesting. Persoonlijk initiatief hoefde niet en werd vaak ook niet op prijs gesteld, de staat regelde alles en zorgde voor alles.
Toen de Berlijnse Muur in 1989 viel, viel ook het regiem en kregen de DDR-burgers westerse rechten, maar ook plichten, namelijk het leveren van een eigen bijdrage aan hun persoonlijke en maatschappelijk welzijn door zelf initiatieven te nemen. Omdat eigen initiatief en verantwoordelijkheid nooit waren gevraagd, konden ze maar moeilijk wennen aan de nieuwe situatie waarin de staat niet meer alles regelde en niet meer zorgde voor allerlei basisbehoeften en waarin van hen werd verwacht dat ze daar zelf zorg voor moesten dragen. Hoelang dit soort gewenningsprocessen kunnen duren is zichtbaar in het feit dat het merendeel van de huidige DDR-bevolking onlangs op de ultrarechtse partij AFD stemde, waarvan de ideeën haaks staan op die van ‘het vrije westen’ waarin ze in eerste instantie hun bevrijding zagen. Teruggrijpen op een niet bestaand maar verheerlijkt verleden en de schuld van de negatieve beleving van nieuwe situaties bij de regering of ‘de elite’ leggen, is dan ook vaak een reactie zoals die verderop onder ‘Populisme’ zal worden besproken.
Bij de overgang van een situatie waarin mensen gewend zijn dat anderen hun leven bepalen, naar een situatie waarin ze deze dominantie van zich hebben afschud en zelf meer meester zijn over hun eigen leven, ontstaat niet alleen vaak verwarring, maar krijgen ook allerlei gevoelens en opvattingen die eerder onderdrukt werden door de heersende machten, de kans om zich te manifesteren. Een sprekend voorbeeld hiervan is de chaos die er ontstond in het voormalige Joegoslavië, toen de leider van het federale Joegoslavië, Josip Broz, bijgenaamd Tito, stierf.
Als president voor het leven voerde Tito een dictatoriaal bewind, dat hem in staat stelde om allerlei onderhuidse gevoelens en spanningen die tot onrust konden leiden, te onderdrukken en politieke tegenstanders voor tientallen jaren de mond te snoeren. Na de dood van Tito kregen de eeuwenoude ideologische en vooral etnische en religieuze spanningen tussen de verschillende staten en volkeren alle ruimte, wat uiteindelijk in de jaren negentig leidde tot het uiteenvallen van de statenbond Joegoslavië en een gewelddadige oorlog tussen Serviërs, Albanezen, Kroaten en Bosniërs.
Hetzelfde gebeurde in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, waar in 2010 vele revoluties plaatsvonden die bekend staan als de 'Arabische Lente'. Na deze revoluties ontstond er vaak een heftige strijd tussen verschillende binnenlandse groeperingen, zoals in Libie en Irak na de val van de dictatoriale Mohammed al-Qadhafi en Saddam Hoessein.
Ook op persoonlijk vlak zien we dergelijke processen. De deugden die door de heersende religies werden voorgeschreven voor het leiden van een deugdzaam leven als voorwaarde om na de dood naar ‘de hemel’ te gaan, moesten ervoor zorgen dat mensen gingen leven vanuit hogere normen en waarden en niet vanuit hun instinctieve neigingen tot egoïsme, afgunst, jaloezie en haat, die leiden naar het bewandelen van ‘de slechte weg’. Door de secularisatie kregen deze deugden minder aandacht, waardoor ze minder als algemeen geldende normen werden ervaren en aangeleerd, met als gevolg dat de genoemde ‘ondeugden’ meer ruimte kregen. Deze werden vervolgens maar al te graag misbruikt door mensen die onze neiging tot bijvoorbeeld egoïsme en afgunst wilden gebruiken voor hun eigenbelang. Met name het kapitalisme en het populisme hebben van deze ruimte dankbaar gebruik gemaakt, zoals we verderop zullen zien.
Als de situatie van mensen van onderdrukking plotseling naar vrijheid gaat, ontstaat er niet alleen, zoals hierboven beschreven, verwardheid en het openbreken van oude onderdrukte gevoelens, maar komen ook onderdrukte frustraties vrij en krijgen onderdrukte dromen en opvattingen ruimte om zich te uiten en te ontwikkelen.
Een voorbeeld van onderdrukte frustraties zijn de vergeldingspraktijken tijdens de Franse revolutie en bij andere machtswisselingen, zoals onlangs gebeurde bij het aantreden van de president Trump, die verschillende belangrijke personen uit het regeringsapparaat ontsloeg, advocaten die mensen hadden bijgestaan in processen tegen hem of immigranten bijstonden, dreigden met uitsluiting voor overheidsopdrachten. Ook dreigde hij wetenschappers die kritiek leverden op zijn beleid met ontslag en legde hij universiteit allerlei maatregelen op onder de dreiging de staatssubsidie in te trekken.
Een voorbeeld van het openbreken van onderdrukte dromen en opvattingen zijn de dromen en opvattingen van de hippies van de jaren zestig van de vorige eeuw over vrije samenlevingsvormen en seks en over een anarchistische manier van leven: een leven zonder een hogere macht of autoriteit.
Kenmerkend is dat deze dromen en opvattingen in eerste instantie in extremen naar buiten treden, doordat ze langdurig onderdrukt zijn, zoals een ballon springt die te hard wordt opgeblazen. Extreme onderdrukking roept doorgaans een zucht naar onbeperkte vrijheid op, zoals elk uiterst standpunt doorgaans een ander uiterst standpunt oproept, gewend als we zijn te denken in tegenstellingen, in goed of fout.
‘De goede weg’ wordt bewandeld als nieuwe opvattingen, vanuit het standpunt van natuurlijke groei en ontwikkeling, door hun extremiteit zodanig invloed op oude ongewenste situatie hebben, dat er een nieuwe situatie ontstaat waarin het goede van de oude opvattingen wordt bewaard en wordt aangevuld met het goede van de nieuwe inzichten. Maar dit vereist openstaan voor het goede van elkaars standpunten en kunnen nuanceren: het en-en-denken.
Helaas blijven partijen in de praktijk vaak steken in een soort kunstmatig vrede, waar onderhuids wantrouwen het leven blijft domineren, waardoor de diepgelegen problemen niet worden aangepakt en opgelost, waardoor ze elk moment weer kunnen komen bovendrijven en tot geweld leiden, zoals we dat zien in delen van het voormalige Joegoslavië.
Ook komt het voor dat het ene onderdrukkende systeem wordt vervangen door een nieuw onderdrukkend systeem, zoals we hebben gezien in Iran, het voormalige Perzië, waar het dictatoriale prowesterse bewind van de sjah Mohammad Reza Pahlavi, die met de Parij voor de Iraanse Herrijzenis als enig toegestane partij het land regeerde, in 1978 werd verdreven door het uiteindelijk dictatoriale bewind van de islamitische theocratische Republiek Iran onder leiding van ayatollah Ruhollah Khomeini.
Zoals hierboven uitgebreid beschreven, had de secularisatiegolf in de westerse wereld een groot aantal gevolgen. De christelijke samenleving veranderde in een maatschappij die niet meer, zoals eeuwenlang het geval was, werd ‘geregeerd’ door religieuze normen en waarden, waardoor we met zijn allen in een onbekende situatie terecht kwamen, waarin we, zonder de eeuwenoude richtingaanwijzers naar zingeving, onze weg moesten en moeten zien te vinden, in een leven dat mede hierdoor door velen als zinloos en leeg wordt ervaren, met als gevolg stijgende psychische en fysieke klachten. Zinloosheid en leegte is volgens de Belgische psychiater en hoogleraar Dirk De Wachter anti-leven en daardoor levensbedreigend.
Het verlies en het gebrek van houvast heeft volgens de Vlaamse filosoof Marc De Kessel tot gevolg dat het ego oververhit is geraakt. We zoeken verwoed naar ankerpunten in onszelf en denken die te vinden in consumptie en sommigen in vormen van fundamentalisme, die vaak gekenmerkt worden door sterk leiderschap, eindtijdverwachting, een heldere moraal en vaak door een scherpen en onwrikbare politieke visie.
Tegelijkertijd, zo zegt hij, is het hoopgevend dat, ondanks het oververhitte egoïsme, de westerse mens nog altijd geworteld is in een christelijke cultuur, die gericht is op de zorg voor de ander. In alle vrijheid kunnen we er nog altijd naar verlangen om onszelf los te laten, ons kleine ik te ontstijgen en ons te verbinden met iets groters, wat we helaas vaak denken te vinden in een roes of genot. Het veelvuldig gebruik van drugs kan dan ook enerzijds gezien worden als een poging om even te ontsnappen aan de zinloosheid en de zwaarte van het leven en anderzijds als een symptoom van ons verlangen naar de verbinding met iets hogers dat ons leven een zinvol doel en een zinvolle invulling geeft. In een tijd waarin het ego alom centraal staat, is er tegelijkertijd sprake van een verlangen om van het ego, dat toch ook maar beperkt is, af te komen, aldus De Kessel.
Het volgende hoofdstuk is gewijd aan het kapitalisme, dat, zoals eerder beschreven, onder andere kon groeien dankzij de ruimte die ‘het egoïsme’ kreeg door de secularisatie. De Belgisch hoogleraar klinische psychologie en psychoanalyse Paul Verhaeghe beschrijft het proces van het verschuiven van religieuze uitgangspunten naar kapitalistische doelen in zijn boek ‘Onbehagen’ als volgt:
‘Zolang het verbond tussen Kerk en Staat de maatschappij domineerde, was de mens in eerste instantie een gelovige en alle overige aspecten van zijn identiteit vloeide daaruit voort. Tegenwoordig domineert het verbond tussen Staat en Markt, en zijn we consumenten wier koopkracht de belangrijkste zorg is van politici.’ Pag. 63.
Naast wat het kapitalisme inhoudt, wordt er gekeken naar de gevolgen van het kapitalisme op het functioneren van het individu en de maatschappij.
4. Het kapitalisme.
‘Het evenwicht tussen wat een maatschappij van haar burgers verwacht en waar zij menen recht op te hebben, is nooit in balans, en elk tijdperk formuleert een eigen antwoord.
Het is geen toeval dat twee grondleggers van de klassieke filosofie er hun voornaamste werk aan wijdden. Plato (De Republiek) droomde van een ideale staatsvorm, Aristoteles (Ethica Nicomachea) beschreef nuchter hoe we een goed leven kunnen bereiken.
Na en naast de filosofen volgden theologen en vanaf de Verlichting kwamen de antwoorden van ideologen. Tegenwoordig zijn de economen die de toon zetten.’
Paul Verhaeghe, Onbehagen, Pag. 15.
Sinds de Tweede Wereldoorlog zien we een verschuiving van het christelijke accent op wat allemaal niet mag naar het liberale mantra van vrijheid waarin alles mogelijk moet zijn en waarbij de randen van de wet opgezocht mogen worden, een verschuiving van ‘gij zult niet …’ naar ‘gij zult …. en wel zoveel mogelijk’, waarbij het streven naar materiele en dus economische groei en welvaart centraal staan, een verschuiving van het streven naar geestelijk welzijn naar materiele welvaart, een verschuiving van de dominantie van religie naar de dominantie van de economie.
Het begrip economie stamt uit het Oudgriekse οἶκος (oikos) en νόμος (nomos), die respectievelijk ‘huis’ en ‘regel’ betekenen. Economie betekent dus het regelen van het huishouden ofwel huishoudkunde.
Economie is dan ook een wetenschap die zich bezighoudt met hoe we ons eigen en gemeenschappelijk huishouden voeren, met de keuzes die we maken bij de productie, distributie en consumptie van goederen en diensten. De keuzes die gemaakt worden leiden tot en bepaald economisch systeem.
Al eeuwen is onze economie een markteconomie, dat wil zeggen een economisch systeem waarin goederen door producenten worden geproduceerd voor consumptie en worden verdeeld onder consumenten via handel op de markt. De prijs van de producten wordt bepaald door vraag en aanbod en onderlinge concurrentie tussen de producenten. Dit systeem is primair gericht op de behoeftebevrediging van mensen.
Het kapitalistische economische systeem is niet primair gericht op de behoeftebevrediging van mensen, maar op het maken van winst en wel via het investeren van geld in ondernemingen, waarbij dus niet de productie op zich het doel is, maar het maken van winst. De vraag binnen dit systeem is dan ook niet wat mensen nodig hebben om goed te kunnen leven, maar om producten te produceren en te verkopen waarvan de investeringen in de productie- en verkoopprocessen zoveel mogelijk rendement opleveren.
Was ‘de markt’ voorheen voornamelijk een vragersmarkt, wat wil zeggen dat er producten werden aangeboden die mensen vroegen om in hun behoeften te voorzien, ‘de markt’ van het kapitalisme is in toenemende mate een aanbiedersmarkt geworden, wat wil zeggen een markt waarop mensen verleid worden om producten te kopen die ze niet echt nodig hebben. Ze worden uitsluitend geproduceerd en aangeboden op de markt om er geld mee te verdienen en worden gepromoot door in te spelen op niet rationele koopimpulsen. Er wordt hierbij gebruik gemaakt van de nieuwste psychologische inzichten om mensen te verleiden tot kopen.
Wat maakt dat we verleid worden tot aankopen die we eigenlijk niet nodig hebben en uiteindelijk niet bijdragen aan ons welzijn en financiële stabiliteit? Onderzoek naar koopgedrag heeft een aantal factoren blootgelegd waarom we dingen kopen die we niet nodig hebben:
1. Emotioneel winkelen.
Veel mensen kopen spullen als een manier om zich beter te voelen. Dit kan een reactie zijn op stress, verveling, eenzaamheid of verdriet. Een nieuwe aankoop geeft een tijdelijk geluksgevoel, omdat ons brein dopamine aanmaakt wanneer we iets nieuws bemachtigen. Echter, dit effect is vaak van korte duur en kan zelfs leiden tot schuldgevoelens of spijt achteraf. Dit patroon wordt ook wel ‘retail therapy’ genoemd.
2. Invloed van marketing en reclame.
Bedrijven spenderen miljarden aan marketingstrategieën die ons verleiden tot kopen. Denk aan slimme reclames, gepersonaliseerde advertenties op sociale media en psychologische tactieken zoals het creëren van schaarste (‘Nog maar 2 op voorraad!’) of urgentie (‘Actie verloopt over 3 uur!’). Daarnaast spelen merken in op ons verlangen naar luxe en status door exclusiviteit te benadrukken.
3. Sociale druk en status.
We willen erbij horen en indruk maken op anderen. Nieuwe gadgets, mode en trends spelen in op onze behoefte aan sociale acceptatie. Soms kopen we dingen puur om niet achter te blijven bij vrienden, collega’s of influencers op sociale media. Dit wordt versterkt door de ‘Fear of Missing Out’ (FOMO), waarbij we bang zijn om iets te missen als we niet meedoen aan een trend.
4. Het Diderot-effect.
Het Diderot-effect treedt op wanneer een nieuwe aankoop leidt tot aanvullende aankopen. Dit fenomeen werd voor het eerst beschreven door de Franse filosoof Denis Diderot, die een nieuwe kamerjas kreeg en ontdekte dat deze niet bij zijn oude interieur paste. Dit zette hem ertoe aan om zijn hele inrichting te vernieuwen. Een hedendaags voorbeeld: je koopt een nieuwe bank en ineens lijken je oude kussens, salontafel en tapijt niet meer te passen, waardoor je die ook vervangt. Dit kan een sneeuwbaleffect veroorzaken, waarbij één aankoop een kettingreactie van andere aankopen triggert.
5. De illusie van een goede deal.
We laten ons vaak verleiden door aanbiedingen en kortingen. ‘Twee halen, één betalen’ of ‘70% korting’ klinkt als een geweldige deal, maar als je het product niet echt nodig had, heb je nog steeds geld verspild. Bovendien spelen winkels in op onze drang naar koopjes door schijnkortingen te geven, waarbij de ‘oude prijs’ kunstmatig verhoogd is.
Bron: https://mentor-moens.nl/waarom-kopen-we-dingen-die-we-niet-nodig-hebben
Binnen het kapitalistische systeem ligt de nadruk dus op het maken van winst en overwinst: het vermeerderen van kapitaal, kapitaalaccumulatie genoemd, dat geïnvesteerd wordt in de groei van de eigen onderneming en, als de winst groter is dan daarvoor nodig is, voor investeringen in andere ondernemingen.
Om meer winst te maken wordt de consumptie aangejaagd, met als gevolg dat consumenten steeds harder moeten werken en meer verdienen om aan de opgeschroefde normstandaard van welvaart te kunnen voldoen, en onderling gaan concurreren met betrekking tot geld en status, wat leidt tot afbrokkeling van het samenhorigheidsgevoel, met alle schadelijke persoonlijke en maatschappelijke gevolgen van dien. Zo stijgen de psychische klachten onder jongeren al jaren ten gevolge van de druk om te moeten presteren en neemt ook het aantal burnoutklachten onder werkenden schrikbarend toe.
Bij de huidige status- en succescultuur hoort dat we op zoveel mogelijk consumptiegebieden actief zijn. Er wordt dan ook niet meer gevraagd of we een leuk weekend of vakantie hebben gehad, maar wat we allemaal hebben gedaan en meegemaakt en hoe vaak en hoever we op vakantie zijn geweest. Dit leidt tot de verslaving die hierboven reeds is genoemd en bekend staat onder ‘Fear of Missing Out’.
Verder zijn steeds meer mensen zodanig gewend aan een bepaald consumptiepatroon dat ze niet een baan kiezen die past bij hun persoonlijke aspiraties, maar een baan waarmee ze de hoeveelheid geld kunnen verdienen die nodig is voor het gewenste consumptiepatroon en de daarbij behorende status. Dit leidt uiteindelijk tot onbevredigend werk met alle persoonlijke en maatschappelijke gevolgen van dien. Een geld- en consumptie gerichte economie bevordert niet de vrijheid, integendeel, ze maakt mensen tot slaven van het op winst gericht consumptiesysteem.
Door de geniepig aangejaagde en op winst gerichte groei van de consumptie zijn er steeds meer grondstoffen nodig die voor het grootste gedeelte niet onbeperkt voorradig zijn en vaak onder slechte arbeidsomstandigheden worden gewonnen in ontwikkelingslanden die er zelf maar weinig profijt van hebben. Als alle mensen op deze aarde zouden leven zoals de gemiddelde Nederlander, zouden we 3,5 aarden nodig hebben om in die behoeften te voorzien.
Afsluitend moet geconstateerd worden dat we door het ontstaan en in stand houden van de huidige kapitalistische economie een onverzadigbaar monster hebben gecreëerd dat vele slachtoffers maakt en persoonlijke en maatschappelijke crisissen veroorzaakt.
Voor een uitgebreide verkenning van het kapitalisten en haar invloed op de samenleving: ga naar ‘Boeken’ in het menu van de website ‘harriebielders.nl’ en vervolgens in het submenu naar ‘Kapitalisme: de weg naar de ondergang’.
In het volgende hoofdstuk wordt het begrip individualisering onderzocht. Wat betekent het, waar komt het vandaan, wat houdt het in en welke rol speelt het in ons persoonlijk en maatschappelijk leven.
5. Individualisering.
Individualisering kan omschreven worden als het maatschappelijke proces waardoor mensen meer als individu dan als groep in de samenleving komen te staan en in toenemende mate zelf, individueel, bepalen hoe ze hun leven vormgeven.
Zoals we eerder hebben opgemerkt, kan de Verlichting gezien worden als het begin van het individualiseringsproces. In de cultureel-filosofische en intellectuele stroming van de Verlichting werd onder andere gepleit voor tolerantie, vrijheid en gelijkheid en werd de aanzet gegeven tot modernisering van de samenleving door middel van individualisering, emancipatie, secularisering en globalisering.
Eeuwenlang bepaalde de gemeenschap waarin een individu opgroeide en leefde wat hij moest doen en laten. Met name na Tweede Wereldoorlog kwam daar, zoals al eerder aangegeven, verandering in en eisten jongeren het recht om zelf de baas te zijn over hun leven, hoe ze zich kleedden, wat ze dachten, deden en lieten, hoe ze zich als individu met hun specifieke capaciteiten en dromen wilden ontwikkelen. Het individu scheidde zich af van de groep omdat het de groepsdruk niet meer verdroeg en accepteerde.
Dit proces kan alleen maar toegejuicht worden, gezien de essentie van het leven dat streeft naar groei en ontwikkelingen van potenties. Toch wordt het door velen gezien als de bron van egoïsme en een teloorgang van het gemeenschapsgevoel, van de versplintering van de samenleving.
Iemand die zich uitvoerig heeft beziggehouden met de vaak veronderstelde tegenstelling tussen individualisme en de sociale samenleving, is de Canadese filosoof en politieke wetenschapper Charles Taylor. Taylor houdt in zijn boek ‘De malaise van de Moderniteit’ niet het individualisme als zodanig verantwoordelijk voor vele maatschappelijke problemen, maar slechts de uitgeklede vorm daarvan en wel die vorm die veronderstelt dat het individu volledig vrij is en los staat van alle andere mensen en daarmee niets te maken meent te hebben.
Hij beargumenteert uitvoerig dat het individu en de samenleving een twee-eenheid vormen en in alle opzichten van elkaar afhankelijk zijn. Immers het individu kan pas ontdekken wat voor hem waardevol is door de waarden van de samenleving te kennen en deze te beoordelen en het individu kan zichzelf alleen leren kennen en wezenlijk ontplooien samen met en door anderen, omdat de omgeving de spiegel is die hem laat zien wie hij is en wat hij doet, hem prikkelt verder te gaan dan het reeds bereikte, hem met andere zienswijzen en situaties confronteert, hem laat zien dat het ontwikkelen van een eigen zienswijze op het leven en het daaraan gekoppelde gedrag, alleen mogelijk is door kennis te nemen van andere zienswijze en deze ‘te verteren’ tot zijn eigen zienswijze, hem laten ontdekken dat de dictatuur van de afgezworen algemene normen uit het verleden niet ingeruild kan en mag worden door zijn eigen zienswijze en gedrag tot het enig juiste te verheffen.
Het is belangrijk om te beseffen dat het verworven recht om trouw te zijn aan onze eigen individualiteit ook inhoudt we de individualiteit en de daaraan gekoppelde rechten van anderen herkennen, erkennen en respecteren. Individualiteit houdt in dat we allemaal anders zijn en dat mogen zijn.
De wisselwerking tussen individu en de samenleving bepaalt uiteindelijk de kwaliteit van het individu en van de samenleving. Ze zijn tot elkaar veroordeeld, zoals een boom afhankelijk is van zijn omgeving en de omgeving afhankelijk is van de boom. Deze afhankelijkheid kan en mag echter niet, zoals in het verleden, afgedwongen worden door machtsuitoefening.
Sociaal gedrag was in het verleden vaak geen echt sociaal gedrag, maar een opgelegd gedrag, waarin vaak normen verankerd waren die de macht van de hiërarchie in stand hielden. Tijdens de revolutie van de jaren zestig ontworstelde het individu zich aan deze hiërarchie, waardoor het mogelijk wordt dat er een bewuste sociabiliteit ontstaat die niet is opgelegd, maar die wordt beleefd van binnenuit, die niet wordt ervaren als bedrukkend en die er is omdat mensen het zelf willen vanuit het inzicht dat het belangrijk is voor henzelf en de maatschappij.
Binnen veel culturen wordt het gezin nog steeds gezien als de bouwsteen van de samenleving. Naar mijn mening is dit een verkeerd standpunt, omdat in feite het individu de bouwsteen is van de samenleving en het gezin de school die de verantwoordelijkheid heeft deze ‘bouwsteen’ die kwaliteit te geven die de maatschappij nodig heeft om goed te functioneren, net zoals de baksteenfabriek ervoor moet zorgen dat ze de juiste bakstenen produceert voor een stevig en mooi gebouw. Net zomin als de baksteenfabriek de bouwsteen is van een gebouw, net zomin is het gezin de bouwsteen van de samenleving.
Zoals de dictatuur de deviante, afwijkende vorm is van de monarchie en de ochlocratie van de democratie, zo is het ontaarden van individualisering in egoïsme een negatieve uitwas van het individualiseringsproces zoals dat eigenlijk emancipatorisch is bedoeld, namelijk als onderdeel van het ontwikkelingsproces van het individu binnen en door de samenleving en de ontwikkeling van de samenleving door de specifieke bijdragen van elk individu dat zijn specifieke capaciteiten heeft kunnen ontwikkelingen binnen en door de maatschappij.
De afwijkende vorm van individualisering zouden we egoindividualisering kunnen noemen. Het Latijnse woord ‘ego’ betekent letterlijk ‘ik’ en wordt in onze cultuur doorgaans gebruikt voor ons ‘kleine ik’ dat sterk op zichzelf is gericht en zich afgescheiden van de groep opstelt, zichzelf ‘opblaast’ en een zelfbeeld heeft dat niet met de werkelijkheid overeenkomt.
De egoindividualisering ofwel de negatieven, egoïstische, ik-gerichte kant van het individualisme kon en kan mede groeien binnen een cultuur die gedomineerd werd en wordt door het kapitalistische denken, dat geld centraal stelt en het oerinstinct aanspreekt om ‘gezien te worden’, wat veel mensen trachtten te bereiken door het natreven van materiele status, zoals dat al eeuwen het geval is. De Duitse filosoof Schopenhauer waarschuwde al in de 19de eeuw voor de bodemloosheid en dus voor de zinloosheid van dit streven met de volgende uitspraak:
‘Rijkdom is als zeewater, hoe meer je ervan drinkt, hoe meer dorst je krijgt.’
Illustratief hiervoor is bijvoorbeeld het feit dat uit onderzoek binnen de financiële sector bleek dat niet de hoogte van de jaarlijkse bonus belangrijk gevonden wordt, maar de hoogte ervan in vergelijking met collega’s. Hetzelfde is te zien in jachthavens waar de grootte van de boten van rijke miljonairs en miljardairs alsmaar toeneemt en in de concurrentiestrijd tussen de miljardairs Elon Musk en Jeff Bezos.
De behoeften van het ‘kleine ik’ worden gevormd door de volgende 4 algemene basisbehoeften:
1. Lichamelijke behoeften.
Deze behoeften houden verband met de lichamelijke processen die het goed functioneren van ons lichaam in stand houden. Hieronder vallen onder meer behoefte aan slaap, voedsel en drinken. Zonder de bevrediging van deze behoeften kunnen we niet functioneren.
2. Behoefte aan fysieke veiligheid en economische zekerheid.
Het bevredigen van deze behoeften zoeken we als mens in georganiseerde kleine of grote groepen, zoals het gezin, de buurt, de vereniging en het bedrijf, waarbij het gaat om het hebben van een huis, relaties, werk en inkomen. Een uitgebreid stelsel van sociale zekerheid kan ons hierbij helpen.
3. Behoefte aan sociaal contact.
Dit betreft de behoefte om ergens bij te horen, de behoefte aan vriendschap, sociale verbondenheid, liefde en positieve sociale relaties. We zoeken naar groepen waarmee we ons kunnen vereenzelvigen en waarvan we onderdeel uitmaken.
4. Behoefte aan waardering, erkenning en zelfrespect.
We streven naar eigenwaarde en zelfverzekerdheid én naar status, aanzien en respect binnen een groep.
De groepen behoeften 3 en 4 hangen met elkaar samen, beïnvloeden elkaar. We ontlenen namelijk eigenwaarde vaak aan aanzien en respect binnen een groep.
Volgens de Amerikaanse klinisch psycholoog Maslow (1908-1970) maakt het vervullen van de bovengenoemde vier basisbehoeften ons niet echt gelukkig, maar zijn het voorwaarden om ons te kunnen richten op de behoeftes van ons ‘grote ik’ die ons echt gelukkig maken en verbonden zijn met de essentie van het leven, namelijk het ontwikkelen van de ons gegeven potenties en wel ten behoeve van de groei van onszelf en de maatschappij. Deze ‘hogere’ behoeften zijn:
1. Behoefte aan zelfverwerkelijking of zelfactualisatie.
Dit is de behoefte aan persoonlijke groei en ontwikkeling, aan het maximaal ontwikkelen van onze talenten. Hierbij speelt het sociale milieu en de cultuur waarin we leven een belangrijke rol: in hoeverre krijgen we als persoon de ruimte en de stimulans om onze eigen persoonlijke weg te volgen.
2. Behoefte aan zelftranscendentie.
Deze behoefte gaat in de kern over het uitstijgen boven onszelf en heeft betrekking op de verbinding met datgene wat groter is dan wijzelf. Dat kan een scala aan dingen zijn: de mensheid, de natuur, het universum of het goddelijke.
Zelftranscendentie staat voor het spirituele en nobele deel van de menselijke natuur, waarin het ontwikkelen van ons volledige potentieel als doel heeft een belangrijke bijdrage aan de wereld te leveren. Zelftranscendentie is onbaatzuchtig en gericht op de zorg voor anderen of de planeet. ‘Wat kan ik aan het leven geven’ en ‘Wat verwacht het leven van mij’ zijn transcendente vragen.
Als we blijven steken in het vervullen van onze basisbehoeften, leidt dat niet tot een gevoel van een zinvol leven, wat de oorzaak is van het hedendaagse ‘onbehagen’, een gevoel van verdwaasdheid, zinloosheid, verloren te zijn in de wereld en het leven.
De Nederlandse schrijver Bas Heijne schreef in zijn boek ‘Onbehagen’ over het hedendaagse gevoel van onbehagen het volgende:
‘Het hedendaagse onbehagen heeft een dubbel beeld: het ene beeld laat een permanent ontevreden burger zien, die niet langer een algemeen belang erkent en ook geen geduld meer heeft voor wat Freud het realiteitsprincipe noemt. Deze burger is gewend zijn zin te krijgen, hem is beloofd dat hij zijn eigen wereld mag maken; wat niet aan zijn verlangens tegemoetkomt, wekt zijn desinteresse of, wanneer hij zich erdoor gedwarsboomd voelt, zijn woede. Deze burger is een diva, door en door egocentrisch en verwend, intolerant voor andere opvattingen, in wezen voor alles dat als anders wordt ervaren.
Het andere beeld is dit: het gaat om het individu dat weliswaar van alle kanten autonomie krijgt aangepraat, maar in zijn eigen leven juist vooral een verlies van autonomie ervaart. Nieuwe technologie maakt zijn leven steeds gemakkelijker, maar ook complexer – technologie stelt hem in staat met zo ongeveer de hele wereld te communiceren, maar confronteert hem ook met de overweldigende verknooptheid der dingen. Er is te veel dat zijn aandacht opeist, empathie van hem verlangt, hem confronteert met zijn eigen beperkingen. Tegelijkertijd is er steeds minder sprake van echt contact en zijn oude gezagsstructuren ontmanteld uit naam van de vrijheid en dan vooral keuzevrijheid. Maar die vrijheid wordt ook als een zware last ervaren omdat de last van zelfregulering zwaarder is geworden.’ Pag. 61-62.
Willen we de hoge waarden van individualisering nastreven als onderdeel van onze eigen ontwikkeling, die onlosmakelijk samenhangt met de ontwikkeling van de maatschappij, dan zullen we ons vooral moeten richten op de behoeften van ons ‘grote ik’ dat begint met het herkennen en erkennen van de basisbehoeften van ons ‘kleine ik’ en van de noodzaak dat iedereen die behoeften moet kunnen vervullen, maar ook het zien van de betrekkelijkheid van deze behoeften, namelijk dat ze ons niet echt gelukkig maken en we ons moeten richten op de behoeften van ons ‘grote ik’.
In het volgende hoofdstuk wordt dieper ingegaan op het proces van dehiërarchisering, op wat het inhoudt en wat de gevolgen zijn voor het individu en de samenleving.
6. Dehiërarchisering.
Dehiërarchisering kan omschreven worden als het proces waarin mensen de zeggenschap van mensen die binnen een ‘organisatie’ in hiërarchie hoger staan dan zij, steeds minder accepteren, alsook de wetten, voorschriften, normen en waarden waar we ons van ‘hogerhand’ aan moeten houden.
We kennen al sinds mensenheugenis hiërarchische structuren waarbinnen verschillende rangen en niveaus bestaan met ieder hun eigen taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden.
Hiërarchische structuren kennen we zowel op kleine als grote schaal. De gespreksleider tijdens een vergadering, de voorzitter van een club, het hoofd van een school, de directeur van een organisatie, de burgemeester van een stad, de commissaris van de koningin als hoofd van een provincie, de minister-president als hoofd van de regering, zij vervullen allemaal een bepaalde geformaliseerde rol binnen formele hiërarchische structuren binnen onze maatschappij.
Naast formele hiërarchische structuren kennen we ook informele hiërarchische structuren, zoals die bestaan binnen groepen, waar iemand bijvoorbeeld spontaan als leider wordt gezien omdat hij het initiatief neemt voor bepaalde acties en anderen vervolgens spontaan bepaalde taken op zich nemen op basis van hun interesses en capaciteiten.
Een hiërarchie met formele en informeel gegroeide rollen is efficiënt en effectief omdat ze duidelijkheid geeft over wat iedereen moet doen om gezamenlijk doelen te bereiken en over wie waarvoor verantwoordelijk is.
Taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden vormen samen de inhoud van ieders functie/rol binnen een groep/organisatie. Iedereen heeft bepaalde capaciteiten, kennis en vaardigheden, die hem geschikt maken om bepaalde taken uit te voeren. Om die taken goed te kunnen uitvoeren heeft hij niet alleen bepaalde bevoegdheden nodig maar is hij ook verantwoordelijk voor het uitvoeren van de hem toebedeelde taken.
Zo heeft een leidinggevende leidinggevende capaciteiten nodig, heeft hij de bevoegdheid om taken in overleg te verdelen, toezicht te houden op de algemene gang van zaken, het geheel te coördineren en eventueel correcties aan te brengen. Hij krijgt daarmee ook de eindverantwoordelijk voor het verloop van het geplande proces en wordt afgerekend op het eindresultaat.
Binnen het geheel van een organisatie is het noodzakelijk dat iedereen zijn taken en bevoegdheden op zijn eigen manier kan vormgeven, omdat dat een essentiële rol speelt in het voorzien in de eerdergenoemde behoefte aan zelfverwerkelijking of zelfactualisatie, doordat het ruimte biedt voor een brede professionele ontwikkeling en het mensen het gevoel geeft van eigenaarschap over hun rol binnen een organisatie.
Omdat deze ‘hogere behoeften’ steeds meer worden herkend en erkend, zijn hiërarchische structuren na de tweede wereldoorlog sterk veranderd.
Werkten hiërarchische structuren eeuwenlang top-down, dat wil zeggen dat mensen op een hogere niveau bepaalden wat en hoe iets moest gebeuren op een lager niveau, na de revolutie van de jaren zestig, waar inspraak, medezeggenschap en eigen verantwoordelijkheid werd geëist, ontstonden er langzaam steeds meer nieuwe structuren waarin mensen niet alleen in toenemende mate inspraak kregen in het algemene beleid, maar waarin ze ook hun takenpakket op een eigen manier mochten invullen, met als gevolg dat zowel de arbeidsmotivatie als de productiviteit toenam. Werk werd steeds meer erkent als een belangrijke plek voor individuele zelfontplooiing.
Sterk hiërarchische organisaties met een groot aantal managementlagen veranderden langzaam in platte organisaties zonder allerlei managementlagen die van alles regelden en bepaalden voor onderliggende lagen zonder duidelijkheid wat hun ‘eindproduct’ was waarvoor ze verantwoordelijk waren. Bevoegdheden en verantwoordelijkheden werden zo diep mogelijk binnen de organisatie gedelegeerd naar een beperkt aantal organisatieonderdelen die vaak de status van zelfsturende teams kregen, waardoor de communicatie- en verantwoordelijkheidsstructuren overzichtelijk werden.
Voor veel leidinggevenden blijft delegeren van verantwoordelijkheden helaas moeilijk. Ze willen de controle houden, wat vaak leidt tot ingewikkelde, tijdrovende, kostbare en bureaucratische verantwoordingsprocedures waarbinnen van alles verslag gedaan moet worden en waartegen al jaren gestreden wordt, helaas zonder weinig resultaat, maar wel met als gevolg een negatieve invloed op de arbeidsproductiviteit en de werkmotivatie.
De weg naar minder hiërarchische organisaties is nog lang. Gelukkig zijn er ook hoopgevende initiatieven, zoals allerlei coöperaties die zich niet alleen ontworstelen aan de machtige kapitalistische handelsstructuren waarbinnen allerlei mensen geld verdienen aan ‘handel’ zonder echt waarden toe te voegen aan producten of diensten, maar die ook een samenwerkingsstructuur kennen waarbinnen alle betrokkenen in onderling overleg de gang van zaken bepalen.
Een uitgebreide verkenning van deze ontwikkelingen kun je lezen in het boekje ‘Dromen van een welzijnseconomie’ waarvan de tekst te lezen is op de website ‘harriebielders.nl’ onder ‘Boeken’ in het hoofdmenu.
Iedereen die zich enigszins verdiept in hoe het alledaagse leven binnen de maatschappij is georganiseerd, kan de noodzaak van hiërarchieën niet ontkennen en dus ook niet de noodzaak van de verschillende taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden die daarbinnen een rol spelen, zoals die van bijvoorbeeld ouders, leraren, boa’s, politieagenten en rechters.
Dehiërchisering is, zoals hierboven beschreven, het proces van het steeds minder accepteren van de zeggenschap van mensen die binnen een ‘organisatie’ in hiërarchie hoger staan dan wij, alsook van de wetten, voorschriften, normen en waarden waar we ons van ‘hogerhand’ aan moeten houden.
Ten aanzien van de wetten, voorschriften, normen en waarden waar we ons van ‘hogerhand’ aan moeten houden, is het van belang te beseffen dat deze binnen onze democratie zijn opgesteld om ervoor te zorgen dat we met onze manier van denken en handelen onszelf en anderen niet schaden en dat, als dat het geval is, er corrigerend kan worden opgetreden. Hoe zou onze maatschappij eruitzien als we geen verkeersregels hadden, geen wetten om wangedrag en criminaliteit aan te pakken, geen wetten waaraan producten moeten voldoen. Niet alleen ouders en andere opvoeders hebben in het aanleren en handhaven van algemene regels, normen en waarden een opvoedingsplicht, maar ook de maatschappij als geheel en wel via haar verschillende instituties met hun regels en wetten.
Het leven is per essentie gericht op groei en ontwikkeling en wel in een richting waarin alles wat leeft zijn potenties op een positieve manier kan ontwikkelen. Alles wat daar niet aan bijdraagt geeft het leven niet zijn zin en is dus zinloos en alles wat dat proces tegenwerkt, behoort tot het bewandelen van ‘de slechte weg’ en vraagt om corrigerende maatregelen.
Dehiërarchisering is, gezien haar bovengenoemde definitie, een negatieve ontwikkeling. Dit houdt echter niet in dat we niet kritisch moeten zijn op bestaande hiërarchische structuren, zoals bureaucratische procedures waarbinnen de menselijke maat en waarden niet worden gerespecteerd. Ook is en blijft een kritische houding noodzakelijk op het functioneren van mensen of groepen die hun taken niet naar behoren uitoefenen, wat inhoudt dat die niet gericht zijn op de positieve groei van mensen en de maatschappij.
Vaak zijn mensen van mening dat als iets niet functioneert, het maar moet worden afgeschaft. Maar als een persoon, de regering of het parlement niet goed functioneren, wil dat niet zeggen dat de functie die die persoon of groep uitoefent op zich niet goed is en dus moet verdwijnen. Dit is een kortzichtige visie die met name door populisten wordt gehanteerd.
In het volgende hoofdstuk wordt verder ingegaan op het verschijnsel populisme, mede omdat dat zowel in Europa als de hele wereld sterk in opkomst is. Wat houdt het in en welke invloed heeft het op het denken en handelen van mensen en op het functioneren van de maatschappij?
7. Populisme.
De term populisme is afgeleid van het Latijnse ‘populus’ dat ‘volk’ betekent en wordt gebruikt voor een manier van communiceren en van politiek bedrijven waarmee politici steun voor hun ideeën proberen te krijgen bij het volk en wel vanuit de opvatting dat er een tegenstelling is tussen wat het volk wil en wat de zogenaamde ‘elite’ nastreeft, wat vaak samengaat met anti-establishment en antipolitieke sentimenten.
Volgens populisten zou de elite de wensen en belangen van het volk niet meer begrijpen en alleen met hun eigen belang bezig zijn. ‘Het volk’ is volgens hen een groep van eerlijke mensen die het slachtoffer zijn van de slechte bedoelingen van de elite en wordt voorgesteld als een massa van mensen met gelijke ideeën en wensen. De populisten zeggen de wensen van het volk te begrijpen, namens het volk te spreken en de wil van het volk uit te voeren, wat bijvoorbeeld wordt geïllustreerd door de volgende uitspraken van Donald Trump:
‘If i rule, the people rule’ ofwel ‘Als ik regeer, regeert het volk’.
De populist is van mening dat hij er is om het goede volk te redden van de slechte elite. Dat kan de culturele elite zijn, maar ook de economische elite (‘bankiers, zakkenvullers’), de media-elite (‘linkse journalistiek’) of de politieke elite (‘de Haagse kaasstolp’).
De vraag is waarom kiezers zich tot populistische partijen voelen aangetrokken? Matthijs Rooduijn, universitair hoofddocent bij de afdeling Politicologie van de Universiteit van Amsterdam, wijt de opkomst en het succes van het populisme een combinatie van factoren:
‘Door de individualisering die na de ontzuiling opkwam, kwamen er nieuwe kiezers beschikbaar. De globalisering bracht nieuwe thema’s in de politieke arena, zoals immigratie en integratie. Middenpartijen richtten zich steeds meer op besturen en minder op de kiezers en de flankpartijen werden steeds gematigder, waardoor er op rechts en links meer ruimte kwam. Een laatste belangrijke factor zijn crises, die de onvrede van mensen voeden over de status quo.’
Naast de ontevredenheid heeft de populistische kiezer volgens Rooduijn nog een typische karaktereigenschap, namelijk dat de ‘agreeableness’ (vriendelijkheid) van mensen die op populisten stemmen relatief laag is, ofwel dat ze weinig empathie hebben en hoog scoren op egoïsme. Dat ze allemaal een lage sociaaleconomische status hebben (laagopgeleid, laag inkomen of werkloos) is volgens Rooduijn een misverstand, al geldt dat wel vaak voor kiezers die stemmen op rechts-populistische partijen die beweren dat de cultuur en identiteit van de bevolking wordt vervaagd of uitgewist door de komst van mensen met andere nationaliteiten of culturen.
Zoals gezegd, speelt inspelen op onvrede een centrale rol bij populisten. Zij maken doorgaans gebruik van drie soorten onvrede:
1. De onvrede van mensen die voortkomen uit bijvoorbeeld de Toeslagenaffaire en de gang van zaken rondom de aardbevingsschade in Groningen. De onzorgvuldigheid waarmee de regering daarmee is omgegaan, wekt terecht onvrede.
2. De onvrede die mensen begrijpelijk voelen als ze zich door voorgenomen maatregelen bedreigd voelen in hun welvaart of welzijn, zoals bijvoorbeeld de maatregelen die voorgesteld worden voor het verminderen van de stikstofuitstoot. Voor boeren zijn die ingrijpend en veroorzaken onzekerheid over hun toekomst.
Voor veel mensen, met name jongeren, zijn de woningnood en de toekomst die wordt bedreigd door de klimaatproblemen een rede voor onzekerheid en onvrede omdat aan die problemen te weinig aandacht wordt besteed.
Ook de grote toestroom van asielzoekers en arbeidsimmigranten en expats kunnen wantrouwen en tegenstand veroorzaken omdat deze mensen vaak gezien worden als concurrenten op de arbeids- en woningmarkt en omdat het integratieproces niet altijd goed verloopt.
3. Een derde soort onvrede kan omschreven worden als een existentieel onbehagen dat voortkomt uit de worsteling met een leven waarin algemene richtingaanwijzers zijn verdwenen en waarin ons via een voortdurende stroom van reclames, influencers en sociale media wordt voorgehouden hoe we moeten leven, hoe we eruit moeten zien en wat we moeten doen om ‘in te zijn’, succesvol en ‘erbij te horen’: opgepimpte beelden en opgeklopte succesverhalen waar niemand in werkelijkheid aan kan voldoen, met alle gevoelens van ‘mislukt te zijn’ van dien. En een gevoel van mislukt zijn, houdt de deur dicht naar het vervullen van de belangrijke behoeften van groei en ontwikkeling, de deur naar geluk.
Voor de jaren zestig mochten mensen binnen de dwingende cultuur van religies en het gezin niks en moesten ze van alles om aan de geldende normen te voldoen, maar hadden jongeren het vooruitzicht dat, als ze ‘het huis uitwaren’, hun eigen leven konden leiden. Een mogelijkheid die door velen met twee handen werd aangegrepen en waarvan met volle teugen werd genoten.
In de huidige tijd, waarin zogenaamd alle vrijheid is, moeten mensen op een geraffineerde en dwingende manier ook weer van alles, maar is het nauwelijks mogelijk om zich te ontworstelen aan de greep van het nieuwe moeten.
Mensen hebben alle mogelijkheden om autonoom te zijn, maar zijn de slaaf geworden van ‘het erbij willen horen’, van waarden en normen die niet gericht zijn op groei en ontwikkeling, maar op de belangen van een geldzuchtig systeem dat gepromoot wordt met plaatjes van rijkdom en succes, waarin ze mensen gevangenhouden. En als mensen niet toekomen aan het ontwikkelen van hun ‘hogere behoeften’ van zelfrealisatie, hebben ze het gevoel dat ze niet echt leven en staat de deur wagenwijd op voor het verdringen van gevoelens van zinloosheid die hiermee samenhangen, door te vluchten in drank, drugs, uitgaan en ’het leuk hebben’, waarvoor volop de gelegenheid geschapen wordt door een enorme commerciële vermaakindustrie. En zo worden mensen meegezogen in een draaikolk van wel leuke, maar niet echt zinvolle activiteiten waaraan nauwelijks te ontsnappen valt.
Gingen mensen vroeger uit om te ontspannen en te genieten van mooie dingen, tegenwoordig doen ze dat om het gevoel van verdwaaldheid te ontvluchten, even kwijt te zijn. Verheffende activiteiten hebben plaatsgemaakt voor ontvluchtende, onderdrukkende activiteiten.
De onvrede die voortvloeit uit dit richting- en zinloze leven komen in toenemende mate tot uiting in de vormen van agressie, jaloezie, tegendraadsheid en het zich aansluiten bij gedachtengoed van groepen die bepaalde groepen als schuldigen van deze onvrede aanwijzen, waardoor ze mensen het gevoel geven zelf niets te hoeven doen aan hun persoonlijke existentiële problemen, maar dat die moeten worden opgelost door ‘de schuldigen’ of de overheid.
Het gemis van echt te leven doet mensen op allerlei manieren schreeuwen om hulp waardoor elke uitgestoken hand wordt gegrepen, zonder te kijken of die hand wordt toegestoken om te helpen of om de betreffende persoon te ronselen voor eigen doelstellingen.
Dit laatste gebeurt onder meer door populisten die voornamelijk uit zijn op macht om hun eigen denkbeelden over het functioneren van de maatschappij vorm te geven. Trump en Wilders zijn niet echt betrokken bij mensen, zij willen hun eigen frustraties over bijvoorbeeld immigranten en de Islam omzetten in acties tegen die groepen en mobiliseren hiervoor het volk. Trump wil een economisch systeem waarin hij en andere ondernemers hun gang kunnen gaan en wil af van alle democratische instituties die hem daarin belemmeren, zoals de rechterlijke macht en de kritische pers. Hij gebruikt hiervoor de onvrede van de massa door de oorzaak ervan in de schoenen te schuiven van zijn tegenstanders, door de onvrede op te blazen door het gebruik van onjuiste cijfers over de heersende problemen, door bewezen waarheden weg te zetten als nepnieuws en door het verkondigen van leugens en complottheorieën.
Populisten gebruiken verdeeldheid om de heersende maatschappelijke problemen op te lossen, terwijl die problemen alleen opgelost kunnen worden door mensen met elkaar te verbinden, door mensen uit hun sociaal isolement te bevrijden, door zelfzuchtige economische praktijken onmogelijk te maken en door van een welvaart gerichte samenleving weer een samenleving te maken waarin welzijn centraal staat en waarin mensen zich niet vervreemd maar verbonden met elkaar voelen en waarin ze kunnen groeien en zich ontwikkelen tot bewuste, vrije en betrokken mensen.
De geschiedenis heeft bewezen dat daarvoor de verloren deugden van de oude Grieken noodzakelijk zijn:
Het populisme is gevaarlijk omdat populisten de samenleving opdelen in twee kampen, het volk en de elite, wat de verbinding die de samenleving tot een samenleving maakt, afbreekt. Populisten zeggen te spreken voor ‘het volk’ terwijl het volk niet een geheel is dat hetzelfde denkt en wil. Populisten spreken daarom altijd maar voor een gedeelte van het volk en sluiten de rest buiten, wat leidt tot conflicten en het uiteenvallen van de samenleving.
Het populisme is ook een gevaar voor de liberale democratie omdat populisten het systeem wantrouwen dat de basis vormt van democratie. Die basis bestaat uit diverse machten die ervoor zorgen dat er geen sprake kan zijn van machtsmisbruik en wordt gevormd door de ‘trias politica’: de wetgevende macht, de uitvoerende macht en de rechterlijke macht, samenwerkende machten die elkaar controleren.
In Nederland bestaat de wetgevende macht uit de regering en het parlement. Het parlement moet instemmen met wetsvoorstellen, anders kan het geen wet worden.
De uitvoerende macht bestaat uit de regering die leidinggeeft aan de ministeries en hun ambtenaren, die zich bezighouden met de uitvoering van wetten. De uitvoerende macht moet rekening houden met de wetgevende macht en mag alleen zaken uitvoeren die in de wet staan. De uitvoerende macht wordt gecontroleerd door het parlement. Als de regering haar werk niet goed doet, dan kan het parlement de regering ten val brengen.
De rechterlijke macht bestaat in Nederland uit de rechters en het Openbaar Ministerie. De rechters spreken recht op basis van wetten, verdragen, gewoonten en eerdere rechterlijke uitspraken (jurisprudentie). Rechters horen niet bij de wetgevende macht en mogen daarom ook niet bepalen of wetsvoorstellen een wet mogen worden. Het Openbaar Ministerie (OM) vervolgt verdachten van een strafbaar feit. Het OM valt onder de verantwoordelijkheid van de minister van Veiligheid en Justitie.
Populisten wantrouwen niet alleen de trias politica niet, maar ook niet de pers die onder andere als taak heeft de gang van zaken kritisch te volgen en ongewenste situaties aan de kaak te stellen. Populisten hebben doorgaans geen goede verhouding met de pers, omdat ze niet houden van kritiek, ze zijn machtsgericht en hebben een hekel aan tegenspraak en kritiek.
Ook wordt de wetenschap, die zoekt naar objectieve en dus bewezen feiten en kennis, door populisten met argusogen bekeken, omdat de wetenschap vaak feiten aandraagt die niet passen bij hun visie. Rechtse populisten verzetten zich, ondanks alle wetenschappelijke bewijzen, vaak tegen klimaatmaatregelen omdat die veel geld kosten en aan mensen regels opleggen die ingrijpen in hun vrijheid. Klimaatactivisten worden door hen gezien als onderdeel van ‘de elite’ die de wensen en belangen van het volk niet begrijpen en alleen met hun eigen belangen en ‘linkse hobby’s’ bezig zijn.
Machtspolitici hebben het in het algemeen niet met ‘de democratie’ en haar instituties omdat die traag is in het nemen van besluiten, doordat iedereen zijn zegje mag doen en er controle wordt uitgeoefend op machtsmisbruik.
De basis van het populisme is het denken in tegenstellingen, het of-of-denken, zoals dat in het hoofdstuk over holisme is besproken. In dat hoofdstuk is aangetoond dat dit denken dwars staat op de wat er in feite moet gebeuren om als persoon en maatschappij verder te komen op ‘de goede weg’ die in het bovenstaande werd omschreven als een manier van denken en handelen waarbij we afgestemd zijn op de wereld om ons heen, ermee in contact staan en er op de juiste manier op reageren zodat we een weg scheppen en lopen waarop wij en alle mensen om ons heen kunnen floreren.
Nawoord.
De basis voor het goed functioneren van elke organisatie wordt gevormd door hun missie, visie, doelstellingen, beleid en evaluatiesysteem.
De missie geeft aan waarom een organisatie er is, wat haar bestaansgrond is, wat zij nastreeft in algemene zin. Dat kan zijn iets produceren voor een bepaalde markt of diensten verlenen op een bepaald gebied en voor een bepaalde groep, zoals mensen goed laten wonen of gezond maken of zorgen voor een mooie vakantie, onderwijs of de opvang van daklozen, enzovoort.
In de visie worden normen en waarden geformuleerd die de organisatie hanteert binnen haar bedrijfsvoering, zoals milieuvriendelijk processen, goede arbeidsomstandigheden en andere materiele, organisatorische en maatschappelijke kwaliteitsnormen.
Als doelen worden concreet geformuleerd wat er wordt geproduceerd of welke diensten er worden verleend in welke kwantiteit en kwaliteit en voor wie, wat zowel geldt voor producten als diensten van commerciële, maatschappelijke en politieke organisaties.
In het beleid wordt concreet geformuleerd hoe de gestelde doelen moeten worden bereikt, met welke mensen en middelen en met welke organisatiestructuur: wie doet wat, hoe en wanneer, met welke taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden en hoe verloopt de communicatie.
In het evaluatiesysteem wordt vastgelegd wanneer, hoe, op welke wijze en met welke criteria regelmatig wordt gecontroleerd of de gestelde doelen worden bereikt, of het beleid wordt uitgevoerd zoals gepland en of de organisatie trouw is aan haar missie en visie.
Elke regeringsvorm maakt in organisatietermen, gezien het bovenstaande, deel uit van het beleid van een land om bepaalde doelen te bereiken. De regeringsvorm wordt dus bepaalt op basis van de missie, visie en de concrete doelen die een land heeft geformuleerd voor het besturen van een land.
In democratische landen vormt het streven naar gelijkheid, vrijheid en solidariteit de essentie van de missie. Dit streven is verankerd in de grondwet en moet dus het hoofddoel zijn waarop het beleid van de regering is gericht. In het bovenstaande is aangetoond dat juist de vrijheid, de gelijkheid en de verbinding tussen mensen in ons en andere democratische landen afkalft en dat de het regeringsbeleid daar dus faalt.
De hoofdoorzaak van dat falen ligt mijns inziens in het afkalven van de verbondenheid van het individu met de maatschappij en de verbondenheid van de maatschappij met het individu. Het individu voelt zich in toenemende mate niet meer verantwoordelijk voor de maatschappij en de maatschappij verwaarloost haar verantwoordelijkheid om een economische en maatschappelijke structuur te scheppen waarin mensen zich kunnen ontwikkelen als individu én als bouwsteen van de samenleving, En dat komt mijns inziens omdat we geen gezamenlijke visie, missie en doelen meer hebben die richting geven aan ons leven en we dus niet meer weten wat ieders taken en verantwoordelijkheden zijn. En dus doen we maar wat, richtingloos en verdwaald, en zoeken we houvast in allerlei verhalen en beloftes van mensen die niet staan voor het algemene belang, maar ons gebruiken voor hun eigen gewin of machtswellust.
Het huidige tijdperk wordt vaak betiteld als ‘het ijzeren tijdperk’, omdat we voornamelijk gericht zijn op de materiele zaken en het verstandelijke overheerst. We hebben het besef verloren dat er meer in het leven is dan wat we op zintuiglijk en fysiek niveau kunnen ervaren. Er is geen aandacht voor ons intuïtieve weten en voelen, wat wordt bestempeld als zweverig. We kijken maar zien niet, we luisteren maar horen niet, we reuken en proeven maar ervaren niet, we tasten maar voelen niet, we denken maar weten niet de antwoorden op de belangrijkste levensvragen.
Het leven wordt ervaren als een beperkt stukje tijd in de beperkte ruimte van de aarde, zonder verbinding met de tijd en ruimte die eeuwig en oneindig is. Kortom we zijn niet alleen de verbinding met elkaar kwijtgeraakt maar ook de verbinding met de oneindige tijd en ruimte en het besef dat wij en dit leven een belangrijke schakel zijn in een groter geheel dat zich voortdurend verder ontwikkelt.
Eeuwenlang hadden onze voorouders dit besef wel. Ze wisten dat elk leven een tijdelijk verblijf is op deze aarde en bedoeld is om ons als spiritueel wezen iedere keer een stukje verder te ontwikkelen in bewustzijn, vrijheid en betrokkenheid op de weg naar een volgende stap in ons ontwikkelingsproces in andere niet aardse maar hogere sferen, die worden aangeduid met hemel of Nirwana.
We onderscheiden ons van dieren doordat we naast instincten bewustzijn hebben dat we kunnen gebruiken om bewust te handelen. Bewust gedrag wordt gekenmerkt door gedrag dat niet instinctief gebeurt, maar gedrag waarover we hebben nagedacht. Doordat we bewustzijn hebben, hebben we niet alleen reacties op wat we zien, horen, ruiken, proeven en denken, maar kunnen we door ‘op enige afstand’ naar onszelf te kijken die reacties als het ware ook zien en kunnen we dat onder woorden brengen voor onszelf en anderen. Daardoor krijgen we een beeld van onze reacties kunnen we er ook vanuit een bepaald standpunt naar kijken, bijvoorbeeld vanuit de normen, waarden en eerdere ervaringen van onszelf en anderen. Hierdoor krijgen we niet alleen een beeld van onszelf hoe we reageren in bepaalde situaties, maar kunnen we onze manier van reageren ook aanpassen.
Als we ons bijvoorbeeld bewust worden dat we in bepaalde situaties altijd boos worden, kunnen we nagaan wat de reden daarvan zou kunnen zijn en of onze reactie wel echt gegrond of verstandig is en kunnen we proberen ons gedrag aan de nieuwe zienswijze aan te passen. Bewustzijn vormt zo de basis van zelfkennis en gewenste gedragsveranderingen, van onze groei en ontwikkeling.
Niet alleen is het van belang ons bewust te worden van ons gedrag, maar ook van wat onze diepste dromen zijn omdat dat een voorwaarde is om vrij te zijn, om te kunnen handelen vanuit onszelf en niet vanuit datgene wat de omgeving van ons vraagt via verwachtingen, reclames, mode en ideologieën, want dat is geen vrijheid maar slaafsheid en na-aperij.
Tevens is het noodzakelijk dat we ons bewust worden van wat onze sterke en zwakke kanten zijn omdat dat eveneens een voorwaarde is om vrij te zijn, om kunnen bepalen welke zaken we wel en niet kunnen wensen en najagen, welke dingen we wel en niet kunnen bereiken. Een tulp kan alleen een tulp worden en geen boom. Vrijheid bestaat alleen binnen bepaalde grenzen.
Bewustwording is niet alleen een voorwaarde voor vrijheid maar ook voor betrokkenheid. Ons bewust zijn van de mensen en alles om ons heen is een voorwaarde om erbij betrokken te kunnen zijn, er een verbinding mee aan te gaan. Wat we niet kennen, weten, voelen en zien bestaat niet voor ons en dus kunnen we er ook geen verbinding mee aangaan, ons erbij betrokken voelen.
Ook vrijheid is een voorwaarde voor echte betrokkenheid op onze omgeving, omdat we alleen oprecht betrokken kunnen zijn, ons kunnen verbinden met mensen, de aarde, gebeurtenissen, ideeën, dingen en omstandigheden als we dat doen vanuit vrijheid en niet omdat we anderen en het andere nodig hebben om onszelf goed en waardevol te voelen. Dat is immers geen echte betrokkenheid, verbinding, maar afhankelijkheid.
Betrokkenheid op onze omgeving is, zoals eerder uitvoerig betoogd, noodzakelijk omdat zonder mensen en alles om ons heen het leven is als een school zonder leraren en boeken. We groeien en ontwikkelen ons door de confrontatie met de alledaagse werkelijkheid om ons heen.
Bewustwording is dus een voorwaarde voor vrijheid en betrokkenheid. Vrijheid en betrokkenheid zijn voorwaarden voor onze groei en ontwikkeling: de essentie van leven. Alles wat leeft, wil groeien, zich ontwikkelen en bloeien vanuit zijn of haar diepste levenskrachten.
Als de essentie van ‘leven’ groei en ontwikkeling is, moeten we ons afvragen wat er om groei en ontwikkeling vraagt. We hebben fysieke capaciteiten die we gemeenschappelijk hebben met dieren, namelijk dat we kunnen voelen, handelen, kijken, horen, ruiken en proeven. Deze capaciteiten vragen om ontwikkeling om goed te kunnen functioneren, wat betekent dat we zorg moeten dragen voor on lichaam, onze fysieke gezondheid.
Naast deze fysieke capaciteiten hebben we, zoals hierboven besproken, specifieke menselijke capaciteiten, namelijk dat we ons bewust kunnen zijn van wat we voelen, doen, horen, zien, ruiken en proeven en ons daar een mening over kunnen vormen, of iets goed of kwaad, lelijk of mooi, lekker of vies is, en dat we op basis van deze beoordeling ons gedrag kunnen veranderen en ons zo verder kunnen ontwikkelen.
De capaciteiten om ons ergens van bewust te zijn, daarover na te denken, te reflecteren en ons dingen te herinneren liggen, in tegenstelling tot wat doorgaans wordt beweerd, niet in onze hersenen, maar in het bewustzijnsveld buiten ons lichaam, en zijn capaciteiten van onze ziel, die na onze dood blijft voortbestaan om, zoals hierboven vermeld, in andere sferen haar ontwikkeling voort te zetten. Het zou absurd zijn als het leven, dat in essentie groei en ontwikkeling is, uiteindelijk tot niets zou leiden.
De ziel geeft allerlei impulsen aan onze hersenen, die daar worden omgezet in lichamelijke gewaarwordingen en acties, zoals mijn gedachten als signalen van mijn bewustzijnsziel via mijn computer worden omgezet in tekst. Wij ontwikkelen onze hersenen dan ook door ons bewustzijn en ons denken te ontwikkelen en dus door de activiteiten van onze ziel, zoals we onze spieren trainen door bepaalde lichamelijke activiteiten.
De zorg voor ons lichaam is van groot belang omdat het ons aardse voertuig is om als zielenmens tijdelijk op aarde te kunnen leven. En dat tijdelijk verblijf is bedoeld om ons als zielenwezen specifieke mogelijkheden te geven om ons te ontwikkelen door de ervaringen die hier op aarde mogelijk zijn, zoals we in ons aards schoolsysteem verschillende stages, schoolklassen en opleidingen doorlopen. Waarom zouden we dit allemaal doen als het geen betekenis heeft in een groter geheel, als het uiteindelijk zou verdwijnen in de dood.
Ons schoolsysteem op aarde is dan ook een onderdeel van het totale eeuwige scholingsproces op geestelijk zielenniveau. Beide systemen zijn in principe dan ook hetzelfde: zo boven, zo beneden.
Een verschil tussen beide schoolsystemen wordt mooi beschreven in een Engelse omschrijving die ik onlangs tegenkwam:
'Difference between school and life: School teaches you lessons and then gives you a test. Life gives you a test and you learn the lessons.’
Vrij vertaald in het Nederlands:
‘Het verschil tussen de aardse school en levenschool: de aardse school leert je lessen en geeft je vervolgens een toets. De levenschool geeft je een toets en jij leert daaruit lessen.’
Net zoals ouders en leraren ons liefdevolle en stapsgewijs begeleiden op onze ontwikkelingsweg en ons daarom moeten corrigeren als we verkeerde wegen bewandelen, gebeurt dat ook door ‘hogere opvoeders’ op het scholingsniveau van onze ziel. En net zoals we de opgaven en corrigerende maatregelen van onze aardse ‘opvoeders’ niet altijd begrijpen, doen we dat ook niet altijd als we moeilijke opgaven tegenkomen in ons leven of worden geconfronteerd met situaties die bedoeld zijn om foutief gedrag te corrigeren. We zijn dan vaak geneigd om de schuld ervan te leggen bij ‘anderen’ en zijn ons er niet van bewust, dat wijzelf die situaties hebben veroorzaakt door ons gedrag in dit of vorige levens.
Zolang we bepaalde lessen niet leren, krijgen we ze iedere keer weer op ons bordje. De huidige wereldwijde crises zijn niet veroorzaakt door ‘hogere machten’, maar door onszelf. En zolang we ons daar niet van bewust zijn, zullen ze voortduren en zelfs steeds groter worden, want levenslessen moeten geleerd worden.
Alles wat we tegenkomen, hoe vervelend en zwaar ook, is bedoeld om ons als zielenwezens te kunnen ontwikkelen op onze weg naar bewustzijn, vrijheid en liefde, want de bron waaruit we voortkomen is vol van liefde, vrijheid en liefde. En naar die bron, ons Thuis, zullen we moeten terugkeren. Dit levensdoel is even dwingend als de doelen die ten grondslag liggen aan onze aardse opvoeding.
Als het leven als doel heeft om ons als zielenwezen te ontwikkelen en als ons tijdelijk verblijf hier op aarde een leerperiode is in het totaal van dit proces, hoe triest is het dan dat we op dit moment als hoofddoel hebben: de groei van onze materiële welvaart, van bezit, succes en aanzien. Deze zaken zijn immers even vergankelijk als ons lichaam. Op het einde van ons leven telt alleen in hoeverre we onze vermogens van bewustzijn, vrijheid en liefde hebben ontwikkeld. Welvaart is geen relevant levensdoel, maar alleen een middel om gunstige omstandigheden te scheppen voor de groei van deze capaciteiten.
We zitten blijkbaar op de verkeerde school, waar we verkeerde levenslessen leren. Dus zal er ingegrepen worden, wat overal om ons heen is te zien in de vorm van wereldwijde crisissen. We hebben de keuze om ze te ontkennen of ze te zien als waarschuwingen dat we ons gedrag als individu en maatschappij moeten veranderen. Dit vraagt om ons bewust te worden van onze echte levenslessen.
Ik en jij, wij zijn de bouwstenen van de maatschappij en vormen als zodanig samen allerlei soorten groepen, organisaties en gemeenschappen. Willen we problemen binnen deze gemeenschappen oplossen dan begint dat met ons eigen gedrag onder de loep te nemen en te bekijken wat daarin fout is en bijdraagt aan de heersende problemen. Vervolgens kunnen proberen om nieuw gedrag te ontwikkelen en medestanders inspireren om dat ook te doen en wel vanuit een visie, missie en doelen die gericht zijn op het realiseren van een maatschappij waarin iedereen zich kan ontwikkelen in vrijheid, bewustzijn, en betrokkenheid. Als we ons echt verbonden voelen met elkaar en met wat echt leven is, krijgen we de levenskrachten zoals die zichtbaar zijn in de lente.
‘Niet de belangen van enkelen staan ons voor ogen, maar de behoeften van allen. Daarom noemen we onze staat een democratie en vanwege het unieke experiment van ons democratisch bestuur zijn wij een voorbeeld voor de wereld en zullen wij tot in de verre toekomst, in tijden en landen waarvan wij ons geen voorstelling kunnen maken, als een baken van vrijheid hoop verschaffen aan onderdrukten.
Iedereen is gelijk voor onze wetten. Afkomst en rijkdom worden niet hoger aangeslagen dan verdienste.
Voor hen die de staat willen dienen, mag armoede geen obstakel vormen. Armoede is voor ons geen schande, wel de onwil om zich eraan te ontworstelen. Rijkdom beschouwen we niet als iets om mee te pronken maar als een gelegenheid om iets tot stand te brengen.
Wij gunnen anderen het recht hun leven in te richten zoals hun goeddunkt, omdat wij geloof hechten aan de grenzen die de wet stelt aan allen.
Al onze publieke beambten hebben private aangelegenheden te behartigen en al onze gewone burgers bekommeren zich, naast hun drukke werkzaamheden, om de publieke zaak. Waar iemand die zich niet voor politiek interesseert in ander landen gezien wordt als weinig ambitieus, beoordelen wij zo iemand als nutteloos.
Wij beschouwen woorden niet als een zwak alternatief voor daden, maar als voorwaarde voor de juistheid ervan, want wij zien debat niet als uitstel van actie, maar als noodzakelijk middel om de juiste beslissingen te nemen omtrent de actie die van ons wordt verlangd. Overleg en durf gaan bij ons hand in hand.’
Redevoering van Perikles, Atheense staatsman, redenaar en generaal, 461 tot 429 v.Chr. Ilja Leonard Pfeijffer, Alkibiades, pag. 49-51.